Marokkanen willen democratie. Maar de koning moet bijven

‘De Arabische lente is de middenklasse’

Lang werd de Marokkaanse middenklasse voor ‘onzichtbaar’ gehouden, te klein om gewicht in de schaal te leggen. Aangestoken door Tunesië en Egypte ging ze de straat op en dwong democratische vernieuwingen af.

Een paar jaar geleden was de middenklasse even onderwerp van gesprek in Marokko. In een speech in de zomer van 2008 benadrukte koning Mohammed VI het belang van la classe moyenne als ‘bron van stabiliteit, katalysator van productie’, en voegde eraan toe vastbesloten te zijn om van de middenklasse de ruggengraat van de maatschappij te maken. De toenmalige premier, die bij zijn aanstelling al had gezegd dat hij ‘het programma van de koning’ trouw zou uitvoeren, kondigde korte tijd later aan een commissie aan te stellen die tot taak kreeg te onderzoeken hoe de middenklasse verder ontwikkeld kon worden. Maar eerst moest die commissie de middenklasse maar eens definiëren.

En zo kwam het Marokkaanse plan­bureau een jaar later met een rapport waaruit bleek, volgens dat planbureau althans, dat ruim vijftig procent van de Marokkanen tot de midden­klasse behoorde. Het waren degenen die moesten rondkomen van een inkomen van driehonderd tot zeshonderd euro per maand. Zij die daaronder zaten, ruim dertig procent van de Marokkanen, noemde het planbureau met een mooi eufemisme la classe modeste. De bijna vijftien procent die boven de zeshonderd euro zat heette la classe aisée te zijn, de welgestelden.

Volgens het planbureau werd de middenklasse dus eenvoudig gevormd door de bulk der Marokkanen. Omdat zo’n vijftig procent tussen de driehonderd en zeshonderd euro per maand verdiende, was dat de middenklasse. Op de vraag of die middenklasse dan ook nog ‘basis van stabiliteit, katalysator van productie’ kon zijn, zoals de koning zo graag wilde, antwoordde de directeur van het planbureau in een interview, tegelijk laconiek en ontwijkend, dat ‘in een arm land de middenklasse nu eenmaal arm is’. In diezelfde tijd kwam het driemaandelijkse tijdschrift La Revue Economia, uitgegeven door het onafhankelijke Centre d’Études ­Sociales, Économiques et Managériales in Rabat, met een grondige studie naar de Marokkaanse middenklasse. La Revue hanteerde heel andere criteria dan het planbureau, keek bijvoorbeeld niet alleen naar inkomen maar ook naar waarden, en vond bovendien dat een middenklasse ook als drager van maatschappelijke veranderingen moest kunnen fungeren. Wel, van wie kon je zoiets in Marokko verwachten? Toch niet van de middenklasse van het planbureau, want die had het te druk met overleven. De echte middenklasse, welgesteld genoeg om een zeker politiek bewustzijn te ontwikkelen, en gebaat bij verandering van de status quo, waren volgens La Revue mensen met een inkomen tussen de duizend en 2500 euro: dit waren de mensen die konden reizen, een auto en een huis konden kopen omdat ze daarvoor een krediet of een hypotheek konden krijgen, en zowel Arabisch- als Franstalige kranten en tijdschriften lazen. Iedereen die boven een inkomen van 2500 euro zat, rekende La Revue tot de elite, die het te goed had om maatschappelijke veranderingen te entameren.

La Revue noemde de Marokkaanse middenklasse ‘onzichtbaar’: een relatief kleine groep, gevormd niet alleen door opwaartse mobiliteit (opgeklommen arbeiders) maar in zeker zo belangrijke mate door neerwaartse (verarmde elite), veel minder homogeen dan de onder- of bovenklasse, individualistischer, heen en weer bewegend tussen de polen traditie en ‘moderniteit’. Tot deze middenklasse konden zowel lagere als hogere ambtenaren behoren, zowel verpleegsters als artsen, onderwijzers zowel als universitair docenten, ondanks het verschil in inkomen. Veel was afhankelijk van de omstandigheden: had men veel of weinig kinderen, bestond het huishouden uit één- of tweeverdieners, had men ook de zorg voor werkloze familieleden en hun gezinnen? Ongunstige omstandigheden konden potentiële middenklassers op de rand van de armoede houden.

Ik herkende dat allemaal wel. Marokko kwam op mij over als een starre standenmaatschappij, waarvan de elite zichzelf met betrekkelijk gemak reproduceerde, onder meer door haar kroost naar Franstalige privé-scholen te sturen. Noodgedwongen reproduceerde ‘de onderklasse’ zichzelf ook. Door het notoir slechte staatsonderwijs en een gebrek aan netwerk lukte het maar weinigen het niveau van de ouders te ontstijgen. Er waren er zeker die dat lukte; ik kende daar zelf voorbeelden van. Maar het bleef een kleine minder­heid.

Indertijd volgde ik de discussie over de Marokkaanse middenklasse met grote in­teresse, ook omdat ik bezig was met een boek over de ‘modernisering’, of verwestersing, van de Marokkaanse maatschappij. In Tussen hoofddoek en string wilde ik laten zien hoe de traditie op een aantal gebieden bezig was te wijken voor wat je ‘de moderniteit’ zou kunnen noemen. Een van mijn vragen was of dat ook op politiek gebied gebeurde: wanneer zou Marokko minder op een verlichte dictatuur en meer op een parlementaire democratie gaan lijken? Er was wel een veelheid aan politieke partijen, een coalitie­regering en een parlement, en toch had de koning het nog grotendeels voor het zeggen. Wanneer zou dat veranderen? Anders geformuleerd: wanneer zou de middenklasse de straat op gaan om dergelijke veranderingen af te dwingen? De antwoorden die ik links en rechts kreeg, van sociologen, politicologen, waren unaniem pessimistisch. De middenklasse was te klein, te heterogeen, onzichtbaar, men had te veel schulden, et cetera.

Achteraf werd dat boek voor mij de afsluiting van een verblijf van ruim vijf jaar in Marokko. Ik was nog geen twee maanden weg of de Arabische lente brak uit, eerst in Tunesië en Egypte en daarna ook in Marokko, waar de wekelijkse manifestaties van de 20 Februari Beweging (20FB) vorig jaar tot een nieuwe grondwet hebben geleid. Dus toen ik in maart van dit jaar naar Marokko terugkeerde, was dat met deze twee vragen in het hoofd: is er met de nieuwe grondwet daadwerkelijk iets veranderd in Marokko, is het land nu democratischer? En kun je de veranderingen op het conto van de middenklasse schrijven, is de 20FB voortgekomen uit de middenklasse?

De 36-jarige Ibtissam Lachgar, klinisch psychologe, coördinator van de 20FB in Rabat, was er vanaf het begin bij. Ze zegt dat de 20FB is voortgekomen uit een Facebook-groep, twintigers en dertigers die daar discussieerden over wat er zou moeten veranderen in Marokko. Toen de Arabische lente uitbrak in Tunesië en Egypte besloten ook zij de straat op te gaan, voor het eerst op 20 februari 2011, vandaar de naam van de beweging, ‘die wij overigens niet hebben verzonnen, journalisten noemden ons zo’, aldus Lachgar. ‘Eenmaal op straat sloten steeds meer mensen zich bij de demonstraties aan, vooral studenten en afgestudeerden zonder baan.’ Die laatsten, de hogeropgeleide werklozen, vormen in Marokko een grote groep. De 20FB is van meet af aan een jongerenbeweging genoemd, een beweging, zou je kunnen zeggen, van potentiële middenklassers die hun weg naar boven om verschillende redenen gebarricadeerd zagen.

En die dus politieke invloed wilden. ‘De Arabische lente is de vrucht van de middenklasse’, zegt politicoloog Mohammed Darif in zijn werkkamer in Casablanca. ‘Het waren niet de armen die in Caïro op het Tahrirplein stonden.’ Het is volgens Darif niet toevallig dat bij de demonstraties in de verschillende Arabische landen, ook in Marokko, de vraag om ‘waardigheid’ telkens weer als slogan opdook. ‘Wat is de waardigheid van de arme? Dat is werk hebben en een dak boven je hoofd. Maar voor de middenklasse ligt dat anders. Die wil meedoen aan het politieke spel. Waardigheid is voor hen ook respect voor mensenrechten en individuele vrijheden. De middenklasse is gaan demonstreren omdat ze zich gemarginaliseerd voelde door het politieke systeem, de corruptie.’

Maar in Egypte, en zeker in Tunesië, is de middenklasse relatief groter dan in Marokko. In Marokko bijvoorbeeld is 48 procent van de bevolking nog analfabeet, in Egypte dertig procent en in Tunesië 25 procent. Het gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking bedraagt in Marokko 4900 dollar per jaar, in Egypte zesduizend en in Tunesië negenduizend. Het zijn cijfers die niet alles zeggen, maar waaruit wel blijkt dat de voorwaarden voor het ontstaan van een middenklasse in Marokko ongunstiger zijn dan in de twee andere landen.

‘Zonder de opstanden in Tunesië en Egypte had hier niks kunnen gebeuren’, zegt Driss Ksikes, een van Marokko’s vooraanstaande intellectuelen. Dat de Arabische lente in Tunesië begon, verbaast hem niet. ‘Daar heeft president Bourguiba meteen vanaf de onafhankelijkheid zijn best gedaan een middenklasse te creëren, goed onderlegd, geëmancipeerd. Daar zette hij zijn kaarten op. Bij ons koos Hassan II juist voor de traditie, niet voor de moderniteit. Een van zijn uitspraken is: “Ik ben bereid een derde van de bevolking te offeren als scholing dissidentie creëert.” Met die zware erfenis zitten we nog steeds opgescheept. We hebben nog altijd geen schoolsysteem dat in staat is een voldoende aantal mensen, en ik zeg voldoende, van de noodzaak van veranderingen te overtuigen.’

Er is nog een belangrijk verschil. Anders dan in Tunesië en Egypte heeft in Marokko niemand geroepen dat het staatshoofd moest verdwijnen. ‘De koning is populair in Marokko’, legt Ksikes uit. ‘Men is ook bang voor het onbekende. De elite en de hogere middenklasse zijn hier niet de straat op gegaan. Er is in Marokko geen allian­tie, geen solidariteit tussen de verschillende klassen. Vooral de elite heeft te veel belang bij het systeem van cliëntelisme. Dat heeft de mobili­satie verzwakt.’

Toch waren de demonstraties massaal genoeg om de koning snel te laten reageren. Nog geen drie weken na de eerste manifestatie op 20 februari kondigde de koning aan een commissie te vormen die zich over een nieuwe grondwet zou buigen, waarover vervolgens per referendum zou mogen worden gestemd. Daarna zouden verkiezingen volgen.

En zo is het ook gegaan. Ksikes ziet een en ander vooral als een handige tactiek van de koning. ‘Hij is de demonstranten tegemoet gekomen, en daarmee heeft hij het elan van de 20FB weten te breken. Zeker, de nieuwe constitutie permitteert ons dingen die vroeger niet konden. Maar de mensen hebben niet samen iets nieuws gecreëerd, een verandering, die dan vorm krijgt in een nieuwe grondwet. Nee, de mensen wilden verandering, en de koning heeft ze een halve verandering aangeboden. Men is nu bezig zich af te vragen: wat moeten we daarmee?’

Mohammed Tozy, een van Marokko’s bekendste sociologen, verbonden aan de Universiteit van Casablanca en de Universiteit van Aix-en-Provence, zat in de commissie die de nieuwe grondwet moest opstellen. In zijn werkkamer in de wijk Aïn Choc geeft hij onmiddellijk toe dat die grondwet ‘een compromis’ is. De aan­vankelijke tekst noemt Tozy ‘min of meer correct’, maar die is vervolgens bijgesteld door de koning en de politiek. ‘Wat er uiteindelijk uitkwam vond ik niet erg bevredigend.’ Toch is hij bereid die grondwet te verdedigen. ‘Hij poneert het principe van de scheiding der machten, en omschrijft nauw de machts­verdeling tussen premier en koning. Het is ook een constitutie die crises institutionaliseert. We kunnen nu vaststellen dat er een menings­verschil is tussen koning en premier, zo’n meningsverschil ook openbaar maken, en de koning is dan verplicht het parlement naar huis te sturen en nieuwe verkiezingen uit te schrijven, waarbij hij dus het risico loopt dat uit die verkiezingen zal blijken dat het volk de premier steunt. Dat was vroeger niet mogelijk.’

Maar de koning behoudt met de nieuwe grondwet nog veel van zijn macht? ‘Ja, maar iedereen wil dat hij die macht behoudt, want iedereen wantrouwt iedereen’, zegt Tozy. ‘Politici hebben zelfs geen vertrouwen in hun eigen partij, ze hebben meer vertrouwen in de koning. Niemand heeft gevraagd dat hij zijn macht opgeeft, zelfs de 20FB niet. Ze hebben alleen gevraagd dat zijn macht scherp en expliciet omschreven wordt, en dat doet de nieuwe grondwet.’

De 20FB is van het begin af aan tegen deze grondwet geweest, zelfs voordat die er was: men vond dat een ‘grondwetgevende vergadering’ die nieuwe grondwet moest opstellen, niet een door de koning aangewezen commissie. ‘Terwijl ze ons hadden kunnen helpen, en met ons bedoel ik de modernisten in de commissie’, zegt Tozy. ‘Er is een moment geweest dat we een correcte grondwet hadden, maar daar keerden verschillende partijen zich tegen, onder andere de ulema, de schriftgeleerden. We hebben aan de 20FB gevraagd ons te steunen op specifieke punten, zoals de suprematie van internationaal boven nationaal recht, en de scheiding tussen religie en politiek. Het was het moment. De macht was toen nog bang voor de 20FB. Maar ze riepen: “Commission dégage! – Commissie wegwezen!” Zo werkt het niet in de politiek. Ze hadden hun kans moeten grijpen, moeten onderhandelen. Maar het principe ging voor bij hen. Ze dachten dat ze de macht omver konden blazen. Dat hebben ze verkeerd ingeschat.’ Politicoloog Mohammed Darif noemt het een typische transitiegrondwet. ‘Hij installeert geen parlementaire monarchie, maar reproduceert ook geen despotisme. Het zou ook moeilijk zijn geweest de sprong te maken van een “uit­voerende monarchie”, waarin de koning regeert, naar een volwaardige democratie. De voorwaarden daarvoor bestaan in Marokko domweg niet. Er zijn geen geloofwaardige politieke partijen die de steun hebben van de bevolking. Er is zelfs geen democratie binnen die partijen zelf. Ze hebben ook geen programma. Aan de tweede voorwaarde, kiezers die verantwoordelijk zijn voor hun keuze, wordt evenmin voldaan, want de mensen verkopen hun stem voor een paar dirham. Maar waar zouden ze ook op moeten kiezen, als partijen geen programma hebben?’

Darif voegt eraan toe: ‘Ik ben ook voor een democratische grondwet, maar we kunnen ons niet in een avontuur storten, zoals nu in Egypte, waar de Moslimbroeders de verkiezingen wonnen. Oké, dat accepteren we nog. Maar de salafisten kwamen op de tweede plaats, en dat is ernstig voor de democratie. Om die te beschermen heb je mechanismen nodig. Als het hier lukt om de politieke partijen te versterken, de kiezer bewust te maken en van zijn verantwoordelijkheid te doordringen, kunnen we daarna weer gaan debatteren over een nieuwe grondwet.’ Concluderend stelt Darif: ‘Deze constitutie moet de voorwaarden gaan creëren voor democratie. Echte partijen die voor echte pluriformiteit zorgen, en verantwoordelijke kiezers. Als de Arabische lente betekent dat mensen niet genoeg hebben aan werk en een huis maar ook willen meebeslissen, dan is men daar met deze grondwet in geslaagd. Het volk heeft er zijn waardigheid mee gekregen.’ Darif doelt op het feit dat een stem nu werkelijk telt.

Socioloog Tozy zegt het zo: ‘Met de nieuwe grondwet is sprake van een rehabilitatie van de politiek. Een gevecht om de macht, verkiezingen, kan nu leiden tot macht. Dat is een enorme verandering. Daarvoor bedreef men politiek om met de koning te kunnen onderhandelen.’

De eersten die daarvan hebben kunnen profiteren zijn de gematigde islamisten van de Partij van de Gerechtigheid en de Ontwikkeling (pjd), die de verkiezingen van november wonnen. Daarmee heeft Marokko voor het eerst een islamist als premier, die een coalitie­regering leidt. Wat het gaat opleveren, moet worden afgewacht, maar veel speelruimte is er niet. Met de crisis die nu ook voelbaar is in Marokko, een terugloop van het toerisme, een jaar van droogte en de hoge prijs van een vat olie, lijkt de politiek voorlopig gedicteerd te zullen worden door economische malaise.