Het moderne exposeren

De arm van Van Speijk

Het heropende Scheepvaartmuseum is een klinkend succes. De positie van het museale object verandert echter nog altijd.

Medium scheepvaartmuseum05

EERST EN VOORAL: het vernieuwde Scheepvaartmuseum is prachtig, punt. De koepel van Laurent Ney, 214 ton, 1016 stukken glas: fenomenaal. De herwaardering van Daniel Stalpaerts gebouw uit 1656 door Liesbeth van der Pol: een klinkend succes. De architectuur is geheel tot zichzelf teruggekeerd. Robuust, utilitair, kaal, kalm, schoon, helder en opmerkelijk licht en open, terwijl het oude Zeemagazijn van buiten zo’n defensieve kolos lijkt. Nieuwe elementen – trappen, liften, een kelder – zijn discreet ingevoegd. Oude elementen glanzen, zoals die hartveroverend mooie houten wenteltrap in de westvleugel.

Het is ontroerend en triomfantelijk tegelijk. De benadering van Van der Pol staat in vinnig contrast met de manier waarop de afgelopen decennia de kwaliteit van dit soort historische architectuur werd bekritiseerd, veronachtzaamd, vernederd, doorkruist. Dan werd er met alle geweld een contrasterend stuk nieuwbouw toegevoegd, werden bestaande ruimtes verbasterd door verlaagde plafonds, tussenvloeren, weggezaagde balklagen, trappen naar nergens. Formeel was dat om een gebouw bruikbaar te maken, maar het getuigde ook van een stronteigenwijze, bijna sarcastische attitude – die nog niet is uitgewoed: neem die irritante betonnen scherf die per se aan het Rijksmuseum Amsterdam moest worden toegevoegd, of de chronische oogontsteking die de verbouwing van het Utrechtse Stadhuis heeft opgeleverd.

Toch is de restauratie van het oude Zeemagazijn geen Restauratie, geen loos respect voor een traditie in de geest van Balkenende’s VOC-nostalgie. In de vernieuwing van het Scheepvaartmuseum hebben zich veranderingen voltrokken die in andere belangrijke (Nederlandse en Amsterdamse) musea nog gaande zijn: de heroriëntatie op een historisch gebouw, een grondige heroverweging van de betekenis van een collectie en het ontwikkelen van nieuwe inzichten in hoe zo’n collectie aan het publiek moet worden verkocht – en dat alles tegelijk. Als dit resultaat maatgevend is voor de rest – Rijksmuseum, Stedelijk – dan staan ons gelukkige tijden te wachten. Nu houd ik nogal van het Scheepvaartmuseum. Ik weet wie Van Brakel en Kortenaer waren, ik weet waar Smeerenburg was en wat er gebeurde met Zr. Ms. ‘Kanonneerboot No. 2’ en ik ben de enige niet: toen het museum sloot voor de renovatie in 2007 trok het zo’n tweehonderdduizend bezoekers per jaar. Dat aantal was flink gegroeid door de komst (in 1991) van de replica-Oostindiëvaarder ‘Amsterdam’, maar die trok buiten het ‘gewone’ museum- en bootjespubliek ook veel dagjesmensen en dooltoeristen. Eenmaal in het museum verdwaalden zij in de veertig jaar oude opstelling. Het Scheepvaartmuseum heeft een enorme collectie met nogal ongelijksoortige zwaartepunten. Er is veel ‘zeventiende eeuw’, maar ook veel negentiende en twintigste; veel marine, maar ook veel koopvaardij en pleziervaart; veel glanzende navigatie-instrumenten maar ook heel saaie; fantastische globes, die echter het licht slecht verdragen; en verder pakhuizen vol modellen, foto’s, atlassen, schilderijen, stukken geschut, stukken van schepen, stukken van beesten en stukken van Van Speijk (zijn rechterarm, op sterk water).

In het oude Scheepvaartmuseum stonden die objecten op eigen kracht in een lang lint van zalen bijeen. Dat was tegen de trend. In het Amsterdams Historisch Museum, dat ook begin jaren zeventig werd ingericht, waren de zilveren bokalen van de schutterij en de Anatomische les van Cornelis Troost niet meer prima donna’s met een eigen esthetische of historische waarde, maar ondergeschikte elementen in een stadsgeschiedenis met een ‘interactieve’ opstelling avant la lettre: je kon overal zelf knoppen indrukken om lichtjes op een landkaart te laten ontbranden. Van Speijk kwam daar bijvoorbeeld in voor omdat hij in het oude Burgerweeshuis, waar het Museum in is ondergebracht, had gewoond. Niet omdat hij een held was.

OOK DIE VERHALENDE opstelling, toen zo blits, lijkt achterhaald. Het Amsterdam Museum heeft het ‘Historisch’ uit de naam laten vervallen en de tentoonstelling aangevuld met een beknopte, gesamplede presentatie in drie zalen. Daarin wordt aan de bezoeker in veertig minuten het ‘Amsterdam DNA’ getoond in een sterk grafisch format met veel cijfers en poppetjes op een vurig rode wand, ondersteund door goede computeranimaties en een aantal ‘echte’ voorwerpen. Twee bewerkte slagtanden, het model van het Stadhuis, schilderijen van Bol, Flinck, Mondriaan en Breitner en een portret van Saskia van Uylenburch door Rembrandt. Die komen niet allemaal uit de collectie van het Amsterdam Museum zelf – het Rembrandtportret en de Breitner zijn te leen van het Rijksmuseum, de Mondriaan komt uit Den Haag – maar dat hoeft ook niet: de objecten zijn er immers om het espresso-effect van de presentatie te dienen, niet andersom. Het gevolg daarvan is dat zij enigszins worden gedegradeerd tot figuranten. Een ander gevolg is dat de opstelling van de vaste collectie opeens extra stijf en ouderwets lijkt, gevangen in dat onhandige middeleeuwse gebouw. Het Scheepvaartmuseum is veel groter en men kon kiezen voor verschillende vormen van presentatie, met deeltentoonstellingen in afzonderlijke vleugels. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan bezoekers met een laag kennisniveau – scholieren, families-met-kinderen, toeristen – en tegelijk vastgehouden aan de historische en esthetische kwaliteit van de collectie.

Maar daarmee ben je er nog niet: een museum moet ook een attractie bieden, een experience, gericht op bezoekers die nooit eerder in een museum waren. Daar kun je je neus voor ophalen, maar dat zou misplaatst zijn. Het is nu eenmaal zo klaar als een klontje dat in het informatietijdperk ‘het object’ – om niet te zeggen: ‘de werkelijkheid’ – een heel andere status heeft gekregen. De experience in het Scheepvaartmuseum laat dat zien. Het heet De Zeereis en is een bonte en luidruchtige beeldenprojectie in vijf zalen waar je doorheen loopt. Je ziet het vertrek van de vloot in de zeventiende eeuw terwijl De Ruyter (Frank Lammers, met vet Zeeuws accent) zijn portret laat schilderen; dan een groot panorama van de zeevaart (wedstrijdzeilen, poolonderzoek, een scheepsjongen, oorlog), gevolgd door de torpedering van de Tubantia in 1916 en ten slotte een ronkende finale eindigend met een het-doek-gaat-op-moment waarbij vijf voorwerpen uit dat spektakel zichtbaar worden. Het dekentje van de Tubantia-drenkeling blijkt echt te bestaan, net als het portret van De Ruyter en die brief van die scheepsjongen. Tableau.

Hier worden die objecten dus getoond aan het eind: als convergentiepunt van een historische sensatie die wordt opgewekt door een visuele fictie. Dat was vroeger andersom: toen werd de sensatie door het object zelf geëntameerd, begeleid door wat informatie op een tekstbordje of van een gids. Vroeger toonde een museum ‘dingen, waar een verhaal aan vast zat’, nu presenteert het ‘verhalen, waar een echt ding bij hoort’. Net als in Amsterdam DNA doet zich hier voelen dat het object in zekere zin bijzaak is geworden.

Pessimisme over de verminderde status van het museale object en het stijgende gebrek aan kennis en verbeeldingskracht bij de bezoeker lijkt op het pessimisme, dat ook in de literatuur heerst, maar dan inzake de roman. Ook daar wordt beweerd dat het referentiekader alleen nog het persoonlijke is, en dat de lezer niet meer wordt aangemoedigd zich op onbekend terrein te begeven. Je zou kunnen zeggen dat ook de presentatie van het object meer ‘een zaak van bevestiging’ dan een ‘middel tot verkenning’ is geworden. Maar voor pessimisme is hier geen reden. Er zijn twee verhalende tentoonstellingen ‘voor de jeugd’, een over walvisvaart, een over de Gouden Eeuw, met manshoge video’s met manshoge acteurs, een op gympies, de anderen in historisch tenue, die verhalen vertellen uit de zeventiende-eeuwse samenleving, op een innemende manier, zonder lollige of belerende onzin. De organisatie van de voorwerpen en de vormgeving is voortreffelijk. De teneur is genuanceerd: de Eeuw werd gedragen door tomeloze ondernemingslust, vooral op zee; dat bracht grote welvaart en grote culturele ontwikkeling met zich, maar ook armoede, onderdrukking, ecologische schade en slavernij.

In de andere vleugel worden vijf verzamelingen van objecten getoond, in even mooi vormgegeven zalen met elk een eigen sfeer, een eigen geluidsdecor, eigen lichtintensiteit. Je kunt kiezen. De navigatie-instrumenten zijn opgesteld als tiara’s bij Van Cleef en Arpels, in een nachtblauwe ruimte met sterrenhemels alom. De collectie globes is gehandicapt door de lichtgevoeligheid, en dus in schemer, maar daarin is voorzien met een vernuftige digitale projectie van allerlei wereldbollen, die je zelf met een console kunt draaien, en waarmee je kunt doorklikken van de ene naar de andere – een heerlijke vondst. De schilderijen, ten slotte, hangen los van de wand, als objecten, niet als plaatjes. Een enkel stuk wordt verduidelijkt met een gesproken of geschreven boodschap of een klik- en scrollbaar beeldscherm; verder mogen ze, in chronologie, voor zichzelf spreken, zoals het hoort. De aquarel Het exploderen van Zr. Ms. ‘Kanonneerboot No. 2’ op 5 februari 1831, door Martinus Schouman hangt erbij, maar naar de arm van Van Speijk heb ik vergeefs gezocht. Die zal toch nog wel ergens zijn?