DE CULTUUR VAN VILNIUS

De Baltische renaissance

Niemand weet waar Litouwen ligt. Wat gaan de Litouwers daaraan doen? Cultuur bedrijven. Vilnius wordt Culturele Hoofdstad in 2009. Er zijn ook plannen voor een Guggenheim-museum. Zit iemand daarop te wachten?

BIJ EEN OEFENWEDSTRIJD tussen de nationale voetbalteams van Tsjechië en Litouwen, eind mei, deed zich een pijnlijk incident voor. De programmaboekjes vermeldden niet Litouwen, maar Letland als tegenstander en het Letse volkslied werd gespeeld, tot verbazing van de spelers. Inderhaast werd de Litouwse vlag gehesen, maar ondersteboven. Vertegenwoordigers van de Litouwse ambassade in Praag zeiden dat ze er de humor wel van konden inzien. Litouwers maken dat soort dingen vaker mee, en Letten en Esten ook. De drie Baltische staten worden gemakkelijk over het hoofd gezien, en gemakkelijk onderling verward.
Daar wordt aan gewerkt. Eerder dit jaar presenteerde een speciale Litouwse commissie, voorgezeten door de minister-president, een nieuw marketingconcept voor het land. Eén van de suggesties: verander de naam. Volgens een regeringswoordvoerder is ‘Lithuania’, de Engelse transcriptie van ‘Lietuva’, lastig te spellen, lastig uit te spreken en lastig te onthouden, dus een naamsverandering zou serieus moeten worden overwogen. Het hele land viel eroverheen. ‘De naam van het land veranderen, zijn ze helemaal gek geworden? We zijn Birma niet.’
Toch houdt die relatieve onbekendheid de Litouwers bezig. Litouwen is klein (3,5 miljoen inwoners), maar het was in de Middeleeuwen het grootste land van Europa en reikte tot aan de Zwarte Zee. Na 1795 verdween het van de kaart, opgeslokt door Bonaparte, Polen, Rusland, nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie. Net als Letland en Estland kende het tussen 1918 en 1940 een zekere onafhankelijkheid, maar zonder Vilnius, de hoofdstad, die Pools bezit was. Pas in 1991 schudden de Litouwers de Russen van zich af. Een bezinning op dat geschakeerde verleden is nog maar net op gang gekomen. Wat Litouws is, en wat niet, daar wordt voorzichtig over gesteggeld, bijvoorbeeld in die commissie.

Wat te doen, bij zo’n pr-achterstand? Je kunt proberen het Eurovisie Songfestival te winnen, iets wat Estland, Letland en Servië de laatste jaren is gelukt. Je kunt je kandidaat stellen voor een project als de Olympische Winterspelen of het EK voetbal, maar dat is prijzig.
Cultuur is veel goedkoper. Het stempel ‘Culturele Hoofdstad van Europa’ heeft voor lelijke eendjes als Lille, Glasgow en Rotterdam heel wat betekend. Vilnius wordt het volgend jaar; Tallinn volgt in 2011, Riga in 2014. Die focus op cultuur is dus een trend, in de Baltische regio, en in vele andere voormalige sovjetstaten die in de overgang zijn naar een nieuwe Europese identiteit. Een blinkend gebouw door een eersteklas architect mag daarbij niet ontbreken. In Tallinn opende anderhalf jaar geleden het omvangrijke KUMU (KUnstiMUuseum), ontworpen door de Fin Pekka Vapaavuori. In Riga verbouwt Rem Koolhaas een elektriciteitscentrale tot het Latvian Museum of Contemporary Art (opent in 2011). In Polen werd een ontwerp van Christian Kerez gekozen voor het Museum voor Moderne Kunst van Warschau. Litouwen blijft niet achter. Volgend jaar opent in Vilnius het Nationale Museum voor Moderne Kunst, en in april werd met veel fanfare een ontwerp van Zaha Hadid gepresenteerd als onderkomen voor een Guggenheim-Hermitage-museum aan de oevers van de Neris.
De vraag is of iemand op zo’n Guggenheim zit te wachten. De kunstsector van Litouwen is klein, en kan in één middag in Vilnius te voet in kaart worden gebracht. Er zijn problemen genoeg. De afdeling contemporaine kunst van het Nationaal Museum was bijna twintig jaar dicht en krijgt volgend jaar eindelijk een eigen onderkomen, in het voormalige Museum van de Revolutie, een kloek voorbeeld van sovjetmodernisme uit 1980. Dat complex is grondig verbouwd, maar de structuur is intact gebleven, want het sovjetblok bleek eigenlijk best een goed gebouw, dat in zijn gemoderniseerde vorm niet zou misstaan in Seattle of Salamanca.
Lolita Jablonskiene is directeur van het nieuwe gebouw. De vaste collectie is klein; er is in twintig jaar maar mondjesmaat verzameld. De programmering is dan ook buitengewoon ingewikkeld, zegt ze. ‘Om maar wat te noemen: wat noemen wij eigenlijk Litouwse kunst? Tot 1918 bestond Litouwen niet; het beschrijven van kunstenaars als “Litouws” is dan ook heel arbitrair. Op die manier is Marc Chagall (geboren te Vitebsk – kk) opeens een Wit-Rus, en Malevich (geboren te Kiev – kk) een Oekraïner. Wat een “Litouws museum” is moet nog helemaal worden uitgevonden. Wij beginnen met niks, from scratch.’ Het geeft Jablonskiene wel bijzondere verantwoordelijkheden. ‘Het populariseren van “Litouwse kunst” in het algemeen is een onmogelijkheid. Als er iemand populair is geworden, sinds de jaren negentig, dan waren dat individuele kunstenaars. Wij moeten de onafhankelijkheid van het museum laten zien, om te groeien en te laten groeien. De omgeving, het publiek, kent het vaste kunsthistorische discours niet. Wij moeten dus een verhaal construeren rond een geschiedenis die nog niemand kent. Moeten we meedoen met het Grote Europese verhaal? Zijn er misschien andere, oudere? De Koude Oorlog, bijvoorbeeld, heeft in deze maatschappij eigenlijk geen functie; het is het verhaal van onderdrukking, meer niet. Maar je kunt het misschien ook zien als een spanning tussen twee moderne opvattingen over de wereld, de westerse en de communistische.’
Ze meent dat er voldoende kwaliteit in eigen land is. ‘De jaren negentig hebben een sterk corps voortgebracht, een stuk of tien namen van internationale kwaliteit, en als daar nu vijf of zes van over zijn, dan is dat al heel wat. Hoever kom je in Nederland? Een stuk of zes? Dan doen we het nog niet zo slecht.’

In 1991 was er in Vilnius nog niets. De afdeling contemporaine kunst was dicht. Er waren geen galeries. Het Paleis voor Tentoonstellingen van de sovjetkunstenaarsverenigingen, midden in de stad, werd gekraakt door de jonge garde, en daarna – met minimale subsidie – omgevormd tot de grootste ruimte voor contemporaine kunst in de Baltische staten. De onstuimige Kestutis Kuizinas is al sinds de opening directeur. In 1991 was hij 23. Hij regeert nog steeds met grote energie over zijn gebouw, praat snel, loopt snel, beslist snel.
In 1991 wist hij nog van niks, zegt hij. Kestutis Kuizinas: ‘D’r hing wel van alles in de lucht, door de glasnost en de perestrojka. Ik had in allerlei comités en commissies gezeten, om te schoppen tegen de kunstprofessoren, en ik was criticus. Ik schreef mijn scriptie over conceptuele kunst. En toen werd ik opeens algemeen directeur, op mijn 23ste.’
Was er een plan?
‘Plan? Nee. Geen plan. Je begint met niks, zonder enige context, je creëert je eigen standaard. Het Paleis had zeventig tentoonstellingen per jaar, van alles, grafiek, houtsnijwerk, zilversmeden, gruwelijk. Daar ben ik meteen mee gekapt. Er waren 75 mensen in dienst. Daar heb ik de helft van ontslagen. De naam, Contemporary Arts Centre, heb ik gewoon uit een of ander tijdschrift geplukt. We zeiden: we hebben geen contemporary art in dit land, maar dat gaan we maken, in een “witte kubus”. Er waren geen experts, geen curatoren, alleen jonge jongens, zoals ik. Of Deimantas. Je moest echt op zoek.’
Deimantas is de filmmaker en beeldhouwer Deimantas Narkevicius. Hij studeerde nog aan de kunstacademie van Vilnius, toen hij in 1993 curator werd in het CAC. Inmiddels is hij het boegbeeld van een klein cohort Litouwse kunstenaars en kunstinstellingen die de laatste jaren zijn doorgedrongen tot de internationale top.
De beeldhouwer Zilvinas Landzbergas, bijvoorbeeld, won vorige maand de Thieme Art Award tijdens Art Amsterdam. Narkevicius zelf is een van de genomineerden voor de Vincent Award, deze zomer te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam. Hij vertegenwoordigde zijn land op de biënnales van Venetië in 2001 en 2003; volgend jaar krijgt hij een solotentoonstelling in het Reina Sofia Museum in Madrid en het Van Abbemuseum in Eindhoven.

Ondanks die stevige internationale carrière en een overspannen agenda woont Narkevicius nog gewoon in Vilnius, op een steenworp van het CAC. Hij is een leuke, schalkse man, met een geruite pet op het kale hoofd en een bril van vóór de onafhankelijkheid. Deimantas Narkevicius: ‘We hadden in het CAC een groot emotioneel voordeel: de wereld zou anders worden. De hele scene is na 1991 door het CAC heruitgevonden. Ik had daarvoor tien maanden in Londen gewoond en gestudeerd, de taal geleerd, maar vooral de kunst geleerd, alles, van Tate Britain tot wat er in onafhankelijke ruimtes werd getoond. Ik ben met iedereen gaan praten, heb kunstenaars in hun atelier opgezocht, et cetera. Ze hadden daar een totaal ander idee van wat een kunstenaar was. Geen bescherming, altijd competitief. Een broeikas.’
De ontwikkeling van het CAC werd door buitenlandse fondsen gesteund. Kuizinas: ‘Wij waren het enige “huis”, we waren alleen. Om de nationale kunsten een beetje te helpen zijn we gaan samenwerken met internationale organisaties, de Soros Stichting, de British Council, de Mondriaanstichting. Die hadden geld voor internationale tentoonstellingen, waar wij ook Litouwse kunstenaars konden laten zien. We hebben echt keihard gebroken met de traditie.’ Het CAC domineert inmiddels de Litouwse moderne kunst, met vijf, zes grote tentoonstellingen per jaar en de driejaarlijkse Baltic Triennial. In 2009 zal de tiende triënnale worden samengesteld door Kestutis Kuizinas en Ann Demeester, directeur van De Appel, Amsterdam.

Dat is een succesverhaal, en toch is Narkevicius niet onverdeeld optimistisch. In de kunst staan oude structuren nog overeind. Deimantas Narkevicius: ‘Het ministerie van Defensie, van Buitenlandse Zaken en Economische Zaken, die zijn allemaal veranderd, aangepast aan de EU, maar de kunstenaars van de jaren zeventig zijn nog steeds dominant in de kunstwereld. Jonge kunstenaars worden geïsoleerd door de bureaucratie. Ze krijgen les van professoren uit de oude tijd, die zullen in hun functie overlijden. In al die jaren dat ik hier aan de weg timmer, en internationaal wat voor elkaar krijg, ben ik maar één keer uitgenodigd om eens iets te komen vertellen, 45 minuten, dat was alles. Ze lopen jammerlijk achter de feiten aan. Het is zelfs zo dat de studenten weigeren het programma te volgen, en zichzelf gaan opleiden – zelf naar de bibliotheek, zelf de deur uit. Een slechte academie produceert studenten die nergens in geloven.’
Is er in Litouwen wel voldoende voedingsbodem voor hedendaagse kunst?
‘Ja en nee. In het algemeen hebben Litouwers een ouderwets idee over cultuur als deel van hun sociale status. Ze vinden dat je als intellectueel een relatie met kunst moet hebben. Maar voor een levende cultuur, kritisch, edgy, heb je iets anders nodig. Het is niet politiek correct om aan kunst te doen, zoals in Frankrijk of Engeland. De Litouwers houden wel erg van uitvoerende kunsten. Ze houden niet van kritiek. Ze houden van automatismen, van dode kunst. Het theater zit altijd vol, het ballet zit altijd vol, maar ze kopen niet.’
Een graadmeter voor het draagvlak van de moderne kunsten is de galeriesector. In Vilnius is die klein, en ouderwets. Er valt meer te verdienen in de verkoop van amber aan Poolse en Russische toeristen. Toch is er een groeiende middenklasse, af te lezen aan de filialen van Zara en Vodafone die de binnenstad bevolken. Jonas Zakaitis opende deze maand de eerste galerie voor conceptuele kunst, Tulips&Roses. Net als Kuizinas in 1991 is hij pas 23. Zijn oudere broer, miljonair, fourneert het kapitaal; de openingstentoonstelling heette, toepasselijk, The Store, had een buitenlandse curator, Adam Carr, en toonde werk van hippe kunstenaars als Liam Gillick, Superflex en Mario Garcia Torres. Je vraagt je af wie dat koopt; Zakaitis gelooft er heilig in: ‘De tijd is rijp, de markt groeit, we moeten er nu induiken!’

Dat gevoel is ook elders merkbaar. Volgend jaar investeert de Litouwse regering honderd miljoen euro in ‘Vilnius, Culturele Hoofdstad van Europa’. 35 miljoen euro voor de programmering, 65 miljoen voor ‘hardware’ in theaters en musea. Volgens de directeur, Dalia Bankauskaité, is het erop of eronder: ‘Litouwen is een land in transition. De welvaartsstaat is bijna volgroeid, maar de cultuur is verwaarloosd. Voor één keer is de cultuur prioriteit, dus het móet een succes worden. Het is vooral een exercitie in civil society. Kleine kunstprojecten in de buurten, in van die gemeenschappelijke binnenplaatsen, zijn bedoeld om bewoners letterlijk de deur uit te krijgen. Een keer een broodje te eten met hun buren. Dat doen ze hier niet – en daar moet die kunst een rol in spelen.’
Als het aan de regering ligt, dan wordt in de toekomst een stuk hoger gemikt. In april werd bekend dat een ontwerp van Zaha Hadid was verkozen voor een nieuw kunstcentrum voor de collecties van de Guggenheim Foundation en het Hermitage-museum. Hadids ontwerp is ronduit fantastisch, een metalen ruimteschip, glanzend, dat zachtjes lijkt te zweven boven een landingsstrip op een prachtige locatie in de hoofdstad. Wie het zal betalen, is nog volstrekt onduidelijk. De premier denkt aan een private-public-partnership, maar de overheid heeft er geen geld voor, en er bestaat in Litouwen niet een kapitaalkrachtige oligarchie, zoals in Rusland.

De kunstsector zit er niet op te wachten. Er wordt in Vilnius ook al gewerkt aan de herbouw van het zestiende-eeuwse Koninklijk Paleis van de Groothertogen, waar al tweehonderd jaar geen steen meer van overeind stond en waarvan niemand weet wat ermee moet gebeuren als het eenmaal klaar is. Lolita Jablonskiene verzucht: ‘Het is typisch. Steden zoeken commercieel succes en gaan dan zulke projecten aan met internationale toparchitecten. Het is scoren. Zij Koolhaas, wij Hadid. De kosten zijn enorm. Je krijgt dat gebouw niet gratis, hoor, je moet als stad een licentie nemen op de naam Guggenheim, dat is zeer duur. Ik ben bang dat het alle beschikbare ruimte in investeringen zal opslokken.’
Kestutis Kuizinas ziet ook geen grote voordelen: ‘Het is vooral een geldverhaal, een politieke vraag. De oud-burgemeester van Vilnius heeft dat project gewild. Ik ben er niet optimistisch over, ook niet pessimistisch. Wij hebben een tentoonstellingsbudget van dertigduizend dollar per jaar! Zij betalen zoveel meer. Er is hier geen traditie in private funding; het Guggenheim zou een nieuwe generatie sponsors met die kant van de kunstwereld bekend kunnen maken.’
Deimantas Narkevicius is positiever. Hij noemt Hadids ontwerp ‘een gevoelige, scherpe interventie’. Narkevicius: ‘Ik denk dat het heel positieve gevolgen gaat hebben. Het is een uitdaging om je met zo’n instelling en de kunst die er komt te meten. En het is een middel tegen xenofobie. Tegen de diepe achterdocht tegen de Russen, bijvoorbeeld, en hun Hermitage. Daar moeten we ook eens overheen raken.’

Nieuw werk van Deimantas Narkevicius, The Vincent Award, Stedelijk Museum Amsterdam, vanaf 20 juni. www.thevincentaward.eu
Vilnius 2009: www.culturelive.lt
National Gallery: www.ldm.lt
Tulips&Roses: www.tulipsandroses.lt
CAC: www.cac.lt