De baarlijke Niko

Zoals een meerderheid van de Amerikanen in de baarlijke duivel gelooft, zo gelooft een meerderheid van onze oosterburen dat de duivel huist in computergames. Halo’s aktieheld Masterchief, antiheld Nico Bellic uit de spellenserie Grand Theft Auto en tal van andere gangmakers in meer of minder interessante virtuele werelden zijn voor veel Duitsers de verpersoonlijking van een kwaad dat hun jeugd bedreigt.

Duitsland heeft al een humorloze censor in de vorm van de Bundesprüfstelle für jugendgefährdende Medien, een instantie die ijverig bijhoudt hoeveel doden er in games vallen alsof het een echte body count betreft. Producenten worden aan absurde regels gehouden. In Duitse games mag gesneuveld worden, maar het bloed moet groen zijn en het slachtoffer mag niet jammeren, stuiptrekken of door een passerende vrachtwagen worden verbrijzeld want dat is jugendgefährdend. Uitgevers die zich hier niet aan houden, kunnen rekenen op een Totalverbot. Dat is al een afgang voor een land dat miljoenen volwassen gamers telt en met de firma Crytek een van de beste gameontwerpers ter wereld in huis heeft.
Maar nu maken de ministers van Binnenlandse Zaken van de zestien Bundesländer het echt te bont. Op een recente bijeenkomst hebben ze besloten zo snel mogelijk over te gaan tot een verbod op alle Killerspiele. Het gaat dan om spellen waarin de handeling draait om ‘wirklichkeitsnah dargestellten Tötungshandlungen oder anderen grausamen oder sonst unmenschlichen Gewalttätigkeiten gegen Menschen oder menschenähnliche Wesen’. Dus zeg maar alle schiet- en vechtspellen. Nog voor de Bondsdagverkiezing in september moet een en ander in werking treden.

Zoals gebruikelijk in ludofobe kringen is de motivatie te simplistisch voor woorden. Volgens de initiatiefnemer, de christen-democraat Uwe Schürmann uit Nedersaksen, ‘hebben amokmakers zich voorafgaand aan hun daad steeds weer met zulke spellen beziggehouden’. Die stelling is om te beginnen letterlijk onjuist: in sommige gevallen speelden amokmakers geen videogames. Ook de onuitgesproken suggestie die in de stelling verborgen zit, is onjuist: er is geen oorzakelijk verband in die gevallen waarin de daders wél voorafgaand aan hun daad videogames speelden. De Britse overheid heeft niet zo lang geleden een afgewogen rapport gepubliceerd, de Byron Review, waaruit blijkt dat games hoogstens enige agressie opwekken bij kinderen die emotioneel instabiel zijn of in een gewelddadige sociale omgeving verkeren. Het effect is tijdelijk en niet gerelateerd aan extreme geweldsvormen: ‘There is no hard evidence to suggest that games cause harm.’ Het gaat pas fout met een kind als het door zijn ouders aan zijn lot wordt overgelaten. Het obsessief spelen van games is een symptoom van emotionele verwaarlozing, geen oorzaak van wangedrag.

Als de Bundesprüfstelle eens wat verder zou kijken dan de ambtelijke neus lang is, zou ze ontdekken dat het beruchtste geval van een Duitse amokmaker precies voldoet aan de omschrijving van het Byron-rapport. Het gaat om de achttienjarige Duitser Sebastian Bosse, die in november 2006 op zijn voormalige school met zware wapens 37 leraren en medescholieren verwondde alvorens de hand aan zichzelf te slaan. In zijn afscheidsbrief schreef hij dat ‘het enige wat me op school is ingepeperd is dat ik waardeloos ben’ en dat ‘in deze wereld en op deze school alles draait om geld, om de duurste mobiele telefoon, de nieuwste kleren en de populairste “vrienden”, en dat je zonder die zaken niet de minste aandacht of waardering krijgt en dus evengoed dood kunt zijn’. Nog verontrustender was de ontdekking dat Bosse zijn daad een jaar lang openlijk had aangekondigd en dat zijn ouders, vrienden en docenten een andere kant op hadden gekeken, zelfs toen hij zijn voorraad wapentuig aanlegde. Het ging hier om een totaal vereenzaamde, zeg maar gerust verweesde jongen. Je zou toch zeggen dat zijn omgeving de hand in eigen boezem moet steken. Maar nee: Bosse speelde het schietspel Counter Strike en het was veel makkelijker om de schuld voor het hele gebeuren daarop af te wentelen. Pedagogisch gezien is een dergelijke benadering pas echt jugendgefährdend, maar dat inzicht is aan de zestien ministers niet besteed. Dat zou betekenen dat er iets schort aan de opvoeding of het onderwijs. En dat zou weer betekenen dat heel andere, complexe maatregelen vereist zijn. Herr Gott, dat is allemaal veel te moeilijk! Dat scoort niet. Dan liever een noodwetje waarmee je voor de verkiezingen een daadkrachtige indruk maakt.

Het verbieden van games is een variant op het boekverbod, een traditie die in het oostelijk deel van Duitsland tot 1989 standhield. Het is een inperking van de vrije meningsuiting vanuit de gedachte dat een bepaald cultuurgoed naar zijn aard verderfelijk of misdadig is. En als het daarop aankomt heeft Duitsland toch al, laten we zeggen, een belaste geschiedenis. Eigenlijk zouden activisten voor de deuren van de zestien Landesparlamente brandstapels moeten oprichten en daar games in gooien onder het uitroepen van: ‘Verschlinge, Flamme, die Werke von Crytek und Rockstar!’ Misschien dat de publieke opinie dan alsnog de absurditeit van deze verbodsexercitie inziet.