Iran na de verkiezingen

De ayatollah en de haai

De protesten in Teheran zijn de neerslag van een strijd binnen de elite van Iran. De strijd begon al in de nadagen van de Islamitische Revolutie en draait behalve om het morele gehalte en het bestuur van het land vooral om de greep op de economie.

Medium iran vd week

PARALLEL AAN het drama dat zich deze dagen in de straten van Iran voltrekt, is er in het paleis van de macht een shakespeareaanse tragedie aan de gang met de bijbehorende intriges, jaloezie, waanideeën, woede-uitbarstingen, machtslust en waarschijnlijk een fatale afloop voor de protagonisten. De huidige botsing tussen president Ahmadinejad, Opperste Leider Khamenei, oud-president Rafsanjani en oppositieleider Mousavi is de voorlopige apotheose van een plot die in de nadagen van de Iraanse revolutie begon. Persoonlijke aversie is hierin nauw verbonden met de tegenstelling tussen sociale klassen en concurrerende interpretaties van de islam.
Al vanaf het eerste moment dat de aanhangers van ayatollah Khomeini hun macht consolideerden, vielen ze uiteen in twee fracties. Mousavi, die het protest tegen de laatste verkiezingen aanvoert, behoorde in de jaren tachtig tot de ‘linkse’ fractie. Hij promootte toen als premier een staatsgeleide economie en een eerlijke verdeling van de rijkdom die de mostazafan – de onderdrukten – aan het nieuwe bewind moest binden. De ‘rechtse’ fractie (conservatieven), waaraan Khamenei destijds als president was gelieerd, werd gesteund door de traditionele handelaren, de bazaari, die een vrijemarktpolitiek voorstonden.
De conservatieven in de Raad van Hoeders, die wetten op hun ‘islamitische’ gehalte moet toetsen en kandidaten mag afkeuren, gingen zo vaak in tegen het ‘linkse’ parlement en tegen Mousavi dat Khomeini gedwongen was om een nieuwe bemiddelaar in het leven te roepen: de Raad ter Onderscheiding van wat het Beste is voor de Islamitische Republiek. Rafsanjani kreeg in die periode als parlementsvoorzitter de bijnaam ‘de haai’ door de sluwe wijze waarop hij tussen de fracties manoeuvreerde.
Toen Khomeini in juni 1989 plotseling stierf, koos de Raad van Experts, bestaande uit 86 geestelijken die eens in de acht jaar worden gekozen, tot veler verrassing Khamenei tot zijn opvolger. Hiermee passeerde de Raad ayatollah Montazeri, de gedoodverfde kandidaat, omdat die de executie van duizenden politieke gevangenen had bekritiseerd. Het is geen toeval dat Montazeri zich in het huidige conflict aan de zijde van Mousavi en de protesten heeft geschaard met een oproep voor drie dagen van nationale rouw.
Na het einde van de Iran-Irak-oorlog en het verdwijnen van Khomeini’s autoriteit kwam de fractiestrijd in de jaren negentig in een stroomversnelling. Terwijl Khamenei als Opperste Leider zijn positie nog moest versterken, manifesteerde Rafsanjani zich als de machtigste man van het land. Nadat hij in 1989 tot president was gekozen, schrapte hij de functie van premier, om zo zijn eigen macht uit te breiden. Als de exponent van Irans nieuwe kapitalisten, de ‘miljonair-mullahs’, bouwde Rafsanjani aan een economisch imperium voor zijn familie.
Het zakenblad Forbes schreef na een uitgebreid onderzoek: ‘De revolutie van 1979 veranderde de clan van Rafsanjani in commerciële pasja’s. Een van zijn broers stond aan het hoofd van een van de grootste kopermijnen van het land, een ander was de baas van het tv-netwerk (…). Via verschillende stichtingen en nepbedrijven controleert de familie een van de grootste bedrijven, de fabriek die Daewoo-auto’s assembleert, en de beste privé-luchtvaartmaatschappij van Iran.’ De huidige president Ahmadinejad raakte dan ook een gevoelige snaar bij de bevolking toen hij in het tv-debat vóór de verkiezingen Rafsanjani van corruptie beschuldigde.
Rafsanjani’s politieke opkomst markeerde het ontstaan van een nieuwe fractie van ‘pragmatici’, ook wel ‘modern rechts’, die de rol van de staat in de economie wilde verminderen en de relaties met het Westen wilde aanhalen om nieuwe investeringen en handelsovereenkomsten aan te trekken. Om het neoliberale recept van het IMF en de Wereldbank uit te voeren, vormde Rafsanjani een tandem met Khamenei om de ‘linkse’ fractie in het parlement te marginaliseren. In 1992 keurde de conservatieve Raad van Hoeders duizenden kandidaten van de ‘linkse’ fractie af, waardoor ze haar meerderheid in het parlement verloor.
Rafsanjani’s economische liberalisering leidde tot een toename van de buitenlandse schulden, een inflatie van bijna vijftig procent en groeiende ongelijkheid. De frustraties onder de bevolking leidden in 1992 en 1995 tot rellen in een aantal grote steden. Khamenei raakte gealarmeerd dat Rafsanjani de lagere klassen van de Islamitische Republiek vervreemde en keerde hem de rug toe. Khamenei reageerde zoals conservatieven overal doen; hij weet de situatie in het land aan het ‘morele verval’ en begon met een cultureel offensief om de ‘islamitische waarden en normen’ te herstellen.
Behalve bij de streng religieuzen versterkte dit echter het gevoel van vervreemding bij de rest van de bevolking. In het midden van de jaren negentig was de samenleving namelijk sterk in flux. De deelname van vrouwen aan het onderwijs en de arbeidsmarkt nam snel toe. Bijna zestig procent van de bevolking leefde in de steden, waar een nieuwe middenklasse opbloeide. De explosieve groei van het aantal jongeren – zeventig procent van de bevolking is momenteel jonger dan dertig jaar – leidde niet alleen tot een demografische druk maar creëerde ook nieuwe culturele praktijken en een nieuwe kijk op de plaats van religie in de samenleving. Een onderzoek uit 1995 wees uit dat slechts acht procent van de jongeren interesse had voor religieuze boeken en dat maar zes procent naar religieuze tv-programma’s keek. Maar liefst 86 procent hield zich niet aan het dagelijkse gebed. Er ontstond ook een nieuwe groep van religieuze intellectuelen die, zoals de filosoof Soroush, hun wortels in de politieke islam hadden, maar voor een religieuze democratie pleitten.
Het cultureel offensief van de conservatieven, die de zedenpolitie strenger lieten optreden en dissidenten lieten oppakken, had een boemerangeffect toen in 1997 de bevolking massaal op de hervormer Khatami stemde als nieuwe president. De hervormers waren afkomstig uit de vroegere ‘linkse’ fractie die de vrijemarkt was gaan omarmen. Hun nieuwe kaderleden waren professionals uit de middenklasse. Ook Rafsanjani steunde aanvankelijk Khatami en diens beleid van economische liberalisering.
Maar Rafsanjani distantieerde zich weer zodra hij besefte dat de sociale krachten die het hervormingsproject had losgemaakt uit de hand konden lopen. De confrontatie tussen studenten en de autoriteiten in de zomer van 1999 was daarin een scharniermoment. Om diezelfde reden probeerde president Khatami de protesten te beperken en gaf hij de conservatieven daarmee de gelegenheid om via de rechterlijke macht en de Revolutionaire Garde de hervormingen te dwarsbomen, kritische kranten te sluiten en vrouwenrechtenactivisten, vakbondsleden en intellectuelen te arresteren. De teleurstelling die dit bij zijn aanhang creëerde legde de basis voor de verkiezing van Ahmadinejad in 2005.
Sindsdien is er een machtige coalitie ontstaan tussen Khamenei, Ahmadinejad, de Revolutionaire Garde en de paramilitaire militie Baseej.
Twee factoren zijn hiervoor van groot belang geweest. Omdat Khamenei het charisma en de autoriteit van zijn voorganger onder de geestelijken miste, heeft hij alles gedaan om de militaire krachten en de bureaucratie onder zijn controle te brengen en zo zijn eigen positie te versterken. Zijn nauwe band met Ahmadinejad, via onder anderen zijn mysterieuze zoon Mojtaba, moet in dat licht worden gezien. Van de 21 ministers die Ahmadinejad in 2005 benoemde, waren er negentien afkomstig uit de Revolutionaire Garde en de Baseej. Dat gold ook voor achttien van de dertig provinciale gouverneurs die hij aanstelde.
Op hun beurt hebben de militairen hun eigen economische belangen in de staat ontwikkeld. Tachtig procent van de economie is in handen van de staat en de Revolutionaire Garde profiteert daarvan via naar schatting vijftienhonderd contracten die ze in de afgelopen jaren binnen heeft gesleept. Rafsanjani’s steun voor Mousavi komt vooral voort uit zijn poging om de olie-inkomsten en de winstbronnen van het land open te breken voor de miljonair-mullahs.
De tweede belangrijke factor voor het monsterverbond tussen Khamenei, Ahmadinejad, de Revolutionaire Garde en de Baseej is de aanwezigheid van Amerikaanse troepen aan de grenzen van Iran. Dat heeft het denken van Khamenei en de Revolutionaire Garde cruciaal beïnvloed. De Amerikaanse dreiging strekte zich in hun ogen veel verder uit dan een militaire aanval: ze vrezen op het moment meer voor een door de VS gestuurde ‘fluwelen revolutie’. Hun vrees is onder meer ingegeven door de vierhonderd miljoen dollar die de VS vorig jaar uittrokken voor geheime operaties in Iran, waaronder het onderzoeken van etnische spanningen.

DE ELECTORALE coup van Khamenei, Ahmadinejad en de Revolutionaire Garde moet tegen de achtergrond van deze fractiestrijd gezien worden. Tot nu toe werd de interne machtsstrijd gereguleerd via verkiezingen en het verdelen van posities binnen het staatsapparaat, maar de spanningen zijn blijkbaar zo hoog opgelopen dat de ene kant bereid is de andere te elimineren. De prijs die hiervoor betaald moet worden zal echter bijzonder hoog zijn. De cirkel van de macht wordt kleiner dan ooit als oude insiders als Mousavi en Rafsanjani opeens outsiders worden. De Islamitische Republiek zal wat ze nog aan legitimiteit had in snel tempo verliezen.
Wat in feite in het huidige conflict op het spel staat, is de erfenis van de Iraanse revolutie. De massale deelname van de bevolking aan de revolutie, volgens historici de grootste uit de geschiedenis, zorgde ervoor dat Khomeini en de geestelijken naast de ongekozen posities die ze aan zichzelf toebedeelden, gedwongen waren om de bevolking het recht te geven om hun eigen vertegenwoordigers te kiezen. Daarmee is vanaf het begin een interne tegenstelling ingebouwd in de Islamitische Republiek tussen theocratische en democratische instituties. Het recente optreden van Opperste Leider Khamenei heeft verstrekkende gevolgen omdat het de theocratische instituties bijna alle macht geeft.
Het woord is nu aan de ayatollahs, het religieuze establishment in de heilige stad Qom, en aan Rafsanjani, die als voorzitter van de Raad van Experts zal proberen om de macht van Khamenei in te perken. En cruciaal is de rol van de oppositie op straat. Ook als ze op korte termijn door de Revolutionaire Garde de kop wordt ingedrukt, zal ze in de niet zo verre toekomst de kop weer opsteken, zeker als de machtsstrijd aan de top tot nieuwe crises leidt. De protesten die na de verkiezingen uitbraken, hebben immers laten zien dat een significant deel van de bevolking niet meer op oude voet verder wil en bereid is om zijn leven op het spel te zetten om de democratische erfenis van de Iraanse revolutie te verdedigen.


Peyman Jafari (1976) is geboren in Iran en woont twintig jaar in Nederland. Hij is als politicoloog verbonden aan het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis. In mei verscheen zijn boek Het andere Iran: Van de revolutie tot vandaag (Ambo | Anthos)