Chailly moet aan Jezus denken

De Bach van Riccardo Chailly

Riccardo Chailly, oud-chef van het Concertgebouworkest, geeft in Leipzig een nieuwe lezing van Bach. Met het Gewandhausorchester nam hij de Matthäus-Passion en de Brandenburgse concerten op. Een Weihnachtsoratorium volgt. Hoe klinkt dat?

Hoe heilig kan Bach zijn? Een van de wonderlijkste stukken in mijn cd-collectie is een 41 jaar oude opname van de eerste drie Brandenburgse concerten met het orkest van de Wiener Staatsoper onder leiding van Hermann Scherchen, destijds een Bach-vertolker van reputatie. Je hoort het er niet aan af. De uitvoeringen hebben alle postromantische eigenaardigheden waar de authentieke uitvoeringspraktijk met recht tegen in opstand kwam: amechtige tempi, comateuze frasering, vibrato in de stijl van Brahms. De op papier dansant beweeglijke allegro’s zijn van gietijzer.
Zo snel gaan muzikale evoluties dus. Het blijft intrigerend dat de visie op een grootmeester, op papier dezelfde reus als toen, zo tijdgebonden blijkt dat hedendaagse luisteraars zich nauwelijks kunnen voorstellen hoe Bach-liefhebbers van die dagen dit verdroegen.
Toch kom ik niet los van track 2, het adagio van Brandenburg 2. Daar is theoretisch alles fout aan. Het talmt, het walmt, stilistisch gaat het anderhalve eeuw voor de fanfare uit. Desondanks tonen de solohoboïst en de concertmeester een toewijding die, hoewel aan het belachelijke grenzend, accordeert met de sacrale diepte van hun melodieën. Ze zingen met de innigheid van mannen die van Petrus nog één laatste kans hebben gekregen: wat klinkt is half gebed, half liefdeslied. Goddank, daar is hij in de ijzergieterij van Scherchen dan toch, de componist die voor het oor bleef wat hij altijd was: een tovenaar voor alle tijden.
Wie zijn ze, deze heiligen? Het booklet noemt alleen de violist bij naam. Het is nota bene Willi Boskowsky, concertmeester van de Wiener Philharmoniker, ooit de gevierde dirigent van het Nieuwjaarsconcert en een Mozart-vertolker van naam, daarnaast uitbater van een Johann Strauss Orkest dat middenstandsmilieus van voor de seksuele revolutie enige lichtvoetigheid bijbracht. Van Bach tot bal - zo ging dat toen, de grote mannen van zijn generatie vraten alles.
En hij klonk navenant. Mahler, Furtwängler, Klemperer, Karajan - hun Bach-communie schreed op lemen voeten, eerbiedig en gewichtig volgens de romantische consensus dat groot plechtig moet. Anders dan je van een analytisch ingestelde avant-garde zou verwachten, haakten de Bach-orkestbewerkingen van Schönberg, Webern en de dirigenten uit de Schönberg-school (René Leibowitz en, jawel, Scherchen) met doorwrochte pathetiek bij die traditie aan. Ter overzijde van de oceaan ging de showman Leopold Stokowski nog uitbundiger door het lint met megalomane Hollywood-arrangementen van Bachs Chaconne voor viool solo, orgelwerken en koralen. Bach was Groot en Groot is Groots.
Die dinosaurus is niet meer. In wat een van de grootste schoonmaakacties van de twintigste-eeuwse muziekgeschiedenis is geworden, werd hij hardhandig uitgerookt door oude muziek-pioniers als Leonhardt en Harnoncourt. Met de openings- en slotdelen van Scherchens Brandenburgers in gedachten hoef je daar niet rouwig om te zijn. Opgeruimd staat netjes.
Is in de Bach-praktijk nu alles recht gekomen? Zekere standaardiseringstendensen in de authentieke uitvoeringspraktijk nopen anno 2010 tot kritische kanttekeningen bij een al te klakkeloos optimisme. De opmars van de barokorkesten heeft veel goeds gebracht, dat vooropgesteld. De tempi zijn vitaler geworden, de fraseringen gedetailleerder en dansanter, de instrumenten en de spelers beter. De keerzijde is dat het veel eigentijdse Bach-vertolkingen mankeert aan soortelijk gewicht, levensernst. Bij Brüggen, Harnoncourt en Herreweghe hoor je nog de echo’s van een oude religieuze diepte, maar in de Bach-cantates van Ton Koopman (die als organist juist wél het volle pond geeft) heerst de ondraaglijke lichtheid van het ondermaanse. De Bach van John Eliot Gardiner is geen altaar maar een snijtafel. Bach is niet alleen ontvet, hij is ontheiligd. Boskowsky en de anonieme hoboïst van Scherchens Eerste Brandenburgse zouden niet weten hoe ze het hadden.
De lichte, speelse, min of meer ontgoddelijkte Bach veroverde binnen en buiten de barokpraktijk zo'n monopoliepositie dat voor dissidente opvattingen nauwelijks plaats leek. Het handvol grote vertolkers dat de barokcultuur zelf voortbracht waaide vanzelf naar de toporkesten over, waar ze de generalisten hun Mozarts, Haydns, Beethovens, Matthäus-Passionen en Weihnachtsoratoria ontfutselden. Dat tij lijkt pas de laatste jaren enigszins te keren. De oude Haitink pakt in Boston op de valreep de Matthäus mee waar hij in het Amsterdam van Harnoncourt niet meer mee aan hoefde te komen. De jongste maestro-generaties heroveren verloren territorium, ook Bach. Simon Rattle dirigeert de Johannes-Passion, Yannick Nézet-Seguin in Rotterdam de Matthäus alsof het weer de normaalste zaak van de wereld is. Nu de cantatas, orkestsuites en Brandenburgse concerten nog - mits ze voldoende toegevoegde waarde hebben, maar daaraan schort het vaak. Veel jongere dirigenten in de symfonische sector vertonen de neiging hun authentieke vakbroeders in stijlzuiverheid naar de kroon te willen steken. Je zag het aan hun omgang met de Weens-klassieken. Rattle’s eerste Beethovens waren met hun knallende pauken en voetzoekeraccenten roomser dan de paus, een vurige maar ontbeerlijke herhaling van zetten. Interessant wordt het pas als een niet volgens de regelen der kunst geschoolde maestro met een modern orkest alle musicologendwingelandij aan zijn laars lapt.

Ook daarom zag ik met grote belangstelling uit naar de eerste Bach-cd’s van het Gewandhausorchester onder de Italiaanse dirigent Riccardo Chailly. De voormalige chef van het Koninklijk Concertgebouworkest heeft in de Bach-stad Leipzig blijkbaar een klankbord gevonden voor een Bach-visie waarvan het kco de toegevoegde waarde betwistte, toen hij er in 1999 zijn eerste en laatste Matthäus-Passion dirigeerde. Die nederlaag diskwalificeert hem niet bij voorbaat. Chailly’s belangstelling voor Mengelbergs Matthäus-Passion en zijn uitvoeringen van Mahlers Bach-bewerkingen met het Koninklijk Concertgebouworkest getuigden van een ruimhartigheid die de hoop voedde dat hij op enig ogenblik in staat zou zijn z'n eigen Bach-sluiproutes uit te zetten.
De eerste indrukken van de Brandenburgse concerten zijn niet ongunstig. Up-tempo is Chailly de goedgeluimd-muzikanteske leider van een fris geboend collegium met het ontspannen gusto. Erg goed is het slot-presto van het vierde concert, waarin het tempo ideaal is (vlot, niet overhaast), de bassen als een vaderlijke hand het stemmenweefsel dragen en de contrapuntische textuur geraffineerd vervloeit met de natuurlijke beweging van het ritme.
Maar deze bandleider moet niet vertragen. Ook hij lijdt aan de grote kwaal van deze tijd: hij kan niet mijmeren. De middendelen zinken in het niet bij het omringende geluk. Met Scherchen als historisch referentiekader beluister ik het adagio uit het eerste Brandenburgse concert. Dat Chailly twee minuten sneller klaar is, een aanzienlijk verschil voor een stukje van 39 maten, is omdat hij er met zijn kop niet bij is en zijn solisten niet vrij ademen. De strijkersbegeleiding, bij Scherchen bezield en bijna stralend, is in Leipzig effen en neutraal. Violist en hoboïst zijn bij Chailly capabel, niet vervoerend. Bijna zeker dat ze, zoals die koele stadjers tegenwoordig doen, de chef hebben beloofd niet naar het sentimentele af te glijden: een klein- of grootsteedse gevoelscensuur - of het uit angst of wil is moet je raden - beheerst hun dictie. Alleen is maar alleen. Ze willen terug naar het licht, de haast, het volle leven.
De tweede, beklijvende indruk is dat Chailly, nooit vrij van epateerzucht, met de Brandenburgse concerten vooral probeert te laten zien dat hij als Bach-vertolker de tekenen des tijds verstaat. Hun naturel is onwaarachtig. Hun lichte, transparant karakterloze toets blijft keurig in de pas met de aspirituele speellust van een sufgejakkerde barokmainstream; dit is St-Martin-in-the-Fields anno 2010. Dat krijg je, met een man zonder kern op de bok.
Het is frappant hoe weinig een dirigent met zoveel theaterervaring aan stemmingsschakeringen heeft opgevangen in een muziek die met haar eeuwig duidende gebaren even expliciet is als een doventolk. Het eerste trio van het menuet in Nr 1 is afwezig, de polacca niet verwachtingsvol, het tweede trio humorloos. In het andante van Nr 2 geen schwung in de doorlopende achtstenbeweging van de cello en geen weemoed in de melodieën; het daaropvolgende allegro assai leeg licht zonder het ruig-muzikanteske dat zo hoorbaar uit het keurslijf wil. Het affetuoso van Nr 5; in koelen bloede genegeerd. Ongetwijfeld zijn er mensen die geloven dat die kilte interessant is, omdat ze zelf niks geloven. Voor al die kinderen van deze tijd is deze vlekkeloos ondeugdelijke uitgave een must.
Dan is er nog die Matthäus. In Nederland versmaad, door Decca lekker-puh een integrale registratie waard geacht. Dat hij op twee cd’s past zal de Decca-rekenmeesters deugd doen.
Met een lengte van twee uur en veertig minuten duurt Chailly’s Matthäus even lang als de drie cd’s van Harnoncourts tweede opname, maar op die identieke tijdlengte lijkt bij Chailly veel meer druk te staan. In het openingskoor Kommt, ihr Töchter, helft mir klagen, het koraal O Mensch bewein dein Sünde gross en een reeks aria’s regeert een gekmakende materiële haast. Zalvende rondingen worden scherpe hoeken, booggewelven meccanodozen. En nergens schemer, nergens schaduw. In de geloofstempel schiet plompverloren de verlichting aan, en in het neonschijnsel ziet de lieve heer Chailly’s Gewandhaus Christus’ lijkwade tot een quilt van vluggertjes verknippen, snel of langzaam snel.
Toch kan ik niet goed zeggen wat er scheelt. Ik kamp met het probleem dat al mijn mogelijke technisch-muzikale bezwaren worden overvleugeld door een onbenoembaar innerlijk verzet tegen de geest van deze uitvoering, en dat die innerlijke stem me redeloos gelijk geeft. Dit is de eerste Matthäus die me deed afvragen of het stuk in deze door en door geseculariseerde tijd geen religieus anachronisme is geworden. Wat Chailly aan drama schenkt is louter wereldlijk theater: nu is het erg, dus moet het koor zacht. Zo zou een Bach-vertolker niet moeten hoeven denken, denk ik als ongelovige maar hoopvolle verstaander dan. Hij moet aan Jezus denken en aan de toestand van een wereld zonder hem, die Bach heeft uitgezongen met een hartverscheurend nederig vertrouwen in zijn wederkeer. Zo ver kan Chailly nooit zijn gekomen. Het is niet goed voorstelbaar dat Chailly in God gelooft. Hij gelooft in de maakbaarheid van het geloof in God. Deze Matthäus is de intellectuele reconstructie van het voor de atheïst jaloers makende gevoel van onverbrekelijke eenheid met een zekerheid. Er is niets onafwendbaars aan. Je hoort een man achter de knoppen het beste met Bach voorhebben maar zijn geheim niet vinden, omdat hij niet begrijpt dat een geheim nu eenmaal een geheim is. De eerste hoboïst van Scherchen had het raadsel van zijn toon niet kunnen klaren, maar dat geheim had geen geheimen voor hem.
Dat Weihnachtsoratorium geloof ik wel. Over Bach moesten we intussen weer eens diep nadenken. Soms denk ik dat hij dood is. Soms.

Riccardo Chailly, Matthäus Passion (Decca)