In de ban van de ring

De Arische mythe van Tolkien

De onverbiddelijke bestseller ‘In de ban van de ring’ is wel bestempeld als een werk met fascistoïde trekjes. Maar dat geldt voor bijna elk modern heldenepos met bovenmenselijk goede helden en inslechte, lelijke schurken. J.R.R. Tolkien is vooral een zuiverheidsapostel in een onzuivere wereld.

Het kon niet uitblijven. In de ban van de ring (1954-1955), een van de grootste bestsellers van de vorige eeuw, is verfilmd. Frodo Balings, de held van Tolkiens trilogie, moet het aan de kassa’s opnemen tegen Harry Potter, die tot op zekere hoogte als zijn opvolger mag gelden. Tot op zekere hoogte, want het werk van Tolkien behoort natuurlijk niet eenduidig tot de kinderliteratuur. De hobbit (1937), het boek waarin de geschiedenis van Midden-Aarde voor het eerst vorm krijgt, is ook voor tienjarigen nog redelijk begrijpelijk. Maar met In de ban van de ring had de schrijver duidelijk hogere aspiraties. De stijl krijgt van hoofdstuk tot hoofdstuk een meer gedragen karakter, alsof Tolkien gaandeweg steeds meer behoefte voelde om de ernst van de zaak te beklemtonen. Steeds meer plechtstatig taalgebruik («Voorwaar, ik zeg u…»); steeds meer hoofdletters ook: een Zwarte Heerser met Zwarte Adem en maar één Oog, die het heeft voorzien op Hoge Mensen, Halflingen en een Grijze Zwerver. En inderdaad, wie vervolgens zonder in slaap te vallen De Silmarillion (1977) doorworstelt, de tot een boek samengevoegde fragmenten op basis waarvan Tolkien zijn epos schreef, realiseert zich al snel dat hier een persoonlijke religie wordt gepresenteerd.

Juist die folkloristische mystiek heeft In de ban van de ring tot een cultboek gemaakt. Vooral de generatie van de jaren zestig bleek ontvankelijk voor de avonturen van wijze tovenaars, schone elfen, noeste dwergen, vrolijke hobbits en smerige orks. Dat in de pijpjes van de meeste lezers iets anders brandde dan het heilzame kruid van Zuiderkwartier zal daarbij misschien een rol hebben gespeeld. En meer nog dat de schrijver zijn afschuw van de moderne wereld nooit onder stoelen of banken heeft gestoken en bomen tot zijn beste vrienden rekende. Inmiddels hebben vele miljoenen lezers in ongeveer veertig verschillende talen kennis kunnen nemen van die opvattingen. Tientallen verenigingen wijden zich aan de genealogie van de mensen van Númenor, de geografie van de hobbitstee, de betekenis van runentekens, of proberen zich actief de elfentaal eigen te maken — verenigingen met namen als The Rivendell Group, Taruithorn, The Mellon Society of, in Nederland, Unquendor. Talloos zijn de publicaties van bewonderende exegeten, terwijl op internet inmiddels honderden Tolkien-sites kunnen worden bezocht. En nu dus, na een eerdere, half mislukte poging van Ralph Bakshi uit 1978, de film van regisseur Peter Jackson. Frodo goes Hollywood en vormt het middelpunt van een intensieve merchandising-campagne. Bijna dertig jaar na het overlijden van de antimoderne Tolkien trekt Sauron alsnog aan het langste eind.

Ik heb het verhaal leren kennen voordat de gekte toesloeg. Mooie boeken die ik las en herlas. Totdat me, zo rond het bereiken van de stemgerechtigde leeftijd, een licht gevoel van onbehagen bekroop. Niet omdat In de ban van de ring met zo’n half miljoen woorden wel degelijk, ongeacht de bedoelingen van de schrijver, «een uit de hand gelopen kinderverhaal» (Edmund Wilson) is. Ook niet omdat Gandalf plotseling als grote magiër zijn opwachting maakte in psychedelische kringen, of omdat een hele generatie kinderen zich sedertdien door het leven moet slepen met namen als Frodo, Pepijn, of erger, Galadriel of Faramir. Nee, juist dat religieuze toontje begon te vervelen. En vooral de suggestie dat uitgerekend een boek waaraan een neiging tot escapisme niet vreemd is een boodschap heeft voor de verdwaalde mensheid. «Gandalf for President» klinkt misschien leuk als je door Nixon wordt geregeerd, maar het is maar de vraag of het voorgestelde alternatief zoveel beter is.

Nu is John Reuel Ronald Tolkien (1892-1973) natuurlijk allesbehalve een politiek geëngageerd auteur. De hoogleraar middeleeuwse filologie en lexicografie voelde zich het beste thuis in de wereld van de Edda, de Nibelungen, en Arthur en zijn graalridders. Daaruit putte hij de inspiratie voor zijn eigen mythologie die vanaf 1917, toen hij een eerste elfentaal ontwikkelde en een aanvang maakte met «Het Boek van de Verloren Verhalen», geleidelijk vorm kreeg. Maar wanneer hij zich in 1938 toch ook eens uitlaat over de echte wereld, dan blijkt de Vijand ook daar in het Oosten te huizen; zij het niet zozeer in Duitsland als wel in de Sovjet-Unie. De gedachte dat Engeland tezamen met de communisten zou optrekken tegen Duitsland is hem, zoals de meeste Engelse conservatieven, een gruwel. Nog in 1941 weet hij dat de Duitsers vijanden zijn «wier deugden (en het zijn deugden) van gehoorzaamheid en vaderlandsliefde tezamen genomen groter zijn dan de onze». Alleen Hitler moet het nu ontgelden. Die «verdraaide kleine stommeling» heeft niet alleen de oorlog op zijn geweten, maar heeft — zo mogelijk erger nog — «de nobele noordelijke geest» compleet gecorrumpeerd. Het zijn slechts incidentele uitspraken. Het gaat dan ook te ver om Mordor, het rijk van het Kwaad, op één lijn te stellen met de Sovjet-Unie, laat staan met nazi-Duitsland. Tolkien heeft altijd zijn afkeer beleden van de allegorie, en die afkeer geldt ongetwijfeld zeker ook voor de politieke allegorie. Maar dat wil volgens hem nog niet zeggen dat het verhaal geen «moraal» heeft. En afgezien van die moraal (waarvan de schrijver zich bewust is) zijn er nog de diverse vooronderstellingen en stereotiepe beelden die onwillekeurig binnensluipen juist omdat ze zo vanzelfsprekend zijn en in feite deel uitmaken van het heersende culturele klimaat.

Tolkien is een zuiverheidsapostel in een onzuivere wereld. De geschiedenis van Midden-Aarde (oftewel Midgard) is vóór alles een verhaal van verval en teloorgang. De vrees voor de ondergang van het Avondland, sinds het eind van de negentiende eeuw wijd verbreid, heeft ook zijn sporen achtergelaten in In de ban van de ring. Het is het thema van The Waste Land, dat vooral bekend is door het gelijknamige werk van T.S. Eliot uit 1922. De wereld dreigt te veranderen in een woestenij, waarin de koning met het gebroken zwaard (c.q. Aragorn) als een vagebond ronddoolt. En als de koning van zijn macht is beroofd, kunnen ook eenvoudige lieden zoals Tolkien ze graag ziet, hobbits die niet verder kijken dan hun eigen tuintje, niet meer rustig slapen. De rurale idylle van de Gouw (oftewel Engeland) wordt plotseling bedreigd door duistere krachten van buitenaf. Want Sauron heeft ontdekt dat de Ring van Macht, die hem in staat zal stellen allen aan zich te onderwerpen, in het bezit is gekomen van de hobbit Frodo. De held blijkt een halfwas met krulhaar op zijn tenen. Aan hem de taak om de wereld van het Kwaad te zuiveren en daarmee de koning in zijn rechten te herstellen door de ring in het vuur van de Doemberg te werpen, waar hij ooit door Sauron werd gesmeed. Aldus begeeft Frodo zich op zijn Queeste naar the heart of darkness, naar Mordor. Parsifal in de gedaante van een hobbit; een held die uiteraard zelf zuiver moet zijn om de verleidingen van de ring te kunnen weerstaan. Maar Frodo heeft dan ook iets «elfachtigs». Waar anderen door het bezit van de ring in een schim veranderen, wordt hij — in de woorden van Gandalf — «als een glas gevuld met een klaar licht voor ogen die dat kunnen zien».

De strijd tussen Goed en Kwaad is een manicheïsche strijd tussen Licht en Duisternis. Tolkiens scheppingsmythe vertoont dan ook de nodige gnostische trekjes. Ilúvatar (zeg God) schept de wereld en zendt de Valar (een soort aartsengelen) om daarover, vanuit hun Lichtrijk in het Westen, te waken. Maar Melkor (oftewel Lucifer) en diens afgezant Sauron denken de schepping te kunnen verbeteren. Dat soort eigen initiatief wordt niet op prijs gesteld. Wie iets nieuws denkt toe te voegen aan de schepping levert ten hoogste een imitatie die het origineel perverteert. Homo faber hoort in Tolkiens wereld eenduidig tot het kamp van de Duisternis. Wat is Mordor anders dan een industriële hel van ovens, mijnen en fabrieken waar orks hun mechanische arbeid verrichten? En de orks zelf zijn monsterlijke wezens, door Sauron-Frankenstein gefokt om als zijn slaven te dienen. In hun optreden herkent de lezer gemakkelijk het beeld van de mob zoals dat in de massapsychologie aan het begin van de vorige eeuw gangbaar was: de opstandige horde die ordeloos en plunderend het land afstroopt, belust op het bloed van fatsoenlijke burgers. Waarheen Sauron zijn hand uitstrekt, verandert vruchtbare aarde in een vlakte van as en sintels. Het dieptepunt wordt pas aan het eind bereikt, wanneer de hobbits naar huis terugkeren en ontdekken dat ook daar bomen zijn omgehakt om te worden opgestookt in een nieuwe fabriek. Het is «erger dan Mordor». Maar dit is dan ook Tolkiens meest persoonlijke hoofdstuk, waarin hij zijn afkeer ventileert over de verloedering van het landelijke Sarehole, waar hijzelf was opgegroeid.

De moderne wereld vertegenwoordigt het Kwaad. Dat geldt ook voor alles wat daarbij hoort, inclusief individualisme en democratie. Tolkien heeft het met zoveel woorden gezegd: «Ik ben geen democraat.» De natuurlijke orde is een standenorde, waarin ieder zijn door God gegeven plaats kent; een wereld waarin de besten regeren en gewone lieden liever niet te veel nadenken. Of zoals Aragorn het uitdrukt: «Als eenvoudige lieden vrij zijn van zorgen en angst, blijven zij eenvoudig en wij moeten (…) maken dat het zo blijft.» Voor Tolkien vormt de formele gelijkheid van de moderne democratie een regelrechte aantasting van alle christelijke deugden. Deemoed wordt verdrongen door een misplaatst gevoel van trots, waardoor het volk verandert in een bende lelijke orkjes. Als die eenmaal hun ring van macht hebben gevonden, «dan ontstaat er slavernij, die reeds bezig is te ontstaan».

In de ban van de ring is dan misschien wel geen allegorie, maar de «moraal» is duidelijk. Maar of de vrijheid die Ilúvatar zijn gelovigen te bieden heeft zoveel beter is, laat zich betwijfelen. Individuen hebben ogenschijnlijk een keuze tussen goed en kwaad. Maar wat goed en kwaad is, ligt op voorhand vast; en bij nader toezien lijkt ook de keuze zelf altijd al te zijn voorbestemd. Bij herhaling spreken verlichte geesten voorspellende woorden, die prompt blijken uit te komen. Het is zoals Gandalf Frodo al aan het begin te kennen geeft: het lot van Midden-Aarde wordt niet zozeer beslecht door handelende individuen, maar door hogere machten. Hoewel we moeten aannemen dat de strijd tussen Licht en Duisternis voor de zwaar katholieke auteur uiteindelijk toch ook niet meer dan onderdeel is van de voorzienigheid van de ene god Ilúvatar.

De idylle van een zuivere wereld laat zich op verschillende niveaus aanwijzen. Dat een heldenepos niet direct plaats biedt voor wilde seksscènes, is duidelijk. Maar wie In de ban van de ring leest, gaat zich toch geleidelijk afvragen waar al die elfen, mensen, dwergen en hobbits vandaan komen. Want vrouwen komen in het verhaal nauwelijks voor. En de weinige exemplaren voor wie een bijrolletje is weggelegd, blijken onveranderlijk te beantwoorden aan het stereotiepe beeld van de Victoriaanse madonna: kuis en «schoon». Tolkien zelf is ongetwijfeld het prototype geweest van de man’s man, die zijn leven verdeelt tussen het gezin en de mannenwereld van de universiteit en Clubland. Geen wonder dat ook zijn helden mannen zijn of, liever nog, jongens. Want wat zijn — zoals Edwin Muir heeft opgemerkt — hobbits in feite anders dan adolescenten die zich nog niet druk maken over het andere geslacht?

Maar die afstand tussen de seksen leidt doorgaans niet alleen tot idealisering, maar roept gemakkelijk ook het beeld op van de vrouw die als seksueel wezen bedreigend is. Wat te denken van de afschrikwekkende spin Shelob: een kwabbig, met puisten bezaaid, lijkkleurig — syfilitisch — creatuur? Wie, zoals Frodo, haar stinkende hol binnengaat, raakt in haar netten verstrikt en wordt leeggezogen. Natuurlijk, Tolkien zelf is ooit als kind gebeten door een spin. Maar dat verklaart nog niet zijn tevredenheid over de naam, die is samengesteld uit she + lob, maar die «aan elkaar geschreven vrij walgelijk lijkt». Ook zijn opvallende belangstelling voor holen en alles wat zich onder de grond bevindt, kan gemakkelijk vragen oproepen. «Hobbit» is volgens Tolkiens eigen etymologie afgeleid van holbytlan oftewel holbewoner; en de naam van de draak Smaug komt van het Germaanse smugan, dat «door een gat persen» betekent. In De hobbit raakt Bilbo Balings, die tot dan toe niet bijster geboeid naar zijn dwergenvrienden had geluisterd, plotseling opgewonden wanneer hij verneemt hoe groot het hol van het ongedierte wel is. («'Het lijkt mij een geweldig groot hol’, piepte Bilbo.») Maar laten we daar niets achter zoeken. Want het Midden-Aarde van Tolkien is tenslotte nog gedompeld in een diepe seksuele onschuld.

Belangrijker is het dat de teloorgang van die zuivere wereld mede een biologische grond lijkt te hebben. De mythe van Midden-Aarde is ook de mythe van het zuivere bloed, dat door vermenging is gedegenereerd. Dat geldt met name voor de mensen die, samen met de elfen, het lot van Midden-Aarde hebben bepaald en in die zin boven de andere «vrije volken» staan. Elfen zijn daarbij vooral een soort supermensen: onsterfelijk, spiritueel, uitzonderlijk wijs en schoon. Zij hebben dan ook toegang tot het land van de Valar. Mensen zijn weliswaar van een mindere orde, maar de Númenoreanen zijn nog altijd edel genoeg om in de nabijheid van de goden te mogen wonen. Een enkeling, zoals Aragorn, is zelfs zo verheven dat hij de hand van een elfenvrouw weet te winnen. Het is de enige vorm van opwaarts gerichte huwelijkspolitiek die Tolkiens goedkeuring lijkt te hebben. Voor de rest zou iedereen zich liefst aan zijn stand moeten houden. Númenoreanen staan boven het wat ruwere volk van Rohan, en daaronder vinden we Wilde Mensen en Zwarte Mensen uit het Zuiden die met de Vijand heulen. Maar natuurlijk gaat het anders. Nadat de Númenoreanen door de Valar naar Midden-Aarde zijn verbannen, vermengen zij zich met mindere mensen. Het resultaat is Boro mir: meer spieren dan hersens. Slechts bij een enkeling, zoals Aragorn en Faramir, stroomt het bloed van Númenor nog onverdund door de aderen, wat dan ook telkens uitdrukkelijk wordt gemeld. De rest is verzwakt. Het verval, waardoor Sauron vrij spel krijgt, komt in laatste instantie van binnenuit.

Het verhaal herinnert sterk aan de Arische mythe die, zoals Léon Poliakov heeft aangetoond, in de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw in brede kring aanhang vond. Vooral de ontdekking van de Indogermaanse talengroep overtuigde velen ervan dat er een oertaal moest zijn, die zou zijn gesproken door een oervolk waarvan de blanke Europeanen — althans Duitsers, Scandinaviërs en Engelsen — zouden afstammen. Dat oervolk, de Ariërs, zou vanuit de Himalaya via Scandinavië Europa zijn binnengetrokken. En natuurlijk is zo’n oervolk van een hoger niveau. Conform de toenmalige rassenleer vertegenwoordigen de Ariërs, zoals met name de historicus George Mosse heeft opgemerkt, een esthetisch ideaal. Zij zijn mooi, wijs, krachtig en toch vreedzaam; oftewel: Lichtmenschen, wier zuiverheid wordt aangetast door lagere rassen waarmee zij zich onvermijdelijk vermengen. Zulke ideeën treft men zowel bij uitgesproken racisten als bij diverse geleerden, voorop linguïsten. Dat die idee van een Arische afstamming makkelijk samengaat met een fascinatie voor de «Noordse» mythologie wordt niet alleen geïllustreerd door het werk van Wagner, maar ook door sommige meer occulte kringen binnen het Derde Rijk. Dat wil niet zeggen dat Tolkien nu als racist te boek moet worden gesteld. Het gaat er veel meer om dat zulke voorstellingen destijds zozeer ingesleten waren dat ook een fatsoenlijk, zij het uiterst conservatief, taalkundige erdoor kon worden beïnvloed.

Volgens datzelfde stramien roept ook de figuur Gollem vragen op. De gelijkenis tussen de naam Gollem en Golem kan Tolkien moeilijk zijn ontgaan. Volgens de joodse overlevering is de Golem een homunculus, gemaakt uit klei, die net als gewone mensen wil zijn, maar met woede en verbittering wordt vervuld wanneer dat onmogelijk blijkt. En dat laatste geldt ook voor Gollem, die eerst Sméagol heette en, zoals alles bij Tolkien, oorspronkelijk goed was. Maar wanneer hij de ring heeft bemachtigd, verstopt hij zich onder de grond. Hij is Gollem geworden: een klein, mager monster met uitpuilende ogen en grijpgrage wurgvingers, dat vreemde sis- en keelklanken uitstoot. Zoals ieder die door de ring wordt verteerd, verandert hij in een soort vampier die dorst naar het bloed van de levenden: als het moet orks, maar liever baby’s die uit hun wieg worden geroofd. Hij is een creatuur van de nacht geworden, dat zich van de zon — oftewel het Licht — heeft afgekeerd. Pas wanneer hij de gouden ring van macht heeft verloren, komt hij uit zijn hol tevoorschijn, gedoemd om rusteloos rond te dolen op zoek naar zijn «liefste». Zijn leven staat in het teken van de haat; een haat die zich juist ook tegen zichzelf en de ring richt. Heel soms verlangt hij nog naar zijn dagen als Sméagol, want het goede in hem is nog niet helemaal gedoofd en kan misschien worden gered. En dat gebeurt ook, zij het op een nogal navrante manier, wanneer hij aan het slot samen met de ring in het vuur van de Doemberg stort.

Voor Tolkien is Gollem vooral een tragische figuur; dader en slachtoffer tegelijk. Anders dan orks had Gollem de keuze tussen goed en kwaad. En anders dan Frodo verzaakt hij (christelijke) liefde voor macht, opdat hij — in overeenstemming met zijn beperkte voorstellingsvermogen — als een vorst elke dag vis kan eten. De prijs is zelfhaat. Al met al herinnert die beschrijving, zowel qua uiterlijk als gedrag, op diverse punten aan destijds gangbare anti-joodse stereotypen. Sentimenten die in het geval van Tolkien echter niet worden bepaald door modern, raciaal gefundeerd antisemitisme, maar door de ambivalentie die kenmerkend is voor een lange traditie van katholiek anti-judaïsme.

In de ban van de ring is wel bestempeld als een werk met fascistoïde trekjes. Maar dat geldt voor bijna elk modern heldenepos met bovenmenselijk goede helden en inslechte, lelijke schurken, Star Wars en Batman niet uitgezonderd. We hebben het etiket «fascistoïde» niet nodig om de zware cultuurpessimistische geur van het Interbellum te ruiken, vermengd met de nodige wierook. En als we, ongeacht diens soms merkwaardige opvattingen, zonder bezwaar naar Wagner kunnen luisteren, is er zeker geen reden om een van de meest fantasievolle kinderverhalen op de Index te plaatsen vanwege het archaïsche wereldbeeld van de auteur. Zonder die nogal belegen «moraal» zou het imaginaire universum van Tolkien überhaupt nooit zijn ontstaan. Wat niet wegneemt dat volwassenen die hier wijze levenslessen menen te vinden eens ernstig bij zichzelf te rade zouden moeten gaan. Met Goethe: Aber warum Religion daraus gemacht?