De Arabische tweesprong

Een van de grootste rampen die een volk kan overkomen is dat het dictatoriaal wordt geregeerd, in een land dat rijk is aan bodemschatten. Dit ongeveer schreef de grote Amerikaanse econoom Paul A. Samuelson (1915-2009) tegen het einde van de vorige eeuw in zijn column in Newsweek.

Het ging over Saoedi-Arabië, de grootste olieleverancier van het Westen, met een van de rijkste vorstenhuizen ter wereld en het grootste proletariaat van het Midden-Oosten. Zijn diagnose heeft niets aan kracht verloren, had toen ook op Irak, Bahrein of Libië kunnen slaan. Aan deze ramp zijn wij in het Westen medeplichtig, telkens als we in onze auto stappen of er bij de overheid om jengelen de maximumsnelheid van 120 tot 130 te verhogen.

Is dit scherpslijperij? Het is maar hoe je het bekijkt. Minder dan twee jaar geleden mocht kolonel Kadhafi ‘aanschuiven’ bij de top van de G8 in l'Aquila, Italië, om met de grote jongens mee te praten over de wereldhandel. Dat had hij te danken aan zijn positie als grootleverancier van brandstof, en dit weer aan het feit dat hij een hermetische dictatuur had gevestigd. Daarvoor werd hij door de G8 impliciet beloond. De afgelopen weken heeft hij zich als megalomane halvegare bevestigd. Het woedende volk staat klaar om hem uit zijn paleis te jagen en dan de rest van de rekening te vereffenen. Moeten wij ons nu medeschuldig aan zijn bewind voelen? Ja. Maar die vraag wordt in de internationale politiek niet gesteld, en is nu ook niet aan de orde.

De hele Arabische wereld is in beweging. Saoed, de 86-jarige koning van Saoedi-Arabië, heeft vorige week 37 miljard dollar beschikbaar gesteld voor studiebeurzen, volkshuisvesting en loonsverhoging voor de ambtenaren. Deze nu zo gulle vorst was de beste Arabische vriend van George W. Bush toen die zijn oorlog tegen Saddam Hoessein voerde, en is onze grootste olieleverancier. Laten we blij zijn dat hij eindelijk zijn volk laat meedelen in de kapitalen die hij aan het Westen heeft verdiend. Maar zal hij daarmee de revolutie kunnen afkopen die zich over de hele Arabische wereld lijkt te verbreiden? Moeten we dat hopen? Of moeten we solidair zijn met de massa’s die nu geen feodale, godsdienstig beïnvloede dictatuur meer willen en dus de kant van de revolutie kiezen?

Hoe dan ook, als deze Arabische volksbeweging zich voortzet, ontstaat daaruit een geweldig vraagstuk voor de Europese buitenlandse politiek. De opstand is niet het gevolg van godsdienstige verlangens, niet ontstaan uit een onbedaarlijke behoefte aan een strengere toepassing van de sharia. Voor zover dat uit de verslaggeving ter plaatse en op de televisie valt te beoordelen, wordt het verzet gemotiveerd door een verlangen naar een beter leven volgens de westerse definitie: geen geheime politie, meer vrijheid, grotere welstand, consumptie. In de Arabische wereld is het tegendeel gaande van een islamistische revolutie. In deze zin is het een triomf voor de westerse levenswijze.

Maar dan komen de praktische vragen die bij een geslaagde omwenteling niet alleen de Arabieren maar ook ons in de komende jaren zouden kunnen bezighouden. De eerste gaat over een mogelijk vluchtelingenprobleem. Berichten uit gebieden waar de revolutie woedt, zijn altijd onbetrouwbaar. Zijn er werkelijk honderdduizend mensen uit Tripoli gevlucht of is dat een nul te veel? Dat maakt geen principieel verschil. Er zullen vluchtelingen naar Europa blijven komen, meer dan we de afgelopen jaren gewend waren. De instroom heeft al tot grote problemen geleid, en is de oorzaak van de nieuwe politieke tweedeling. Anti-immigratiepartijen hebben de wind in de zeilen. Als er ten gevolge van deze omwenteling een nieuwe golf in aantocht is - geen fundamentalisten die ons willen islamiseren, maar mensen die de voorkeur aan onze manier van leven geven - zal dat dan verschil maken? Ik denk het niet. Henk en Ingrid zijn de verpersoonlijking van onze nationale zuiverheid.

Hoe dan ook, het is een levensbelang van alle betrokken partijen dat de Arabische omwenteling met een minimum aan geweldpleging verloopt. Wat dit aangaat doet het denken aan de laatste jaren van de Koude Oorlog, toen de leiding van beide blokken zo behoedzaam en diplomatiek mogelijk opereerden. A soft landing from the Cold War, daar ging het om. Dat is in dit geval oneindig veel moeilijker. De landen van wat toen het Oostblok was, vormden een industriële samenleving, de omgangsvormen werden bepaald door burgerlijke zeden en gewoonten. De democratisering is niet altijd van een leien dakje gegaan, in sommige landen zijn ze er nog min of meer vergeefs mee bezig. Maar in ieder geval was het iets heel anders dan wat ons nu misschien te wachten staat: de modernisering van Arabische samenlevingen waarvan de structuur ons vreemd is. Ze hebben de hulpbronnen en de kapitalen, maar ontberen een democratische leidende klasse die deze landen in nieuwe banen kan leiden. Het proces is op gang, maar het zal lang duren. Verwacht er niet te veel van, juich niet te vroeg. En geen militaire inmenging.