De banenpartij

NOG GEEN drie procent van de Nederlandse kiesgerechtigden is lid van een politieke partij, maar om een flinke overheidsbaan te bemachtigen moet je wel een partijboekje op zak hebben. Dat begint te wringen.

‘Het wordt tijd dat we die politieke benoemingen los gaan laten’, zegt PvdA-kamerlid Peter Rehwinkel. Een wetsvoorstel kan hij niet indienen, want nergens in de wet staat dat burgemeesters, commissarissen der Koningin of voorzitters van belangrijke adviesclubs lid moeten zijn van een politieke partij. Maar het is wel de praktijk. Rehwinkel: 'We zouden als partijen samen moeten afspreken dat we ophouden die functies onderling te verdelen. Nu steeds minder mensen lid worden van partijen, kun je je afvragen of met de huidige rekrutering wel altijd de juiste mensen op de juiste plaatsen terechtkomen.’
EEN, LANG niet volledige, opsomming.
Vice-voorzitter van de Raad van State: PvdA-kopstuk Herman Tjeenk Willink. In de Raad van State zitten verder nog oude bekenden als Dick Dolman, Aad Kosto, Vos-Van Gortel, D66-senator Vis en Donner.
Voorzitter van de Algemene Rekenkamer: VVD-kopstuk Henk Koning. Geflankeerd door de bestuursleden Saskia Stuiveling (ex-staatssecretaris voor de PvdA), en Havermans (ex-burgemeester Den Haag, CDA).
Voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het regeringsbeleid: D66-kopstuk Michiel Scheltema.
Voorzitter van de Sociaal-Economische Raad: tot twee weken geleden PvdA-kopstuk Klaas de Vries, nu een vacature. Kroonlid van de SER zijn de CDA'ers Kolnaar, Lodders-Elfferich en Wellink (de laatste is tevens directeur van de Nederlandsche Bank), de PvdA'ers Halberstadt, Asscher-Vonk en Don (de laatste is tevens directeur van het Centraal Planbureau), de VVD'ers Linschoten en Rosenthal, en D66'ers Louise Groenman en Goudswaard.
Voorzitter van het Landelijk Instituut sociale verzekeringen: Flip Buurmeijer, prominent ex-PvdA-kamerlid.
Jarenlang was ex-PvdA-kamerlid Arie van der Hek voorzitter van de HBO-raad. Hij werd onlangs opgevolgd door ex-PvdA-kamerlid Frans Leijnse. Nog vers in het geheugen ligt de benoeming van Gerrit Jan Wolffensperger (ex-fractievoorzitter D66) tot voorzitter van de Raad van Bestuur van de NOS. Voorzitter van de Raad van Toezicht van de NOS is PvdA-coryfee Wim Meijer.
Het bekendste voorbeeld is natuurlijk het ex-bestuur van de CTSV, de Commissie Toezicht Sociale Verzekeringen, bestaande uit Dian van Leeuwen (VVD), Van Otterloo (PvdA) en Van Rooijen (CDA).
En dan hebben we het nog niet eens over burgemeesters en Commissarissen der Koningin.
'Wie tegenwoordig nog lid wordt van een politieke partij, doet dat omdat hij een politieke of ambtelijke functie ambieert’, zegt Joop van den Berg, ex-fractievoorzitter van de Eerste-Kamerfractie van de PvdA, nu voorzitter van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Ook hij vindt dat het anders moet: 'Er wordt bij benoemingen te veel in eigen kring gekeken. Men heeft niet-partijleden eenvoudig niet op het netvlies. En dat wordt een probleem nu de partijkring steeds kleiner wordt.’
Ooit, een jaar of dertig geleden, toen zo'n vijftien procent van de kiesgerechtigden lid was van een politieke partij, was het misschien logisch om bestuurders in de eerste plaats te zoeken in partijpolitieke kring. Daar zat de bestuurlijke ervaring en de maatschappelijke betrokkenheid. Maar opmerkelijk genoeg was juist tijdens de verzuiling het partijboekje minder belangrijk dan nu. Tot begin jaren vijftig kende Nederland bijvoorbeeld nog ministers-zonder-partij, en dat gold tot begin jaren zestig voor staatssecretarissen. Het ging om de vakinhoudelijke kennis en de levensbeschouwing, niet om het partijlidmaatschap. De CHU vond het niet erg om een niet-partijlid tot minister te benoemen, als-ie maar hervormd genoeg was. De gepolariseerde jaren zeventig brachten daar verandering in, steeds meer overheidsbenoemingen werden partijpolitieke benoemingen, tot het ambtelijk apparaat aan toe. Al die politiek benoemde functionarissen worden vervolgens geacht 'boven de partijen te staan’. In de cv’s van bijvoorbeeld de kroonleden van de SER staat dan ook niet van welke partij ze lid zijn. Het partijlidmaatschap doet immers niet ter zake.
HET KAN GEEN kwaad een onderscheid te maken tussen politieke benoemingen en benoemingen van oud-politici. Dat PvdA-coryfee Harry van den Bergh voorzitter werd van Veilig Verkeer Nederland is vast geen toeval, maar daarmee is het nog geen politieke benoeming. Sommige clubs willen nu eenmaal graag iemand 'die de weg kent in Den Haag’. En oud-politici moeten ook wat te doen hebben. Het is pas een politieke benoeming als voor een functie een partijlidmaatschap is vereist (hoe impliciet ook) en als partijen actief proberen posities binnen te halen.
Vergeleken met de rest van West-Europa valt het in Nederland erg mee, relativeert de politicoloog Ruud Koole. Nederland is het land met het laagste percentage politieke benoemingen. Koole: 'In Oostenrijk heb je zelfs als kleuterjuf een partijboekje nodig om aan een baan te komen. In Nederland geldt het alleen voor de allerhoogste ambtelijke functies.’
Geen wonder dat zo weinig mensen nog lid worden van een politieke partij. Koole: 'Over die lage partijpolitieke organisatiegraad in Nederland wordt veel gemopperd, maar je zou het ook een teken van beschaving kunnen noemen. In veel landen moet je partijlid zijn om maatschappelijk vooruit te komen, logisch dus dat daar de ledentallen hoger zijn.’
Opmerkelijk is wel dat in Nederland juist binnen het ambtelijk apparaat het partijlidmaatschap belangrijker wordt. Een verklaring is snel gevonden: het ambtelijk apparaat wordt steeds machtiger, dus is het niet onlogisch dat ministers enige grip proberen te houden op hun amtenaren door in de hoogste regionen een paar partijgenoten te benoemen. Maar zo simpel is het niet. Want de D66- en VVD-ministers Borst, Wijers, Dijkstal en Jorritsma benoemden tijdens hun ministerschap allemaal een PvdA'er als secretaris-generaal (Van Wijnbergen op Economische Zaken, Bekker op Volksgezondheid, Wim Kuijken op Binnenlandse Zaken, Ralf Pans op Verkeer en Waterstaat). Daarmee zijn zeven van de dertien secretarissen-generaal PvdA'er (één is lid van D66, één van GroenLinks, twee van het CDA en twee zijn partijloos).
Vanwaar die PvdA-overmacht? 'Misschien zijn dat op het moment gewoon de meest deskundige mensen’, suggereert PvdA'er en VNG-voorzitter Joop van den Berg. Of zouden de betreffende ministers via hun PvdA-secretaris-generaal wat makkelijker toegang hebben tot Wim Kok? Van den Berg: 'Dat is zeker een prettig neveneffect.’
Het toeval wil dat ten tijde van Lubbers vrijwel alle secretarissen-generaal CDA'er waren. We moeten het partijlidmaatschap van ambtenaren niet te serieus nemen, zegt Van den Berg. 'Er zijn er genoeg die even lid worden op het moment dat het voor hun carrière van belang is. Er zijn ambtenaren die zelfs per stap in hun carrière bepalen bij welke partij ze moeten zijn.’ Nee, namen noemt hij niet.
VORIG JAAR TURFDEN de Leidse bestuurskundigen Uri Rosenthal en Jouke de Vries hoe de topbanen binnen de overheid verdeeld zijn over de partijen. Burgemeesters, commissarissen der Koningin, voorzitters van hoge adviesorganen, topambtenaren. Conclusie: de Partij van de Arbeid is ver overbedeeld en heeft daarmee de positie van het CDA overgenomen. De VVD is sterk onderbedeeld. Uri Rosenthal, zelf prominent VVD-lid, kreeg onmiddellijk het verwijt dat het hem slechts te doen was om het partijbelang. Maar dat kan van De Vries niet gezegd worden, die is PvdA-lid. De Vries heeft een paar mogelijke verklaringen voor het PvdA-overwicht: 'Misschien gaat het om zelfselectie: progressieve mensen zijn nu eenmaal meer geïnteresseerd in de publieke dienst. Misschien gaat het om opschuivende cohorten: de generatie die nu aan de beurt is voor een topfunctie, is in een linkse tijd groot geworden en dus ooit lid geworden van de PvdA.’
Het lidmaatschap van de PvdA is bij sommigen ook meer een erfenis uit het verleden. De Vries: 'Misschien moet je bij de secretarissen-generaal ook niet zozeer spreken van een PvdA-dominantie, maar van een paarse dominantie. Want die PvdA-ers hangen allemaal het neoliberale gedachtengoed aan. En het kan voor een liberale minister natuurlijk heel handig zijn om een liberaal denkende topambtenaar te hebben met een netwerk in de PvdA.’
De Vries kijkt met spanning uit naar de benoemingen die de komende maanden op stapel staan. Wie wordt burgemeester van Leeuwarden, SER-voorzitter, commissaris der Koningin van Friesland, burgemeester van Rotterdam, voorzitter van het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam? De Vries: 'Als Paars daar weer alleen maar mensen van de eigen kleur benoemt, heeft ze bewezen geen haar beter te zijn dan het CDA.’
ZO MOET JE helemaal niet denken, vindt collegabestuurskundige Frits van der Meer. Waar Rosenthal en De Vries de buit eerlijker willen verdelen, vindt Van der Meer dat het partijlidmaatschap er helemaal niet toe mag doen. Want voor je het weet worden ambtenaren dan zelfstandige politieke actoren, en dat gaat ten koste van het primaat van de politiek. Bovendien is het partijlidmaatschap een oneigenlijk selectiemechanisme. Binnen het hogere ambtenarenkorps is ongeveer de helft lid van een partij, maar in de top is het bijna honderd procent. Van der Meer: 'Theoretisch is het mogelijk dat mensen nog gauw even lid worden voor ze een topfunctie krijgen, maar waarschijnlijker is dat ambtenaren die partijlid zijn, een veel grotere kans maken op een topfunctie.’ Zo staat de legitimiteit van het overheidsapparaat op het spel: 'Het líjkt eerlijk om functies over het partijpolitieke spectrum te verdelen. Maar voor je het weet ontstaan Belgische toestanden, waarbij niet de kundigheid, maar de partijkleur de doorslag geeft bij een benoeming.’
Er is wel een probleem. Als de politieke kleur er niet toe doet, betekent dat al gauw dat je ambtenaren eigenlijk moet verbieden lid te zijn van een partij. Want zodra dat lidmaatschap bekend wordt, kán het bijna niet anders of partijen gaan turven wie waar benoemd is - en dan zijn politieke benoemingen een feit. Maar niemand is er vóór om ambtenaren of bestuurders te verbieden lid te worden van een partij.
De partijen houden elkaar gevangen, meent Rehwinkel. 'Als de ene partij vasthoudt aan het burgemeesterschap van gemeente X, wil de andere partij gemeente Y hebben. Zonder afspraken kom je er dus niet.’
Het experiment met de 'een beetje gekozen burgemeester’, kan het begin zijn van verandering, want daardoor maken niet-partijbonzen meer kans om ertussen te komen. Ook ligt er een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer om wethouders voortaan van buiten de gemeenteraad te kunnen benoemen. Maar het is de vraag of gemeenteraadsleden het wethouderspluche vaak aan zich voorbij zullen laten gaan ten faveure van iemand 'van buiten’.
EX-BURGEMEESTER Ed. van Thijn zei het vorig jaar al bij het aanvaarden van de Den Uylleerstoel: de functies van burgemeester, commissaris van de Koningin of voorzitter van een adviesclub moeten niet langer op voorhand voor partijmensen bestemd zijn. Van Thijn nu: 'Ga op zoek naar mensen uit de civil society, uit niet-gouvernementele organisaties. Daar zitten langzamerhand zeer goede bestuurders.’ Zijn voorstel geldt ook voor politieke functies zoals wethouders en kamerleden. 'Ook daarvoor kun je heel goed mensen aantrekken van buiten de partijen. Laat ze maar een tijdelijk contract aangaan met een partij. uist met het huidige systeem dreigt technocratisering en bureaucratisering, doordat iedereen afkomstig is uit hetzelfde wereldje. En je ondergraaft de kwaliteit van de overheid doordat lang niet altijd de beste mensen benoemd worden. Ik weet zeker dat er in maatschappelijke bewegingen minstens zulke politiek bewogen mensen rondlopen als binnen partijen.’