Economie

De banaliteit van de crisis

Wat is het effect van de Franse revolutie? Te vroeg om te zeggen, vond de Chinese premier Zhou Enlai in 1974. Het schijnt dat hij het eigenlijk over de studentenrevolte van 1968 had, niet over 1789 – maar de quote is sindsdien onweerstaanbaar. Iets dergelijks geldt in ieder geval ook voor de eurocrisis van 2010-2015. We zijn er nog lang niet mee klaar, te meer omdat volgens velen een volgende eurocrisis om de hoek ligt.

De Griekse economie, goed voor slechts een paar procent van de euro-economie, had in 2010 een staatsschuld die iets hoger bleek dan gedacht. Niet uitzonderlijk hoog, en niet dramatisch veel hoger dan in lidstaten zoals Italië of België het geval was. Dit aanvankelijk onbeduidende probleem bracht het europroject aan de rand van de afgrond. Hoe kon dat gebeuren?

Er zijn grofweg twee verklaringen. Eén: de ’zuidelijke’ eurolanden vierden een onverantwoord feestje op de pof. Twee: dankzij de marktliberalisering vanwege de euro-introductie kon Big Finance de lidstaten vol schulden en bubbels pompen. De correcte verklaring doet ertoe, want de oplossing die eruit volgt is ofwel: bind lidstaten aan strenge regels, ofwel: disciplineer de grootbanken.

Jens van ’t Klooster, die binnenkort op de Universiteit Groningen aan mijn faculteit promoveert, werpt in zijn onderzoek nu een nieuw licht op de crisis, ondersteund door uitgebreid bronnenonderzoek en gesprekken met sleutelfiguren binnen de ECB. Het was de zelfverkozen tucht van de markt die de crisis uit de hand deed lopen. Toen ‘de markt’ (lees: de rating agencies) eenmaal de staatsobligaties van Griekenland, Ierland en Spanje begon te wantrouwen, volgde de ECB die inschatting. Die landen moesten daarom hogere rentes betalen en hun banken konden de obligaties minder goed gebruiken als onderpand voor ECB-krediet. Ze kwamen in de moeilijkheden, en daarmee was de eurocrisis een feit. Pas toen ECB-president Mario Draghi in 2012 liet weten toch zo veel obligaties te zullen accepteren als onderpand, als dat nodig was om de euro overeind te houden – de beroemde whatever it takes-uitspraak – pas toen kwam er een einde aan de acute crisisfase en werd de weg naar herstel gevonden.

De crisis was dus made in Germany – om precies te zijn, in het imposante ECB-kantoor in Frankfurt. Het was de beslissing van de ECB (in 2005) dat de rating agencies leidend waren, die de ellende veroorzaakte, zo ontdekte Van ’t Klooster. In 1997 had de ECB zich intern nog expliciet het recht voorbehouden om hiervan af te wijken. Dat kan dus, en het moet ook, zoals ook Draghi’s latere uitspraak weer liet zien.

Plichtsgetrouwe ECB-bureaucraten stortten de euro in de afgrond

ECB-woordvoerders benadrukken altijd dat de Bank slechts haar mandaat uitvoert – alsof er geen keuzes te maken zijn. In werkelijkheid heeft ze veel bewegingsruimte. Toen het ertoe deed was de keuze ‘marktconform’ te werken – hetgeen helaas ook geheel conform de gemiddelde economie-opleiding is, waarin marktuitkomsten automatisch de beste zijn.

De waarheid kon dus weleens ontnuchterend zijn. Geen luie Grieken, geen kwade opzet, geen winstbejag, geen duistere lobby van Big Finance, maar de plichtsgetrouwe taakvervulling door mensen met een verkeerde opleiding stortte de euro in de afgrond. De ECB-bureaucraten deden precies wat ze jaren tevoren met zichzelf hadden afgesproken, nauwgezet en gewetensvol, zodat de euro bijna instortte. Het is de banaliteit van de crisis, in een variatie op Hannah Arendt. Een belangrijk inzicht.

Echter: hier past dezelfde kanttekening als bij Arendts beroemde conclusie. Stipte plichtsbetrachting op zich is niet het probleem. Het wordt pas gevaarlijk in een systeem waarin dat werkethos gedachteloos wordt ingezet, en waarin zelf nadenken en eigen verantwoordelijkheid nemen ontmoedigd worden.

Er zijn inderdaad weinig plekken waar zo’n ideeënarmoede heerst als binnen de ECB. Nergens is het angstvallig volgen en verdedigen van het beleid belangrijker. Fundamentele vragen over de noodzaak van de tucht van de markt blijven steevast buiten schot. De meer dan innige banden met de grote banken zouden daar best iets mee te maken kunnen hebben.

Er wordt veel gepraat over de noodzaak van cultuurverandering in banken, maar hoe zit dat eigenlijk in de Centrale Bank? Bureaucratie en de banaliteit van de crisis: het is de zoveelste ‘les uit de crisis’ – en vast niet de laatste.