Ettore Scola en het verfoeide ik

De autobiografie van de toeschouwer

Regisseur Ettore Scola (83) is een groot tegenstander van het beeldvullende ‘ik’ dat zich tijdens zijn leven heeft opgedrongen. ‘Het oplepelen van de niet-uitzonderlijke feiten uit je eigen biografie’ is een onvergeeflijk zwaktebod in de ogen van de regisseur van Una giornata particolare.

Medium 179657926

Altijd afstand nemen. Nooit ‘ik’ gebruiken. Pluralis majestatis als een vraag te dichtbij komt.

‘We zien ons anders dan hoe we waren’ – als een journalist blijft doorwroeten naar een persoonlijk antwoord omtrent zijn huidige gemoedstoestand. Ettore Scola ‘behoort tot een wereld waarin de sofa van de psychoanalist de stoel bij de barbier was’, zoals hij het zelf zegt, ‘en eventuele neurologische stoornissen werden omgezet in passie voor ons werk, waar ze goed van pas kwamen’.

Is dat Scola zelf, die inzoomt op het pannetje waarin Marcello Mastroianni twee geklutste eieren tot een mini-omeletje bakt? Achter zijn rug staat Sophia Loren, de vernederde huisvrouw met een gezin als een kazerne. Voor haar is koken een karwei waaraan je ’s ochtends vroeg begint opdat de pannen klaar staan als de troepen thuiskomen. Om nadat iedereen zijn bord heeft leeggeschrokt een klap op de kont te krijgen, begeleid door een gebiedende kinknik richting het echtelijk bed: ‘Ik kruip er vast in, schiet even op met de vaat.’ Een man mag na een dag hard werken zijn gerief opeisen, sterker, volgens de Duce was het een plicht, zo veel mogelijk kinderen maken. Bij nummer zeven wachtte de regeringsbonus, dus nog eentje te gaan.

Marcello Mastroianni is een ‘vijand van het regime’, want hij is homo, zoals hij even tevoren in de onvergetelijke scène op het dakterras tussen de wapperende lakens aan Sophia Loren heeft opgebiecht. Ze geeft hem een klap midden in het gezicht, omdat ze iets anders had gedacht – en gehoopt. Maar nu staat ze toch deemoedig in zijn eenpersoonskeukentje, terwijl hij met vrouwelijke aandacht en precisie zijn eigen lunch bereidt. De camera zoomt nadrukkelijk in op het pannetje en het omeletje: eenpersoons = eenzaam.

Ettore Scola wilde me thuis komen ophalen. Daar stond hij op. Hij was nieuwsgierig naar hoe een jonge buitenlandse journaliste woont. Zijn imposante aanwezigheid maakte me ineens bewust van de kleinheid van mijn bestaan: een bankbed, een kastje, een uitklaptafeltje waarop de eerste laptop, een aanrechtje, alles in één, monolocale con terrazza, om de hoek van het Piazza Navona. Onzeker keek ik toe hoe hij mijn poppenhuiskamer aandachtig in zich opnam. ‘Ik denk’, zei hij uiteindelijk met zijn diepe bariton, ‘dat ik je maar mee uit eten neem. Want ik durf te wedden dat er in je ijskast niet meer ligt dan één citroen.’ Ik deed het deurtje van de ijskast open: er lag inderdaad precies één eenzame citroen.

Is dat Scola zelf, vermomd als Vittorio Gassman, die het lege familiehuis betreedt met door lakens afgedekte meubels alsof er net iemand is overleden? De zomervakantie betekende in de Italiaanse jaren zestig van de economische boom nog maanden met z’n allen naar een huis aan de zee. En met z’n allen betekende met z’n allen: de drie ruziënde oude vrijsters die hoofdpersoon van La famiglia Vittorio Gassman als inwonende tantes heeft meegeërfd met de inboedel, de kinderen, neefjes, nichtjes, vader en moeder, oftewel hij en zijn vrouw.

Maar hij is van de zee teruggereden naar het familieappartement in Rome met de oneindig lange betegelde gang, voor de ene ontmoeting die hij wil stelen van het leven. Adriana. De zuster van zijn vrouw, de vrouw die het eigenlijk had moeten zijn. Femme fatale Fanny Ardant alias Adriana waant zich alleen in het appartement en laat van schrik het glas witte wijn uit haar hand vallen: wat doe jíj hier nou? Ze is even over uit Parijs, waar ze triomfen viert als concertpianiste. Een werkafspraak in Rome, een nachtje in het huis van haar zus.

Is dat Scola zelf, vermomd als Vittorio Gassman, die het lege familiehuis betreedt met door lakens afgedekte meubels?

De kortstondige verhouding die ze als jong meisje had met de knappe, jaloerse student die later haar zwager zou worden is altijd verzwegen, maar niet vergeten. En nu staat hij voor haar neus met een doorzichtig excuus, een ‘dringende vergadering’ – hartje augustus.

Een ongemakkelijke avond volgt. Ze eten wat samen, ze kijken samen naar de televisie, een meter afstand tussen ze op de bank. Dan is het bedtijd, en zij trekt zich terug in de logeerkamer waar haar zus liefdevol een eenpersoonsbed voor haar heeft opgemaakt. Hij scharrelt door de oneindige gang van zijn leven, tussen de echtelijke slaapkamer en de logeerkamer. Klopklop. Ja? Ze ligt met een leesbril op te lezen. Hij gaat zitten op het andere, keurig met een sprei afgedekte bed. Stilte. Zij zet haar bril af en pinkt een traan weg. ‘Huil je?’ ‘Ja.’ ‘Waarom?’ ‘Vanwege die klap.’ ‘Vanwege die klap?’ ‘Ja, die klap die ik je gaf toen…’ ‘Ah, díe klap! Nou, die ben ik vergeten hoor.’ ‘Maar ik niet.’ ‘Goed, dan geef ik je nu een klap terug, is het dan goed?’ En hij pakt haar hand. Zij trekt hem terug.

Een donderslag doorklieft de drukkende zomerstilte van het lege familiehuis, een open raam klappert ergens in de verte. Het gaat niet. Je kunt een niet-beleefde passie niet twintig jaar later alsnog tot leven roepen. Het leven heeft zijn wetten. Het huis, de tempel van de familie, heeft zijn wetten. En wie er dramatisch over doet, zoals Vittorio Gassman op de ochtend na de niet-geconsumeerde nacht, als de liefde van zijn leven Fanny Ardant weer vertrekt – ‘je vertrekt altíjd!’ – maakt zich belachelijk.

En zou dat Scola zelf zijn, die in de weinig opgemerkte parel Che ora è? (‘Hoe laat is het?’ uit 1989), met een geweldige Marcello Mastroianni als vader en een net zo geweldige Massimo Troisi als zoon, het pijnlijke uur van de waarheid naderbij laat tikken? Mastroianni is een rijke advocaat met de typische eigenschappen van de Italiaanse man met succes. Schuinsmarcheerder, charmant, zich gulzig alle geneugten van het leven toeëigenend als een geboorterecht. Massimo Troisi (de veel te jong overleden Il postino) is de zoon die het helemaal anders wil, maar nog niet heeft uitgevonden hoe. Hij is in militaire dienst en het bezoek van zijn vader aan de provinciestad waar hij gelegerd is betekent dat meteen ‘de beste trattoria van dit gehucht’ moet worden opgezocht, want er moet natuurlijk gegeten worden, waar is het leven anders voor bedoeld?

Terwijl vader Mastroianni zich stort op de wel twintig verschillende bordjes van de antipasto bestudeert de zoon de druk kauwende en pratende mond, de oude nek, de rimpels op het voorhoofd, de wallen onder de ogen. De camera gaat genadeloos, millimeter voor millimeter, over het gezicht van deze man van de wereld die vlot probeert te doen terwijl zijn tijd is geweest. Op een bepaald moment zegt Mastroianni, terwijl hij zich bijna verslikt in een slok wijn, ‘allucinante al massimo’, wat in het Nederlands zoiets als ‘megabizar’ zou zijn. Een mode-uitdrukking, die niet past bij de leeftijd en het vocabulaire van de advocaat. En de zoon, die zat te wachten op een gelegenheid om hem te grazen te nemen, deze zwelgende vader die hem tegen de borst stuit, zegt onmiddellijk: ‘Je hebt haar weer gezien.’

Een knallende scène volgt. Godverdomme, jij en je moeder en je zus, altijd met jullie kritiekjes, altijd klaar om te oordelen, terwijl niemand van jullie ook maar een flauw benul heeft van wat het betekent, mijn leven, wat je ervoor over moet hebben om te bereiken wat ik heb bereikt en waar jullie van mee profiteren. Of niet soms? De zoon zwijgt.

Mastroianni neemt nog een slok wijn en zegt dan: ‘Ja, ik heb haar weer gezien, in de rechtbank. Ze is ook advocate nu, veertig, en moeder van drie kinderen. Volgens mij was ze me straal vergeten.’ ‘Maar jij haar niet’, zegt de zoon, en deze keer klinkt mededogen in zijn stem. De vader glimlacht een beetje bedroefd.

‘Ik ben ook onzeker, al verhul ik het misschien wat beter dan jij door me als een norse brombeer op te stellen’

Ettore Scola tot een persoonlijke ontboezeming verleiden is een mission impossible, maar ik bleef het toch proberen. ‘Wat is dat toch een prachtige film, Che ora è? Die vader en die zoon. Gaat hij ook een beetje over u?’ Scola trok zijn verveelde mond. Niemand kan zo intens verveeld kijken als hij. ‘Alle films die je maakt gaan ook over jou natuurlijk’, zei hij, terwijl hij de tekenpen uit zijn borstzakje viste om op een servetje aan een verschrikt poppetje met grote ogen te beginnen dat ernstig op me leek. ‘Maar ik ben gewoon benieuwd hoe dat dan gaat’, zeurde ik door, ‘of je zoiets ook wel eens hebt meegemaakt met een van je dochters.’ Hij was nu bezig aan mijn knotje, en zei zonder van het servetje op te kijken: ‘De hele film is door Silvia geschreven. Ik heb hem alleen gedraaid. En zo werkt dat: de dochter wordt een zoon, maar het is hetzelfde.’ Punt.

Er zijn ruim veertig Scola-films waar je zijn persoonlijke leven en ziel uit zou kunnen zeven. Hij is er zelf geen voorstander van. ‘Nee, de autobiografie als zodanig interesseert me niet’, zei hij al toen ik hem voor de eerste keer ontmoette op het filmfestival van Venetië in 1991. ‘Aan anderen over mijn geboortedorp Trevico vertellen en over mijn vader en moeder, dat lijkt me erg oninteressant. Mijn ouders zijn toch wel aanwezig in mijn films. Het is onmogelijk niet autobiografisch te zijn, in mijn beroep. Maar wat mij betreft moet het wel een universele autobiografie zijn. De niet-uitzonderlijke feiten uit je eigen biografie oplepelen, daar zie ik niets in. Ik wilde altijd de autobiografie van de toeschouwer maken.’

Andermans beslommeringen, gevoelens, onzekerheden, kleine en grote niet-uitzonderlijke feitjes, interesseren Ettore Scola daarentegen mateloos. En er is ook niemand die zo intens geïnteresseerd kan kijken als hij.

‘Hoe is het met je oma?’ is de eerste vraag, nadat hij zich broos en stram heeft laten zakken in het stoeltje tegenover me op het terras van het barretje in het schaduwrijke groen van Renzo Piano’s Auditorium. Afgelopen 10 mei is hij 83 geworden en hij verplaatst zich moeilijk en nog slechts per taxi, had hij telefonisch tegen me gezegd. Of hij het zou halen was nog de vraag, en hij zag ook op tegen deze ontmoeting, want ‘wederzien in het aangezicht van de dood neigt altijd naar melancholie en onnodige droefenis’. Maar daar stond weer tegenover dat ‘een bepaalde menselijke nieuwsgierigheid blijft’, en die wint het gelukkig af en toe nog wel eens.

‘Mijn oma?’

‘Ja, je oma, waar je altijd met zoveel liefde over sprak. Ze betekende heel veel voor je.’

‘Ze zit nog stevig in mijn hoofd. Er zijn momenten waarop ik haar stem hoor, als ik iets moeilijks te overwinnen heb.’

‘Wij kennen de anekdotes toch uit ons hoofd, papà! Wíj schrijven het wel op. Jij moet het dan alleen even regisseren’

‘Bene’, zegt hij met een glimlach. Na twintig jaar is hij de enige die nog altijd naar mijn oma vraagt. Als je tegenover de meester-interviewer Ettore Scola zit, is je levensverhaal opdissen zoals je het zelf zo’n beetje hebt opgepoetst onmogelijk. Alle kartelrandjes, hobbels, pijnpunten, waar je even snel overheen probeert te praten, vist hij er feilloos uit. Niet om er wellustig in te gaan peuren, maar juist om je duidelijk te maken dat er helemaal niets ergs, niet geks op deze wereld bestaat. Hij vraagt je door de pijn heen, als het ware. Voor je het weet zit je ineens over dingen te vertellen die onbespreekbaar leken. Zo gaat het altijd: hij is de interviewer, jij de ondervraagde. Soms zet hij dan ineens het luikje even open, als beloning voor je eerlijkheid. Zoals: ‘Ik ben ook onzeker, al verhul ik het misschien wat beter dan jij door me als een norse brombeer op te stellen. Maar er zijn trucs. Nooit iets gaan oplezen van een papiertje. Ik durf te wedden dat je een papiertje bij je had?’ En natuurlijk heeft hij alweer gelijk.

Het ware verhaal verschuilt zich altijd in de plooien die je glad probeert te strijken. En Ettore Scola gaat het alleen om het ware verhaal, altijd, van iedereen, zoals hij in zijn werk zo overtuigend heeft laten zien. Veertig eigen films, zestig scenario’s voor anderen, waaronder dragende pilaren van de commedia all’italiana, zoals Il sorpasso (‘De inhaalmanoeuvre’, 1962) van Dino Risi, of het hartverscheurende Io la conoscevo bene (‘Ik heb haar goed gekend’, 1965) van Antonio Pietrangeli.

In de reconstructie van de zelfmoord van het mooie, stille meisje uit de provincie beweert iedereen haar ‘goed gekend’ te hebben. In flashbacks zie je de momenten waarop het meisje zogenaamd ‘gekend’ werd door de haaien die haar onverschillig party’end en cocktail slurpend naar haar eenzame balkonnetje aan de rand van de stad drijven voor de laatste sprong. Een genadeloos portret van een zich verhardende maatschappij. Onder ‘kennen’ wordt verstaan elkaar gebruiken, en wie er zijn eigen voordeel niet mee weet te doen, tsja, die wage zich beter niet in de jungle van de grote stad, niet waar? Jammer van zo’n meisje, maar aan ons heeft het echt niet gelegen. Een typische commedia all’italiana, het genre waar Scola een van de founding fathers van is en met meer dan honderd titels aan heeft bijgedragen. De toon is luchtig, maar wat er verteld wordt is zwaar. De lachende toeschouwer wordt volkomen onverwacht met een zelfmoord, een dodelijk auto-ongeluk, een gruwelijk verraad, een vernietigend inzicht geconfronteerd.

En toch moest Ettore Scola eraan geloven, vorig jaar. Italië was te laat met het organiseren van een eerbetoon aan zijn grootste regisseur aller tijden, Federico Fellini. Ineens was het al 2013, het twintigjarige jubileum van zijn dood, en Italië had niets bedacht, terwijl bijvoorbeeld in Amsterdam het gloednieuwe eye-filmmuseum een maandenlange Fellini-manifestatie op stapel had staan, of in Parijs het grote raderwerk al lang draaide om Fellini naar behoren te herdenken. Wat nu te doen? Hoog in de gelederen van de politiek wist de communistische president Giorgio Napolitano (88) zich te herinneren dat Ettore Scola aan het begin van zijn carrière schouder aan schouder met Fellini was opgetrokken. Ze waren toch ooit samen cartoonist bij een satirisch krantje geweest? Zou Scola niet even een film over zijn persoonlijke herinneringen aan Fellini kunnen maken, op kosten van de staat? Wel graag klaar voor het einde van 2013, om tenminste nog bij de laatste wagon van het Fellini-herdenkingsjaar te kunnen aanhaken. Zodat Italië tenminste op papier zou kunnen zeggen dat er heus aan gedacht was.

Het verzoek van de president van de republiek bereikte Scola tien jaar nadat hij zijn laatste film had gedraaid. Geen zin meer. Of misschien ook ontmoedigd. Voor iemand met zijn staat van dienst – vier Oscarnominaties en talloze andere internationale filmprijzen – is het vernederend om te moeten soebatten om nog een keertje een low-budgetfilm te mogen draaien die het misschien net twee weken uithoudt in de middagprogrammering van een enkele Italiaanse bioscoop. Het was áf, klaar, basta.

Maar een plichtsgetrouw man als Ettore Scola zegt niet makkelijk ‘nee’ tegen de president van de republiek. Giorgio Napolitano is een vriend, een wapenbroeder uit de glorieuze tijden van de Partito Comunista Italiano, de grootste – en door Amerika meest gevreesde – communistische partij van het Westen. Bovendien waren er ook nog de dochters, Paola en Silvia, beiden gepokt en gemazeld in het filmvak, want voor een Italiaanse saloncommunist als Scola was het betrekken van de hele familie bij je werk een heilige plicht. Iedereen mocht altijd meedoen op zijn sets, en zo had hij de perfecte productie-/regieassistente (Paola) en de perfecte co-scenarioschrijfster (Silvia) eigenlijk al in huis. En wat zou het ook geweldig zijn voor ‘de jongens’, de kleinzonen Tommaso en Giacomo, om één keertje door hun verafgode ‘nonno’ – grootvader – Ettore Scola te worden geregisseerd. Tommaso als de jonge Fellini, Giacomo als de jonge Scola, dat lag voor de hand. Een kopie, Giacomo.

Voor de maker van La famiglia vertegenwoordigde de familiereünie op kosten van de staat een onvermijdelijke lokroep uit de jungle. Het enige grote pijnpunt: de persoonlijke herinneringen. Het zou hem toch niet gebeuren. Na een leven van heldhaftig verzet tegen het verafschuwde ge-autobio dat brutaal de twee gebieden waar Scola met heilig respect uit putte – film en literatuur – was binnengedrongen, ging hij toch niet nu, op zijn 82ste, alsnog door de knieën? Om wát te vertellen, in godsnaam? Hoe hij in 1947 op zijn zestiende in zijn plusfours verlegen de redactie van het satirische blad Marc’Aurelio betrad met een mapje cartoons onder de arm, en hoe hij de toen al behoorlijk aan de weg timmerende Federico Fellini van 27 met een flamboyante hoed onder het raam van de redactie zag staan om zijn kornuiten uit te nodigen voor een ritje in zijn eerste met eigen geld gekochte sportcoupé? Alsjeblieft, dat interesseert toch helemaal niemand!

Maar alle leden van de Scola-familie stonden te popelen. ‘Wij kennen de anekdotes toch uit ons hoofd, papà! Wíj schrijven het wel voor je op. En we doen alles voor je, ook op de set. Jij moet het dan alleen even regisseren.’

Zeven maanden later mocht Ettore Scola op het filmfestival van Venetië 2013 de eerbetonen in ontvangst nemen voor zijn Che strano chiamarsi Federico (‘Wat vreemd om Federico te heten’, naar een dichtregel van Federico García Lorca). Hij stond er schitterend bij, in een wit linnen smokingjasje dat slechts een enkeling kan dragen, laat staan op z’n 82ste. Iedereen verklaarde zich institutioneel ‘ontroerd’. Ettore Scola glimlachte hoffelijk, maar hij trapte er niet in. ‘Ontroerd, hoezo ontroerd?’ zei hij, terwijl de betraande president van de republiek zijn polsen en handen omklemde als een laatste houvast tegen de Barbaren. ‘De waarheid is dat de traanklier op een bepaalde leeftijd verzwakt. Wij krijgen al tranen in onze ogen van een goed gemaakte cotoletta alla milanese (schnitzel).’


Beeld: Ettore Scola op het filmfestival van Venetië in 2013 (Pascale Le Segretain/Getty Images).