De bank van lening

Een onmisbare voorziening voor de armlastigen van toen en nu. Hoewel, armlastig? Tijdens de Golfoorlog beleende een sjeik er zijn sieraden. Hij ging met 1,4 miljoen de deur uit. Hoe rijk is de lommerd, hoe arm haar klanten?
Met dank aan Frans Smits die inzage verleende in zijn dissertatie over de sociale geschiedenis van Amsterdam rond de eeuwwisseling.
‘BLOEDHOND, gierigaard! Tiran!/ Pandjesbaas! Duiv'lenaas!/ Wees gevloekt door d'armen drommel,/ Die bij u heeft staan zijn rommel;/ Hulp van ’t walletje in de sloot!/ Wees gevloekt tot aan uw dood.’
Met deze en nog veel meer woorden van gelijke strekking fulmineerde publicist Gerh. Thom. Mohrman in 1854 tegen de rentetarieven van de gemeentelijke Bank van Lening. Terwijl die een schijntje waren vergeleken met de tarieven die particuliere woekeraars hanteerden.

Al eeuwen lenen mensen geld in ruil voor onderpanden, en al eeuwen wordt tegen het heffen van rente op deze panden geageerd. Ondanks het canoniek verbod van paus Leo op het innen van rente op uitgeleende gelden, was de bank van Lening te Rome onder paus Pius IV en later onder Sixtus V de rijkste van alle. Het waren dan ook Italianen die het gebruik in Nederland introduceerden. In de dertiende eeuw werden ze nog Cawarsini of Coarsini genoemd, naar de beruchte Italiaanse woekeraarsclan, maar in de veertiende en vijftiende eeuw heetten ze gewoon Lomberden of Lombarden. Aan het begin van de zeventiende eeuw waren ze op elke Amsterdamse straathoek te vinden, woekeraars die soms een rente van 83 procent vroegen.
Het laat zich raden dat de Lombarden met hun ‘quade practijcken’ niet geliefd waren, maar men kon hun diensten niet missen. Daarom richtte de Amsterdamse Vroedschap in 1614 een 'Huijs van Leeninge’ op 'tot soulagement der Armen ende weringe van alle andere onbehoorlijcke woeckerijen’. Op de inmiddels uitgesleten treden van de 'stoep der schande’ stonden niet alleen armlastigen. Mensen van stand die zich schaamden om gezien te worden, lieten via tussenpersonen hun zilverwerk in de 'Zilverkamer’ van het pandjeshuis opslaan. De Westindische Compagnie leende er 150.000 gulden. Willem van Oranje haalde er geld om z'n veldslagen tegen de Spanjaarden mee te bekostigen, en ook Anna van Oostenrijk, Johan Mauritz van Nassau en Edward III van Engeland komen in de boeken voor. De functie van de banken van lening was ten tijde van het opkomend kapitalisme belangrijker voor de economie dan voor de minvermogenden die tijdelijk in geldnood zaten.
Maar ook nu worden nog grote zaken gedaan. Zo diende zich ten tijde van de Golfoorlog een sjeik uit Saoedi-Arabie aan. De man kon door de oorlog niet bij zijn geld in Koeweit komen. Na inlevering van zijn familieschat liep hij met 1,4 miljoen gulden de deur uit.
DE BANK VAN LENING noch enig verbod heeft ooit een einde kunnen maken aan de woekerpraktijken van particuliere kredietverleners. Pas in de jaren zestig, toen door de gestegen welvaart de strijd om de gunst van de kredietnemer losbarstte, verloren de woekeraars terrein. Maar volgens Marga Aandewiel, sociaal raadsvrouwe in de Pijp en werkzaam als 'brandblusser’ voor mensen met acute schuldproblemen, zijn ze er nog steeds. Alleen heten ze nu Neckermann, Otto of Wehkamp. Het gemeentelijk pandjeshuis bood wel een alternatief voor de gehate Lombarden.
Desondanks bezocht een groot deel van het publiek in de eerste helft van deze eeuw toch liever particuliere 'verkoophuizen’. Je kon er makkelijker onopvallend binnen lopen, ze hadden flexibeler openingstijden en hun voorschotpercentages leken hoger dan bij de Bank van Lening. Bovendien werd men liever geholpen door iemand 'van gelijke slag’ dan door de formele ambtenaren van de gemeentelijke bank. Dat ze twee- tot achttienhonderd procent rente per jaar vroegen, drong vermoedelijk niet tot ze klanten door.
'Tot behulp voor den noodt druftigen is hier gestelt/ de BANK VAN LEENINGE voor een cleyn gelt’ staat nog steeds op een gevelsteen boven de voormalige ingang in de Enge Lommerdsteeg. Maar dat hield niet in dat de bank geen winst mocht maken. De gedachte aan een liefdadigheidsinstelling kwam bij de oprichters niet eens in het hoofd op. De discussie of deze twee beginselen verenigbaar waren, loopt als een rode draad door de geschiedenis heen.
In 1826 bepaalde koning Willem I dat de Openbare Banken van Lening moesten dienen als charitatieve instelling en niet langer de gemeentekas mochten spekken. Het stadsbestuur behandelde het koninklijk besluit op dezelfde manier als de vele nota’s en rapporten die in de loop van de negentiende eeuw over dit onderwerp het daglicht zagen: men nam het voor kennis aan.
Rond de eeuwwisseling ontving het college van B&W steeds vaker smeekbedes van instellingen en de opkomende arbeidersbeweging om renteverlaging of zelfs kwijtschelding, en om teruggave van verpande kleding, dekens of gereedschappen tijdens de strenge wintermaanden. De armenbezoekers van het Burgerlijk Armbestuur en het genootschap Liefdadigheid naar Vermogen beschreven erbarmelijke taferelen. Zo trof de armenbezoeker die de werkloze schippersknecht Evert Agema opzocht een wanhopige man die huilend door zijn kamer liep. Everts pogingen om zich uit de ellende op te werken, liepen steevast stuk. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat scharrelde de oppassende huisvader op de Handelskade rond om te kijken of er niet wat te verdienen viel. Als hij na zo'n dag thuis kwam, wachtte hem daar een bedroevend tafereel: 'De kinderen smagtende of vader iets verdiend heeft, want ze hebben zoo'n honger. Huisraad, kleding, dekens, zelfs het bed van de kinderen waren naar de Bank van Lening gebracht. Zijn vrouw Aaltje, die na de bevalling van een dood kind ernstig ziek was geweest, kwijnde door gebrek aan voedsel weg. Zij had geen schoenen of pantoffels meer om te dragen.’
Volgens de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen was de gemeentelijke Bank van Lening feitelijk een bedrijf waarmee de gemeente haar kas spekte. En uiteraard lieten ook de communisten van zich horen. In 1918 hield raadslid David Wijnkoop een vlammend betoog tegen plannen om de tarieven van de bank te verhogen. Volgens hem ademde het voorstel een geest van schijnheiligheid, het vel werd de armsten over de oren gehaald, de opstellers van de tariefsverhoging waren kapitalistische farizeeers. Partijblad De Tribune ging nog verder: 'Geen enkele maatregel zal in staat zijn de doodelijke stank te bedwingen die uit de Stads Bank van Lening en natuurlijk ook de particuliere pandjeshuizen opstijgt. Het is de stank van de in ontbinding verkerende, burgerlijke kapitalistische samenleving.’
IN 1901 SCHATTE de directeur van de bank het percentage beleende panden van behoeftige burgers op zestig procent. Menig arbeider bracht er ’s maandags zijn zondagse pak om dat op zaterdagavond weer op te halen. Toch was de bank voor echte armen als de oppassende schippersknecht Evert Agema van geringe betekenis - zij bezaten immers niet veel om te verpanden. De Bank van Lening was slechts een station dat men passeerde op weg naar het Armenhuis.
Ook nu biedt de bank weinig soelaas voor wie echt aan de grond zit. Onder het huidige personeel van de bank circuleert al jaren een verhaal over een bijstandsmoeder die ter plekke haar kind van zijn fietsje afrukte om het ding te belenen en het vervolgens nooit meer op te halen. Dit aandoenlijke verhaal zou niet zo lang meegaan als het dagelijkse praktijk was. Sociaal raadsvrouw Marga Aandewiel heeft het afgelopen jaar op haar kantoortje in de Pijp slechts twee keer te maken gehad met clienten die een nog niet afgelost pand bij de bank hadden liggen.
Ondanks alle concurrerende vormen van krediet lopen de zaken als een trein. In het jaarverslag van 1994 wordt met trots vermeld dat er ruim 244.000 transacties plaatsvonden, goed voor een omzet van bijna 106 miljoen gulden. Het merendeel van de panden zijn sieraden, het merendeel van de clientele betreft allochtonen. De mensen die na de onafhankelijkheidsverklaring van Soekarno naar Nederland kwamen, en ook de Italianen, Spanjaarden en Turken, kenden het pandjeshuis al uit hun land van herkomst. Bovendien zijn zij gewend om hun geld te beleggen in goud en zilver. De kersverse pr-medewerker, die de strijd heeft aangebonden met de in zijn ogen negatieve benamingen 'Ome Jan’ en 'Lommerd’, presenteert de bank als een 'eigentijds voorbeeld van multiculturele dienstverlening’.
DE BANK VAN LENING heeft, in vergelijking met alle andere gemeentelijke instellingen, altijd een vrij onafhankelijke positie ingenomen. Maar sinds drs. Hans Slootweg daar de scepter zwaait, lijkt de instelling zich eindelijk aan te passen. Het voormalige hoofd van de inmiddels opgeheven efficiency-afdeling van de gemeente haalt de bezem door de zaak. In 1994 werden diverse externe adviseurs ingeschakeld, voor de automatisering, de marketing, de beveiliging, en het maken van functie-omschrijvingen. De 62 koppen tellende organisatie kreeg een heuse personeelsafdeling en -organisatie. Voor het eerst sinds bijna vier eeuwen geldt voor de bank hetzelfde personeelsbeleid als voor de rest van de gemeentelijke diensten. Hetgeen ongetwijfeld betekent dat het relatief hoge aantal bloedverwanten binnen de organisatie zal dalen.
In 1993 haalde de gemeenteraad ter aanvulling van een begrotingstekort twaalf miljoen gulden uit de door de eeuwen heen opgebouwde reserves van de bank. Tegelijkertijd werd het percentage van de winst dat jaarlijks naar de gemeentekas vloeit, voor dat jaar vastgesteld op vijftig procent. De bank kon het lijden, zei toenmalig directeur De Waal. Het exploitatieresultaat over 1993 bedroeg bijna vijf ton. Maar toen zijn opvolger Slootweg vol trots het jaarverslag van 1993 presenteerde, fronsten de leden van de Commissie van Bijstand de wenkbrauwen. Het was niet de bedoeling dat de bank zoveel winst zou maken, tenslotte had de bank een sociale functie.
Omwille van het sociale gezicht hebben vage plannen om een aantal verliesgevende activiteiten, zoals het belenen van panden voor een bedrag onder de vijftig gulden, op te heffen ook nooit doorgang gevonden. Opdat de Evert Agema’s van deze tijd er ook nog langs kunnen. Bovendien kan de bank dat verlies ook wel lijden. In 1994 behaalde de bank een voordelig resultaat van 2,6 miljoen gulden op een omzet van 106 miljoen. Een deel daarvan is gereserveerd voor de bank zelf, want de organisatie is niet meegegroeid met de stijgende omzet. De kwaliteit en inrichting van de gebouwen en de omvang van het personeelsbestand laten te wensen over. Het sieradenwinkeltje in de Bijlmer is uit zijn voegen gegroeid, het filiaal op de Leidse Kruisstraat wordt verbouwd, en de schamele bank op de Lindengracht is ook hard aan renovatie toe.
Maar na aftrek van dergelijke investeringen bleef nog zo'n 1,2 miljoen gulden over. Dat de leden van de Commissie van Bijstand na lezing van het jaarverslag 1994 niet nogmaals hun wenkbrauwen fronsten, is een raadsel. Of zou dat te maken hebben met het feit dat het percentage van de winst dat de bank over dat jaar afdroeg aan de gemeentekas was vastgesteld op zestig procent?