Kunst: ‘Frans Hals en de modernen’

De artistieke gereedschapskist

Édouard Manet, ‘Hoek van Café-Concert, 1878/80 © The National Gallery, London/Verworven Courtauld Fund, 1924

Frans Hals en de modernen is een tentoonstelling over de manier waarop een kunstenaar contact maakt met een andere kunstenaar, ook al is die al eeuwen dood. Een schilder bekijkt een schilderij en ziet daarin in de eerste plaats een collega aan het werk. Het maken van een schilderij is immers, in essentie, het uitvoeren van een opdracht die een schilder zichzelf heeft gesteld, het oplossen van een artistiek probleem met alle beschikbare middelen, en dus lijken schilders mij altijd geïnteresseerd te zijn geweest in de middelen die hun collega’s in hun werk hebben aangewend. Dat geldt zeker voor de tweede helft van de negentiende eeuw, die interessante periode waarin schilders als Monet en Manet zich begonnen af te vragen of de kunstenaar eigenlijk niet zijn wil aan de werkelijkheid moest opleggen, in plaats van andersom. En áls hij dat moest, dan had hij nieuwe ‘middelen’ nodig, nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden.

In het geval van Manet begon dat met studie. In het Louvre kopieerde hij Titiaan, Tintoretto, Daumier, Courbet, Delacroix uitentreuren; daarna zou zijn studie hem door heel Europa brengen, ‘naar Antwerpen om de Rubensen te zien, naar Amsterdam voor de Rembrandts, naar Brussel voor de Primitieven, naar Haarlem voor de Frans Halsen, naar Dresden voor de Dürers en naar Basel voor de Holbeins. In Italië was hij erg gegrepen door de Titiaans en de Tintoretto’s, maar minder door de Raphaels en de Michelangelos’, aldus Antonin Proust in 1897. Ook naar Haarlem, dus. Het werk van Hals was in de jaren zestig door de Franse criticus Thoré-Bürger onder de aandacht gebracht, en ook voor Manet bleek de kennismaking interessant. Van een van zijn eerste werken dat enig succes had, Le chanteur Espagnol, schreef hij dat hij tijdens het schilderen ‘had gedacht aan de meesters uit Madrid, en ook aan Hals’. De pers merkte op dat de zanger op het schilderij een ‘grandeur naturelle’ had, geschilderd ‘en pleine pâte’, oftewel ‘lekker vet’, een indicatie van Manets belangstelling voor Hals’ manier van werken.

De portee van de tentoonstelling is dat die moderne jongens Hals in stijl en onderwerpkeuze nauw navolgden, omdat Hals’ ‘innovatieve schilderstijl met losse toets’ sterk aansloot bij hun niet-academische opvattingen. Dat kan zo zijn, maar het lijkt me, alleen al denkend aan Manets uitgebreide studieparcours, een beetje te veel eer. De aandachtige studie in Haarlem en het zelf na-penselen van Hals’ streken wijzen niet op een drang tot navolging, of imitatie; Manet kón al heel wat toen hij in Haarlem belandde. Dat woordje ‘innovatie’ wekt ten onrechte de suggestie dat kunstenaars de kunst als een lang traject van ‘minder’ naar ‘beter’ opvatten. Evolutie van de kunsten is echter, net als in de natuur, in feite ongericht.

Het lijkt mij meer dat Manet in Hals vooral iets zag wat hij interessant vond omdat hij het zelf gebruiken kon, maar dan voor iets heel anders. Hij voegde zijn kennis van Hals toe aan zijn grote artistieke gereedschapskist, die kist waar ook Velázquez, Rubens, Rembrandt, Dürer, Holbein, Tintoretto en Titiaan in zaten.


Frans Hals en de modernen, Frans Hals Museum, Haarlem, t/m 24 februari 2019, franshalsmuseum.nl