© Pavel Constantin / Cagle

Schrijvers hebben de tekortkomingen van het liberalisme op verschillende manieren geïnterpreteerd, maar waar het om gaat, is het liberalisme te veranderen. Net als de drietand van Neptunus zal een vernieuwd liberalisme uit drie onderdelen moeten bestaan. Het eerste is de verdediging van traditionele liberale waarden en instellingen, zoals de vrijheid van meningsuiting en een onafhankelijke rechterlijke macht, tegen bedreigingen – zowel van de kant van populisten als van regelrecht autoritaire types.

Het tweede is het aanpakken van de grote tekortkomingen van wat de afgelopen dertig jaar voor liberalisme is doorgegaan – een eendimensionaal economisch liberalisme, en in het slechtste geval een dogmatisch marktfundamentalisme dat al even weinig greep had op de menselijke werkelijkheid als de dogma’s van het dialectisch materialisme of de pauselijke onfeilbaarheid. Deze tekortkomingen hebben miljoenen kiezers in de armen van de populisten gedreven. We moeten dus hard zijn tegen het populisme, maar even hard in ons oordeel over de oorzaken van het populisme. Het derde onderdeel vergt dat wij met liberale middelen het hoofd bieden aan de ontzaglijke mondiale problemen van ons tijdperk, zoals de klimaatverandering, pandemieën en de opkomst van China. Ons nieuwe liberalisme moet dus zowel naar achteren als naar voren kijken, naar binnen en naar buiten.

De liberale waarden en instellingen die wij, als eerste onderdeel van de drietand, moeten verdedigen, zijn welbekend en staan centraal in ieder liberalisme dat die naam waardig is. Dit is een dagelijkse strijd in landen als Polen en India. De barbaarse onthoofding van een Franse leraar net buiten Parijs herinnert ons eraan dat zelfs in de oudste liberale samenlevingen de vrijheid van meningsuiting niet alleen moet opboksen tegen het veto van de schreeuwers, maar nu ook zelfs tegen dat van de moordenaars. Het populisme verafschuwt het pluralisme, dus onze pluralistische, anti-majoritaire instellingen moeten worden versterkt, samen met diverse, onafhankelijke media en een sterk maatschappelijk middenveld. De weigering van Trump om zijn verkiezingsnederlaag toe te geven en de poging van Boris Johnson in 2019 om het parlement terzijde te schuiven tonen aan dat we niet meer zoals in het verleden kunnen vertrouwen op een vorm van zelfbeheersing die is ingebed in wat Alexis de Tocqueville moeurs noemde: conventies, gewoonten en goede manieren.

Het liberalisme is, in de verhelderende formulering van Judith Shklar, een ʻtraditie van tradities’. Er is een uitgebreide familie van historische praktijken, ideologische clusters en filosofische geschriften die met recht liberaal genoemd kan worden. Alle leden van deze familie delen een verplichting aan de individuele vrijheid. Zoals John Gray heeft betoogd, omvat het liberalisme daarnaast ook elementen van individualisme, meliorisme, egalitarisme en universalisme. Deze ingrediënten komen in sterk uiteenlopende definities, verhoudingen en combinaties voor. Sinds de jaren dertig van de vorige eeuw wordt het woord ʻliberaal’ in ruimere zin gebruikt als bijvoeglijk naamwoord, in de samenstelling ʻliberale democratie’ en verwante formuleringen als ʻliberale samenlevingen’, ʻliberale wereld’ en ʻliberale internationale orde’.

In deze met een kleine letter l geschreven vorm beschrijft het woord wat liberale democratieën, te beginnen met die in het hart van het moderne trans-Atlantische Westen, onderscheidt van totalitaire regimes zoals nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie, en vervolgens van autoritaire regimes helemaal tot en met het China van Xi Jinping. Net zoals de taal die door de Engelsen wordt gesproken de vreemde ervaring had een dialect van zichzelf te zijn geworden toen het Engels een wereldtaal werd, is het met een grote L geschreven liberalisme van liberale partijen een dialect geworden van een bredere politieke taal die ook wordt gesproken door liberale conservatieven, liberale katholieken, liberale socialisten en liberale communitaristen.

Dat helpt. Want de ingrijpende veranderingen die nodig zijn om de grondslagen van liberale samenlevingen te vernieuwen, zullen een consequente toepassing vereisen die het bereik van iedere afzonderlijke groepering te boven gaat. In een liberale democratie kan het niet zo zijn dat één partij, zelfs niet als die geheel bestaat uit de meest onberispelijk liberale Liberalen met een grote L, voortdurend de baas blijft. Een liberale eenpartijstaat is een contradictio in terminis. Liberale vernieuwing vergt dus een zekere mate van consensus tussen de partijen, zoals die er was toen de christen-democraten na 1945 de welvaartsstaten van West-Europa hielpen opbouwen.

Maar het liberalisme verafschuwt ook het idee dat iedereen het met elkaar eens moet zijn, omdat dit de cruciale ideeënstrijd zou elimineren. Het hedendaagse Westen biedt voorbeelden van de twee tegengestelde gevaren: in de hypergepolariseerde Verenigde Staten is er te weinig consensus; in Duitsland is er aantoonbaar te veel van geweest. Zoals Goudlokje wilde dat haar pap niet te warm maar ook niet te koud was, zo hebben wij een evenwicht nodig tussen noodzakelijke consensus en al even noodzakelijk conflict.

Hadden we maar geluisterd naar Pierre Hassner. Al in 1991 waarschuwde deze briljante, in Roemenië geboren Franse politiek filosoof dat, hoezeer wij ook de triomf van de vrijheid aan het einde van de Koude Oorlog moesten vieren, wij niet mochten vergeten dat de mensheid niet leeft van vrijheid en universaliteit alleen. De aspiraties die tot nationalisme en socialisme hadden geleid, zouden zeker terugkeren, zo voorspelde hij, en hij noemde ze vervolgens bij naam: het verlangen naar gemeenschap en identiteit enerzijds, en naar gelijkheid en solidariteit anderzijds.

Op grond van Hassners twee vooruitziende koppelingen kunnen we zowel een diagnose stellen van wat er mis is gegaan in veel liberale democratieën als een groot deel van de daaruit voortvloeiende remedie destilleren. Gemeenschap en identiteit zijn waarden (en menselijke behoeften) die in het conservatieve denken vaak worden benadrukt, terwijl de socialistische traditie bijzondere aandacht heeft geschonken aan gelijkheid en solidariteit.

Laten we beginnen met gelijkheid en solidariteit. Het is een gemeenplaats dat we in veel ontwikkelde samenlevingen een dramatische toename van de ongelijkheid hebben gezien. De groeiende kloof in levenskansen begint bij het leven zelf. In een lommerrijke uithoek van Londen, Richmond upon Thames, kan een man van 65 gemiddeld nog 13,7 jaar in goede gezondheid leven; dat is meer dan twee keer zo lang als de slechts 6,4 jaar die zijn evenknie aan het andere eind van dezelfde stad, in Newham, mag verwachten. Sinds de jaren negentig is het sterftecijfer van witte mannen met een bachelordiploma tussen de 45 en 54 jaar in de VS met veertig procent gedaald, maar voor witte mannen zonder bachelordiploma in dezelfde leeftijdsgroep met 25 procent gestegen. Je kunt niet vrij zijn als je dood bent.

Om de ongelijkheid van levenskansen te verminderen, moeten liberalen gelijktijdig meerdere ongelijkheden aanpakken: zonder meer die van rijkdom, gezondheidszorg, onderwijs en geografie, maar ook die tussen de generaties, en tevens minder zichtbare ongelijkheden, zoals die van macht en aandacht.

Het liberalisme verafschuwt het idee dat iedereen het met elkaar eens moet zijn

Een liberale benadering begint niet bij het plafond, maar bij wat Ralf Dahrendorf de ʻgemeenschappelijke vloer’ heeft genoemd, van waaraf iedereen dankzij zijn eigen energie en capaciteiten even hoog kan opklimmen als iemand wiens leven begint in het penthouse op de bovenste verdieping. Maatregelen die hiertoe zouden kunnen bijdragen zijn onder meer een negatieve inkomstenbelasting (zoals lang geleden voorgesteld door Milton Friedman); een universeel basisinkomen (gesteund door maar liefst 71 procent van de Europeanen in een enquête die werd opgezet door mijn onderzoeksteam aan de Universiteit van Oxford); een universeel door de belastingbetaler gefinancierd minimumerfgoed (bijzonder wenselijk waar, zoals in Groot-Brittannië en Amerika, de verschillen steeds meer het gevolg zijn van geaccumuleerde rijkdom en niet zozeer van de huidige inkomens), en universele basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg, huisvesting en sociale zekerheid.

Een cruciale kans om omhoog te komen wordt geboden door het onderwijs. De uitbreiding van het universitair onderwijs was door liberalen uit het midden van de twintigste eeuw bedoeld om de levenskansen en de sociale mobiliteit te vergroten, maar nu lijken de grote Amerikaanse universiteiten steeds meer op een middel voor de bestaande elites om hun machtspositie te bestendigen. Toonaangevende Amerikaanse universiteiten laten regelmatig meer studenten toe uit de bovenste één procent van de huishoudens (op basis van inkomen) dan uit de onderste zestig procent. The Economist heeft de term ʻerfelijke meritocratie’ bedacht om deze zichzelf in stand houdende nieuwe klasse te beschrijven.

© Pavel Constantin / Cagle

Naast onderwijs is er een breder cultureel probleem dat kan worden omschreven als ongelijke waardering. Mensen zonder hogere opleiding, die vaak in vervallen voormalige industriesteden wonen, voelen zich verwaarloosd, geminacht of genegeerd door degenen die door de populisten als ʻliberale elites’ aan de schandpaal worden genageld. Diep cultureel ressentiment kan zelfs worden aangetroffen op plekken waar, zoals in Oost-Duitsland, niet eens zozeer sprake is van acute materiële ontberingen. De rechtsfilosoof Ronald Dworkin stelde dat een liberale politieke gemeenschap ʻgelijk respect en gelijke zorg’ moet tonen voor al haar leden. Kunnen wij, grootstedelijke liberalen, in alle eerlijkheid zeggen dat wij in de decennia na 1989 evenveel respect en zorg hebben betoond voor de mensen in de Amerikaanse rustbelt, of in de verwaarloosde gemeenschappen van Noord-Engeland?

Lokaliteit is net zo belangrijk voor het liberalisme als voor het conservatisme. Denk aan het credo van Thomas Jefferson: ʻDivide the counties into wards’ (ʻVerdeel de provincies in districten’). Een liberaal antwoord op de Brexit-slogan ʻTake Back Control’ is om mensen meer zeggenschap te geven op het laagst mogelijke bestuursniveau, en de overcentralisatie die kenmerkend is voor het Verenigd Koninkrijk in het algemeen, en voor Engeland in het bijzonder, terug te draaien.

Een blijvende verandering in attitudes is even essentieel als een blijvende verandering op het gebied van het beleid. De Poolse populisten hebben geen ongelijk als zij spreken over de noodzaak van een ʻherverdeling van respect’. In de eerste maanden van de pandemie hebben we zoiets gezien, toen niet alleen artsen en verpleegkundigen, maar ook het personeel van verzorgingstehuizen, ambulancemedewerkers, bezorgers en vuilnisophalers door politici plotseling als ʻhelden’ werden geprezen. Toch lijkt dit nu weer te zijn vervaagd.

Het technocratische liberalisme van de afgelopen decennia ontbeerde op spectaculaire wijze één essentieel ingrediënt: dat van de liberale verbeelding. Martha Nussbaum heeft geschreven over de ʻnieuwsgierige en sympathieke’ verbeelding die groot genoeg is om ʻmenselijkheid in vreemde kledij te herkennen’. Een dergelijke verbeeldingsvolle sympathie is het sterkst aanwezig in het werk van dichters en romanschrijvers. In haar boek Bleak Liberalism verwijst Amanda Anderson naar Charles Dickens’ ontroerende overpeinzing in Bleak House, over de dood van de ongeletterde straatveger Jo: ‘Om opgejaagd, verdrongen en geduwd te worden; en om werkelijk het gevoel te hebben dat het volkomen waar lijkt te zijn dat ik hier, daar, of waar dan ook niets te zoeken heb; en om toch verbijsterd te zijn door de overweging dat ik hier op de een of andere manier toch ben, en dat iedereen mij over het hoofd heeft gezien totdat ik het schepsel werd dat ik nu belichaam!’

O, was er vandaag de dag maar een pen als die van Dickens, die bankiers aan het denken zou zetten als ze met hun dure leren schoenen over de daklozen stappen die ineengedoken bij de ingang van hun bank zitten, en, ja, ook hoogleraren met een vaste aanstelling, op weg naar hun rijk bedeelde universiteit.

De burgerlijke deugd die zo’n verbeeldingsvolle sympathie onderbouwt is solidariteit, een ideaal dat links al sinds mensenheugenis op zijn vaandels schildert, maar ook een waarde die veel conservatieven koesteren, omdat zij die ontlenen aan de christelijke sociale leer. De twee tradities van het denken over solidariteit, van links en van rechts, hebben elkaar ontmoet en zich met elkaar vermengd in de jaren tachtig, in de Poolse nationale bevrijdingsbeweging Solidariteit. Liberalen moeten zich aansluiten bij zowel conservatieven als socialisten, en de waarde van solidariteit van ganser harte omarmen. En we moeten begrijpen dat de subjectieve, culturele en emotionele aspecten ervan even belangrijk zijn als de meer objectieve, sociale en economische. Alleen de combinatie hiervan zal een echte ʻgemeenschappelijke bodem’ creëren.

Wantrouwen jegens machtsconcentraties is een wezenlijk bestanddeel van het liberalisme. Onze hele samenleving wordt gekenmerkt door de buitengewone macht van zeer rijke individuen en bedrijven, of het nu gaat om grote banken, energiebedrijven, media-imperia als die van Rupert Murdoch, of digitale reuzen als Amazon, Apple, Facebook en Google. Het perverse resultaat van het feit dat liberalen als de Clintons en Tony Blair deel zijn gaan uitmaken van de plutocratische oligarchie van de ʻDavos Man’ is dat het liberalisme zelf nu wordt gezien als de ideologie van de rijken, de gearriveerden en de machtigen. In zijn antiliberale polemiek Why Liberalism Failed gebruikt de katholieke conservatieve schrijver Patrick Deneen de nuttige en provocerende term ʻliberalocratie’.

Praktische maatregelen om deze ongelijkheden te bestrijden zouden kunnen bestaan uit het aanpakken van de biljoenen dollars die verborgen liggen in belastingparadijzen over de hele wereld; een vermogensbelasting; hogere en effectiever geïnde belastingen op digitale bedrijven als Facebook, en een grondbelasting, die de grote verdienste heeft dat ze niet alleen verticale maar ook horizontale (geografische) ongelijkheden aanpakt. We kunnen ook teruggrijpen op wat John Stuart Mill het meest interesseerde aan het socialisme: werknemers een belang geven in de bedrijven waar ze werken, en daardoor een groter gevoel van zinvol werk. Andere elementen van het ʻstakeholder-kapitalisme’ zouden kunnen helpen om de huidige eenzijdige fixatie op aandeelhouderswaarde in het Britse en Amerikaanse bedrijfsleven te corrigeren.

Een van de gevolgen van de mondialisering is dat de macht van het kapitaal ten opzichte van de arbeid in de ontwikkelde economieën is versterkt. De georganiseerde arbeid, een bijna vergeten verworvenheid van links, moet een ander deel van het antwoord zijn. Daarnaast hebben we een nieuwe generatie mededingingsbeleid nodig, in de VS beter bekend als antitrust. Bedrijven als Google en Facebook zijn bijna-monopolies op een ongekende schaal. Op dit punt zouden de aanhangers van Friedman en Hayek – als ze werkelijk trouw zijn aan hun principes – meer dan welke links-radicaal dan ook geïnteresseerd moeten zijn in het herstel van een echt concurrerende markt. En om duidelijk te zijn: goed gereguleerde markten blijven een onmisbaar onderdeel van de vrijheid.

In de laatste plaats moet er een omslag komen in het ethos, zowel onder de rijken zelf als in onze houding tegenover de rijken. In een lezing over ʻhet probleem van de vrijheid’, gehouden voor het internationale pen-congres van 1939, sprak Thomas Mann over de behoefte aan ʻeen vrijwillige zelfbeperking, een sociale zelfdiscipline van de vrijheid’. Waar is die sociale zelfdiscipline de laatste jaren gebleven? Toen de regering-Obama voorstelde de belasting op ʻcarried interest’ (een belangrijk onderdeel van de verdiensten van hedgefonds- en private equity-managers, maar belast tegen een lager tarief dan andere inkomsten) te verhogen, verklaarde Stephen Schwarzman, een van Amerika’s rijkste mensen: ʻDit is oorlog (…) het is net als toen Hitler Polen binnenviel in 1939.’ Dat is obsceen.

Politici (die geld nodig hebben voor de verkiezingsstrijd), ambtenaren (op zoek naar een baan na vervroegd pensioen), musea, orkesten, universiteiten, liefdadigheidsinstellingen en zelfs ngo’s die zich inzetten voor de mensenrechten moeten nu buigen voor de rijke Schwarzmans van deze wereld en lofliederen zingen over hun fantastische filantropie. Dickens beschrijft dit opnieuw beter dan wie ook in zijn verslag in Little Dorrit van hoe de beau monde van Londen zich vernedert voor de machtige financier Merdle. Ja, sommige rijke en machtige individuen, zoals George Soros, hebben echt ons respect verdiend. Maar over het algemeen hebben we inderdaad een ʻherverdeling van respect’ nodig: minder voor bankier Merdle, meer voor straatveger Jo.

© Pavel Constantin / Cagle
De Poolse populisten hebben geen ongelijk als zij spreken over de noodzaak van een ʻherverdeling van respect’

Dit brengt ons bij het tweede paar waarden van Hassner dat liberalen dreigen te vergeten: gemeenschap en identiteit.

Wij kosmopolitische liberalen spraken de afgelopen decennia terecht veel over ʻde internationale gemeenschap’, maar veel minder over nationale gemeenschappen. Door ons te concentreren op het legitieme verlangen van diverse minderheden naar erkenning van hun complexe identiteiten beseften wij niet hoe degenen van wie de vroege multiculturalisten hadden aangenomen dat zij tot veilige meerderheden behoorden zich nu in toenemende mate onzeker en bedreigd begonnen te voelen in hun eigen identiteit. Dit zette de deur open voor de ʻwitte identiteitspolitiek’. Het minderheidsgevoel van een meerderheid werd nog versterkt door de epistocratische minachting van de liberale elites voor de helft van de samenleving zonder hogere opleiding, vooral wanneer die andere helft simplistische en politiek incorrecte standpunten verkondigde – zie Hillary Clintons beruchte, neerbuigende uitspraak over de ʻdeplorables’.

We hebben eveneens de traumatische gevolgen onderschat van de snelheid en de omvang van de veranderingen die de mondialisering en liberalisering van na 1989 in het dagelijks leven van de mensen hebben teweeggebracht. In het begin van de 21ste eeuw kwam een gemondialiseerd financieel kapitalisme dichter dan ooit bij Karl Marx’ onvergetelijke beschrijving, in het Communistisch Manifest, van de revolutionaire impact van het kapitalisme: ‘Alle vaste en bevroren verhoudingen, met hun spoor van oude en eerbiedwaardige vooroordelen en meningen, worden weggevaagd, en alle nieuwgevormde zijn al verouderd voordat ze vaste grond onder de voet krijgen. Alles wat vast is vervliegt in de lucht…’

Als zoveel vertrouwds wordt weggevaagd, roepen de mensen: ʻGenoeg! Te veel verandering! Te snel!’ Vaak voegen ze daar nog een melancholisch gevoel aan toe: ʻIk herken mijn land niet meer’ – een gevoel dat populisten uitbuiten om de onvrede te richten op immigranten, waarbij ze de nadruk leggen op etnische, religieuze en culturele verschillen. Dergelijke gevoelens leven sterk in Midden- en Oost-Europese landen, ook al is hun echte probleem de massale emigratie en niet de immigratie. De vervreemden wijten hun vervreemding aan de vreemdelingen. Hoewel hier uiteraard belangrijke elementen van vreemdelingenhaat en racisme aan het werk zijn, zijn deze gevoelens ook geworteld in een veel bredere reactie op de revolutionaire snelheid en diepgang van de veranderingen in de leefwereld van de mensen.

Wat uit deze analyse voortvloeit is dat we, waar mogelijk, het tempo van de verandering moeten vertragen tot een tempo dat de meeste mensen aankunnen, terwijl we vasthouden aan de algehele liberale koers. Joachim Gauck, voormalig president van Duitsland, vat dit gebod in twee woorden samen: zielwahrende Entschleunigung (doelbehoudende vertraging). Dit betekent bijvoorbeeld beperking van de immigratie, beveiliging van de grenzen, en een versterking van het gemeenschapsgevoel, het vertrouwen en de wederkerigheid binnen de grenzen.

Dit is ongemakkelijk terrein voor hedendaagse liberalen. Sommigen zijn helemaal niet gelukkig met het hardnekkige voortbestaan van naties. Maar in plaats van onze gehavende troepen op te stellen in een moerassige frontlinie met de aanduiding ʻinternationalisme versus de natie’ moeten we ons hergroeperen op de beter verdedigbare hoogvlakte van de natie, gedefinieerd in liberale termen. In een van de laatste lezingen die hij gaf vóór zijn dood, vroeg Roger Scruton zich af waar we ʻde eerste persoon meervoud van wederzijds vertrouwen’ konden vinden, en stelde hij een modern conservatief antwoord op deze centrale politieke vraag voor – niet in termen van ʻgeloof en verwantschap’, maar van ʻnabuurschap en seculier recht’.

Dit zijn zeker termen waarmee liberalen uit de voeten kunnen, omdat ze niet gaan over de noodzaak van een nationale politieke gemeenschap, maar over de definitie en het karakter van die gemeenschap. Zoals het van de ene op de andere dag sluiten van de grenzen en de reacties van nationale overheden op de covid-pandemie opnieuw hebben aangetoond, is de natie gewoonweg te belangrijk, en te sterk in haar emotionele aantrekkingskracht, om aan de nationalisten over te laten.

Ruim voordat de populistische golf ons trof, was het liberale multiculturalisme al begonnen zich af te wenden van de rotsen van het morele en culturele relativisme – ʻliberalisme voor de liberalen, kannibalisme voor de kannibalen’, in Martin Hollis’ beroemd provocerende formulering – waar het rond de eeuwwisseling gevaarlijk dicht bij in de buurt was gekomen. Maar in hun noodzakelijke kritiek op de ʻidentiteitspolitiek’ moeten liberalen oppassen dat ze het kind niet met het badwater weggooien. Het feminisme, dat in de negentiende eeuw in embryonale vorm werd uitgedragen door liberalen als Mill, zijn partner Harriet Taylor en de romanschrijver George Eliot, heeft meer recentelijk een van de grootste vorderingen in de geschiedenis bewerkstelligd, op weg naar gelijkwaardige vrijheid voor iedereen. Onderzoek naar de ervaringen, behoeften en perspectieven van allerlei sociale groepen, of ze nu etnisch, religieus, seksueel of regionaal van aard zijn, heeft ons inzicht verrijkt in de vraag hoe wij vrijheid en diversiteit in multiculturele samenlevingen het best kunnen combineren.

Het punt waarop liberalen derhalve moeten hameren, is dat identiteit geen kwestie is van ʻof/of’, maar van ʻen/en’. Zeker, er zijn acute botsingen tussen bepaalde identiteiten, maar er is geen principiële tegenspraak tussen het hebben van subnationale, nationale, transnationale en supranationale identiteiten, evenmin als tussen het gelijktijdig hebben van religieuze, politieke, institutionele en culturele identiteiten, zoals dat bij de meeste mensen het geval is. Wij liberalen staan niet op de bres voor een of andere kosmo-libertarische fantasie van ontkoppelde burgers en ontkoppelde ʻnetizens’, maar wij moeten het recht van mensen verdedigen om op meer dan één manier en op meer dan één plaats geworteld te zijn.

Ons patriottisme zal daarom inclusief en liberaal moeten zijn, ruim genoeg en met voldoende verbeeldingskracht om burgers met meerdere identiteiten te omarmen. Het lidmaatschap van de natie wordt gedefinieerd in burgerlijke, niet in etnische of völkische termen; dit is geen natiestaat in engere zin, maar een état-nation, een staat-natie. Een dergelijke open, positieve, hartelijke versie van de natie kan niet alleen een beroep doen op de droge rede, maar ook op de diepe menselijke behoefte aan saamhorigheid en de morele plicht tot solidariteit. Liberaal patriottisme is een essentieel ingrediënt van een vernieuwd liberalisme.

Maar patriottisme is niet genoeg. De remedies die ik tot nu toe heb geschetst, zijn voornamelijk binnenlandse remedies. Het zijn recepten voor een territoriaal begrensde, liberaal-democratische staat-natie, en in sommige opzichten zouden ze in feite zowel de grenzen rond de staat-natie als de banden binnen de staat-natie versterken. Dit roept een enorme vraag op: hoe zit het dan met alle anderen? Wat hebben liberalen het grootste deel van de mensheid te bieden, dat niet het geluk heeft burger te zijn van landen als Groot-Brittannië, Amerika, Duitsland of Nieuw-Zeeland?

Dit is zowel een morele als een zeer praktische kwestie. Een of andere versie van universalisme is, zoals John Gray heeft betoogd, een kernkenmerk van het liberalisme. Maar een belangrijke handicap voor het liberalisme van vandaag is dat het eeuwenlang naar het grootste deel van de wereld is gekomen in de vorm van imperialisme. John Stuart Mill werkte bij de Britse Oost-Indische Compagnie en hij vond dat gekoloniseerde volkeren in hun ʻonvolwassenheid’ nog niet klaar waren voor zijn verfijnde vrijheden. Het westerse universalisme was in de praktijk allesbehalve universeel. Sommige van de ergste gruwelen die mensen andere mensen hebben aangedaan – gewelddadige verovering, marteling, genocide, slavernij – werden gerechtvaardigd door te verwijzen naar de hoogste idealen van vrijheid, beschaving en verlichting. Landen als Groot-Brittannië – en de Engelsen in het bijzonder – zijn er opmerkelijk goed in geslaagd dit te vergeten; maar de rest van de wereld niet.

Die herinnering aan koloniale onderdrukking is in onze tijd versterkt door wat losjes de liberale oorlogen van het Westen kunnen worden genoemd, zoals die in Afghanistan, Libië en Irak. De motieven van de historische actoren achter deze oorlogen waren divers, en vele van die oorlogen waren verre van liberaal, maar in elk van de gevallen werden militaire interventies gedeeltelijk gerechtvaardigd door te verwijzen naar liberale doelen. Hoewel je in het geval van Kosovo of Sierra Leone zou kunnen aanvoeren dat liberale doeleinden althans gedeeltelijk werden bereikt, kan dat voor Irak of Libië nauwelijks worden beweerd. De weg naar de hel kan geplaveid zijn met liberale bedoelingen.

Hoe kunnen we zo veel mogelijk van de liberale internationale orde behouden en oorlog vermijden?

Twee eeuwen lang was de invloed van liberale ideeën – meer dan we misschien willen beseffen – gekoppeld aan de overheersing door westerse machten. Nu neemt de invloed van het liberalisme af naarmate de agenda van de wereldpolitiek meer en meer wordt bepaald door grote mogendheden die geen deel uitmaken van een traditioneel gedefinieerd Westen, of die, zoals Rusland, ambivalent zijn over de vraag of zij wel of niet tot het Westen willen behoren. Verreweg de strategisch belangrijkste van deze staten is China, dat reeds een supermacht is.

Perioden van opkomst en relatieve neergang van grote mogendheden zijn historisch gezien perioden van verhoogde spanning, en meestal van oorlog. Hoe kunnen we deze spanning beheersen, zo veel mogelijk van de liberale internationale orde behouden en oorlog vermijden? De Chinese invloed reikt nu tot diep in de liberale democratieën, verstoort onze democratische processen en tracht met financiële invloed en regelrechte intimidatie journalisten en academici zelfcensuur op te leggen, een proces dat in Australië zijn tot nu toe meest dramatische vorm heeft aangenomen. Dit doet een beroep op ons om, in het hart van onze eigen samenlevingen, zulke primaire liberale waarden als de vrijheid van meningsuiting en de wetenschappelijke onafhankelijkheid te verdedigen.

China’s ongeëvenaarde leninistisch-kapitalistische versie van autoritair ontwikkelingsbeleid is nu een systemische rivaal van de liberale democratie geworden. Dit biedt ontwikkelingssamenlevingen in Azië, Afrika en Latijns-Amerika een alternatief pad naar de moderniteit. Het belangrijkste wat de liberale wereld heeft gedaan om tijdens de Koude Oorlog de overhand te krijgen, was onze eigen samenlevingen welvarend, dynamisch en aantrekkelijk maken. Wij moeten trachten dat opnieuw te doen, trouw blijven aan het doel anderen ervan te overtuigen dat liberale samenlevingen een betere manier van leven bieden, en, wat belangrijk is, vertrouwen houden in diegenen in onvrije samenlevingen die onze waarden delen. Maar realistisch gezien moeten wij ook erkennen dat ons een lange weg van concurrerende co-existentie met autoritaire regimes te wachten staat.

We moeten met hen samenwerken om oorlog te voorkomen, pandemieën te overwinnen en het hoofd te bieden aan de belangrijkste bedreiging van het Antropoceen-tijdperk: de klimaatverandering. De planetaire strijd om de opwarming van de aarde af te remmen zal ons ook dwingen de macht van overmachtige koolstof exploiterende bedrijven in te perken, met middelen die variëren van desinvestering tot regulering. Maar dat is nog maar het begin. We moeten ons totale koolstofverbruik drastisch verminderen, waarbij we niet alleen onze eigen uitstoot meetellen, maar ook de koolstof die wordt verbruikt bij de productie elders van goederen die wij importeren. De kosten voor onze persoonlijke levensstijl zullen vooral hoog zijn als we het betoog voor historische rechtvaardigheid en intergenerationele rechtvaardigheid serieus nemen: dat het Mondiale Noorden, dat al een groter deel van het ecologische kapitaal van de aarde heeft verbruikt, een hogere prijs moet betalen, en dat de huidige generaties offers moeten brengen in het belang van degenen die nog moeten worden geboren in een wereld die lijdt onder de gevolgen van de opwarming van de aarde.

Is het mogelijk om dergelijke offers te bewerkstelligen via instemming, via een liberaal-democratische politiek? In antwoord op een andere enquêtevraag van mijn onderzoeksteam zei in 2020 een verbazingwekkende 53 procent van de jonge Europeanen dat ze dachten dat autoritaire staten beter toegerust waren om de klimaatcrisis aan te pakken dan democratieën. Het is onze taak hen te laten zien dat ze het mis hebben.

Intussen zal de nu al onvermijdelijke opwarming van de aarde de nu al aanzienlijke migratiestromen van het verarmde Zuiden naar het Noorden sterk doen toenemen. De reactie op de komst van slechts een paar miljoen migranten uit Afrika en het Midden-Oosten naar Europa heeft de gevestigde Europese liberale democratieën gedestabiliseerd. Het aanwrijven van mensen uit Latijns-Amerika van allerlei sociale misstanden is een centraal onderdeel van het trumpisme geweest.

De ontwikkelingseconoom Paul Collier stelt dat een beperking van de immigratie de samenlevingen waaruit de immigranten afkomstig zijn juist ten goede kan komen. Er zijn, zo schrijft hij, meer Soedanese artsen in Londen dan er in heel Soedan zijn. Het is voor geen enkel land goed als een groot deel van zijn jongere, energieke, goed opgeleide en ondernemende burgers elders een beter leven zoekt. Het is niet goed voor de vrijheid in dergelijke landen als te veel plaatselijke liberalen ervoor kiezen van land te veranderen in plaats van hun eigen land te veranderen.

Dit alles ontslaat liberalen niet van de verplichting om al diegenen die wanhopig trachten ons land binnen te komen een humane behandeling te geven. Evenmin ontslaat het ons van het stellen van de vraag wat wij moeten doen voor de grote meerderheid van de mensheid die wij niet in onze eigen landen willen toelaten. Wij moeten op z’n minst meer aandacht besteden aan het begrijpen van wat landen werkelijk helpt om zich te ontwikkelen, en hoe wij een positieve bijdrage aan dat proces kunnen leveren. Elke welvarende democratie die minder dan het door de VN goedgekeurde streefcijfer van 0,7 procent van het bbp aan ontwikkelingshulp besteedt, zou zich moeten schamen.

Alleen al het schetsen van de kale contouren van deze mondiale problemen betekent dat men inziet dat de externe agenda voor een nieuw liberalisme nog uitdagender is dan de binnenlandse. Het grootste probleem is echter om al deze dingen tegelijk te doen, vooral wanneer er spanningen zijn tussen de maatregelen die op de drie genoemde fronten nodig zijn. Hoe voorkom je bijvoorbeeld dat de opwarming van de aarde meer dan twee graden Celsius boven het pre-industriële niveau uitstijgt, zonder de individuele vrijheid drastisch in te perken? Hoe pak je de angst voor immigratie aan en eerbiedig je tegelijkertijd de mensenrechten van migranten? Hoe kom je op voor de rechten van de mensen in Hongkong en Taiwan terwijl je een diepgaande samenwerking met China nastreeft om de klimaatverandering, pandemieën en wereldwijde economische wanorde te bestrijden?

© Pavel Constantin / Cagle

Ik heb hier slechts een paar aantekeningen gemaakt over een mogelijke vernieuwing van het liberalisme. Ik heb niet de pretentie een normatieve theorie uit te werken. Evenmin stel ik een allesomvattend beleidsprogramma voor. Dit vernieuwde liberalisme zal standvastig moeten zijn in de verdediging van liberale wezenskenmerken, zoals de mensenrechten, de rechtsstaat en een beperkte overheid, en van de epistemische vrijheden van meningsuiting en onderzoek die onmisbaar zijn voor het liberalisme als methode en niet als systeem. Het zal experimenteel moeten zijn, met vallen en opstaan te werk moeten gaan, moeten openstaan voor het leren van andere tradities, zoals het conservatisme en het socialisme, en uitgerust moeten zijn met de verbeeldingskracht die we nodig hebben om door de ogen van anderen te kunnen kijken. Het zal emotionele intelligentie evenzeer moeten waarderen als wetenschappelijke intelligentie. En het zal moeten erkennen dat we in veel relatief vrije landen iets hebben dat in de buurt komt van een corporatief-plutocratische-oligarchische wurggreep op de staat. Die greep moet worden doorbroken, met democratische middelen.

Dit nieuwe liberalisme zal universalistisch moeten blijven, maar met een nuchter, genuanceerd universalisme, alert op de verscheidenheid van perspectieven, prioriteiten en ervaringen van culturen en landen buiten de hoofdstroom van het historische Westen, en zich bewust van de verschuiving van de wereldmacht weg van het Westen. Het zal individualistisch moeten blijven, gericht op het bereiken van de grootste vrijheid van het individu die verenigbaar is met de vrijheid van anderen, maar dit zal een realistisch, contextueel individualisme moeten zijn. Op zijn best heeft het liberalisme altijd begrepen dat de mens nooit is wat Jeremy Waldron de ʻzelfgemaakte atomen van de liberale fantasie’ heeft genoemd, maar veeleer ingebed is in verschillende soorten gemeenschappen die inspelen op diepe psychologische behoeften aan saamhorigheid en erkenning. Dit nieuwe liberalisme zal egalitair moeten blijven, strevend naar gelijke levenskansen, maar begrijpend dat de culturele en sociaal-psychologische aspecten van ongelijkheid even belangrijk zijn als de economische. En in de laatste plaats zal het melioristisch moeten blijven, maar dan wel met een sceptisch, historisch geïnformeerd meliorisme, dat erkent dat de geschiedenis zowel cycli als lijnen kent, zowel tegenslagen als vooruitgang, en dat de menselijke progressie in het allerbeste geval slechts een geleidelijk oplopend ʻkurkentrekkertraject’ is, met neerwaartse bochten onderweg.

Wat als het te laat is? Wat als de invloed van het liberalisme onverbiddelijk afneemt, samen met de relatieve macht van het Westen? Wat als de antiliberale Deneen zich terecht verkneukelt over ʻeen vijfhonderd jaar oud filosofisch experiment dat zijn langste tijd heeft gehad’? Als ik alleen voor mezelf spreek, hoop ik dat ik dan ten onder zal gaan met het goede schip de Vrijheid, werkend aan de pompen in de machinekamer, terwijl we proberen het drijvende te houden. Maar bij mijn laatste mondvol zout water zal ik troost putten uit een laatste, eigenaardige eigenschap van de Vrijheid. Enige tijd nadat het schip naar de bodem lijkt te zijn gezonken, zal het weer boven komen. En vreemder nog: het zal zijn drijfvermogen juist herkrijgen door te zinken. Het is geen toeval dat de meest hartstochtelijke stemmen voor vrijheid, zoals het gevangenenkoor in Beethovens Fidelio, tot ons komen uit de kring der onvrije mensen.

Want vrijheid is als gezondheid – je waardeert haar het meest als je haar verloren hebt. De beste manier om vooruit te komen, zowel voor vrije samenlevingen als voor individuen, is echter door gezond te blíjven.


Timothy Garton Ash is Isaiah Berlin Professorial Fellow aan St Antony’s College in Oxford, en Senior Fellow aan de Hoover Institution van de Universiteit van Stanford. Vertaling: Menno Grootveld