Filippo Scotti as Fabietto Schisa met zijn ouders, Toni Servillo, als Saverio Schisa, vader en Teresa Saponangelo als Maria Schisa, de moeder in de film The hand of God van Paolo Sorrentino © Gianni Fiorito / Netflix

Geen mooier cadeau dan wanneer een filmmaker van wie je de trukendoos nu wel zo’n beetje dacht te kennen ineens iets heel anders doet. Paolo Sorrentino’s The Hand of God is ineens, na al zijn krullen over het ijs, het ogenschijnlijk simpele verhaal van zijn gelukkige jeugd in Napels. Het verloren paradijs, dat abrupt eindigt op de avond waarop zijn ouders sterven aan een koolmonoxidevergiftiging in het vakantiehuisje in de bergen. Sorrentino was toen zestien, en ging dat weekeind voor de eerste keer niet mee met zijn ouders, omdat zijn vader het eindelijk goed had gevonden dat hij een uitwedstrijd van het Napoli van Maradona mocht bijwonen, Empoli-Napoli 1986, voor de liefhebbers.

De tweede helft van de film doet er net zoveel toe als de eerste. Het kakelbonte, zeer felliniaanse festijn van de Napolitaanse familieclan – met de tante met haar bontjas aan op 15 augustus, de moeder die kan jongleren met drie sinaasappels, de vader die de vader is die we allemaal willen hebben (Toni Servillo, wie anders?), de zus die permanent de badkamer bezet houdt – is in één klap voorbij. Sorrentino is de jongste van de drie, gespeeld door de perfecte Filippo Scotti, een groot talent.

Het licht gaat uit voor de zestienjarige Fabietto, er is niets meer aan, en dat is een des te harder gelag als je uit zo’n geestige, warme, vanzelfsprekende familieclan komt. Hij knoeit wat in zijn eentje in een Napels dat eindelijk weer een echt Napels is, en niet zo’n gestileerd über-Napels waar werkelijk iedere Italiaanse filmmaker zich de afgelopen tien jaar op heeft gestort. Het licht flakkert weer een klein beetje aan dankzij een toevallige nachtelijke ontmoeting met een Napolitaanse filmmaker die niemand in het buitenland kent, en ook weinigen in Italië. Regisseur Antonio Capuano, met wie Sorrentino later werkelijk zijn eerste scenario mocht schrijven, schopt de jonge Fabio in één trap over zijn zelfmedelijden heen. ‘Heb je wat te vertellen?’ schreeuwt hij hem toe bij het ochtendgloren over de adembenemende baai van Napels. En de regisseur zwemt weg, de boodschap is duidelijk. De rest van het leven van Fabietto/Paolo Sorrentino is op dat moment begonnen.

Sorrentino heeft op zijn 51ste de derde etappe van zijn Fellini-pelgrimstocht volbracht. De eerste was natuurlijk La grande bellezza (2013), zijn Oscar-winnende eerbetoon aan Fellini’s La dolce vita (1960). De tweede was Youth (2015), iets minder duidelijk te herleiden tot het kuuroord van Fellini’s Otto e mezzo (1963). En dan nu È stata la mano di Dio, zoals de film in het Italiaans heet, Sorrentino’s Amarcord (1973), in toon en liefde voor sprankelende cinema eigenlijk wel de meest gelijkende. Daarom heeft het MoMa van New York deze film en Sorrentino ook uitgekozen om het Fellini-retrospectief, dat loopt tot 12 januari, af te trappen. ‘Ik wil meteen duidelijk maken dat Fellini een genie was, en dat wij allen die na hem kwamen niets anders zijn dan banale imitatoren’, zei Paolo Sorrentino vorige week in New York. Maar je moet het wel kunnen, en Sorrentino kan het.

The Hand of God draait nu in de bioscoop en is vanaf 15 december te zien op Netflix