Luc Devolderes terugblik

De barbaren, dat zijn wij zelf

Paardrijden, boogschieten en de waarheid spreken, meer behoefde een Perzische jongen in de oudheid niet te leren om een gewaardeerd lid van zijn samenleving te worden. We danken deze informatie aan Herodotos, de Griekse historiograaf die bekend staat om zijn genuanceerde visie op wat men in zijn tijd ‘barbaroi’ noemde: niet-Grieken, die slechts konden brabbelen en daarom per definitie geen deel hadden aan de vermeend superieure beschaving van tragedie, discuswerpen en Parthenon. Juist doordat Herodotos een geletterd man is die veel heeft gereisd, begrijpt hij dat wat van ver komt niet altijd verkeerd is, en hoewel hij zijn verbazing en zelfs afschuw over diverse uitheemse gewoonten niet verheelt, lijkt hij te beseffen dat de eenvoud van het Perzisch curriculum waardevol en effectief is. Wat de Griek Herodotos echter onderscheidt van zijn Perzische tijdgenoten, is het feit dat hij tot op zekere hoogte in staat is beide culturen met elkaar te vergelijken en de verschillen te verwoorden. Om eenvoud te kunnen herkennen, dient men eerst zijn onschuld te verliezen.

In de millennia die ons van Herodotos scheiden is er in het onderwijs nogal wat veranderd, al zou je staande kunnen houden dat de essentie dezelfde is gebleven. Nog steeds streven opvoeders ernaar dat hun pupillen gezond van lijf en leden zijn, weerbaar worden en zich fatsoenlijk kunnen uitdrukken, waarbij datgene wat ze uitdrukken liefst zo veel mogelijk in overeenstemming is met de werkelijkheid. Waren beschavingen en samenlevingen in de ogen van Herodotos’ tijdgenoten in principe statische gehelen (hij begreep al dat dit voor afzonderlijke steden niet opging), spoedig ontdekte men dat een cultuur voortdurend verandert. Wat verandert, kent winst en verlies, en als iets waardevols verloren zou kunnen gaan, dient men het te bewaren of aan te passen. Vandaar dat onderwijs bij de Grieken ook altijd cultuur overdracht was. We kunnen wel beweren dat we ons van de barbaren onderscheiden, maar als we datgene waarin we ons onderscheiden niet onderhouden, gaat het verschil teloor. Paardrijden is prima, maar daarnaast ook schrijven over paardrijden heeft grotere klasse. De waarheid spreken is een deugd, discus siëren over de status van waarheid een noodzaak.

In de tijd dat Herodotos zijn boek schreef, ontketenden de sofisten in Griekenland de retorische revolutie die een onschatbare invloed heeft gehad op al het Europese onderwijs dat na hen kwam. Zonder de sofisten geen Plato, geen Isokrates, zonder Plato en Isokrates geen Cicero en Quintilianus, zonder Cicero geen Renaissance, zonder Renaissance geen Verlichting. Alle onderwijs en cultuuroverdracht tot 1960 staat in die traditie, waarbij men zich terdege dient te realiseren dat deze traditie nooit vanzelfsprekend was maar, zoals het een traditie betaamt, zichzelf steeds tot inzet van debat maakte. Geen cultuur vaart wel bij het ontbreken van kritiek erop. Een traditie die zichzelf niet voortdurend hervormt, sterft af. Voorwaarde voor kritiek en hervorming is uiteraard wel dat men de traditie kent.

Deze maand verscheen de essaybundel Wachtend op de Barbaren van Luc Devoldere, de Vlaamse classicus die onlangs Jozef Deleu opvolgde als hoofdredacteur bij de Stichting Ons Erfdeel. Geen andere instelling in ons taalgebied zet zich zo intensief in voor het behoud en de verspreiding van Nederlandstalig cultuurgoed. Hoewel Devoldere nog geen vijftig is, heeft het boek het karakter van een afrekening met vroeger gewaardeerde auteurs en een terugblik op een leven van denken over literatuur en cultuur. De wereld die Devoldere oproept is er een van jezuïetencolleges en loopgraven, weltfremde estheten en sombere filosofen. Hij schrijft over Nietzsche en Cioran, over Eratosthenes en Horatius, over Dante en Erasmus, over de Henri de Montherlant en Charles Van Lerberghe, over Yourcenar en Pavese. Daarbij is Devoldere geen dor filoloog, maar een schrijver van vlees en bloed die bijna fysiek in de buurt van zijn geliefde auteurs probeert te komen, wat uiteraard problematisch is omdat ze allemaal dood zijn. Wie het boek oppervlakkig leest, zou tot de conclusie kunnen komen dat de gehele literatuur van na 1960 aan Devoldere is voorbijgegaan. Met name uit enkele stukken over onderwijs – Devoldere is leraar oude talen geweest, met een voorkeur voor het nutteloze Grieks – blijkt echter zijn betrokkenheid bij alle moderne ontwikkelingen in België, Europa en de wereld. Devoldere is geen vermoeide oude man, maar zorgen maakt hij zich wel.

De barbaren in de titel van zijn boek komen uit een gedicht van Kavafis, dat beschrijft hoe decadente Romeinen op het moment dat hun beschaving de rand van de afgrond nadert, opgetogen zitten te wachten op de barbaren. Maar ‘enkele lieden, net binnen uit de grensstreek,/ zeiden dat er geen barbaren meer zijn.// Wat moet er nu van ons worden, zonder barbaren./ Die mensen waren tenminste een oplossing.’

Het was de Romeinen ontgaan dat de barbaren inmiddels allang waren geromaniseerd, en zijzelf gebarbariseerd, als dat woord bestaat. De globalisering heeft definitief toegeslagen en voor oplossing van problemen behoeft niet meer te worden gerekend op verfrissende impulsen van buiten.

Zijn er inderdaad geen barbaren meer? Iedere intellectueel die om zich heen kijkt, zal bij tijd en wijle het gevoel hebben dat de totale barbarij misschien dichterbij is dan ooit. Misschien begint barbarij wel daar waar men voor het eerst het begrip ‘barbarij’ ter discussie stelt. Misschien is barbarij het onvermijdelijke eindpunt van beschaving.

Hoe dat ook zij, het is zeker dat geen middelbare scholier in Nederland, zelfs geen tweedejaars student Nederlands in staat zou zijn ook maar twee bladzijden van het boek van Devoldere te lezen zonder vast te lopen. Dat komt niet doordat Devoldere moeilijk schrijft, integendeel, maar doordat hij citaten in het Engels, Duits en Frans, soms zelfs Latijn niet vertaalt, omdat hij bij zijn lezers historische, letterkundige en geografische kennis aanwezig veronderstelt, omdat hij ervan uitgaat dat we de beschaving die hij ter discussie stelt, paraat hebben. En zelfs als hij niet Yourcenar maar Modiano, niet Van Lerberghe maar Claus, niet Horatius maar Wigman had besproken, zou zijn boek onleesbaar zijn geweest voor vrijwel alle gymnasiasten in ons land – ik heb nog altijd de illusie dat de situatie in Vlaanderen iets gunstiger is. Hoe komt dat? Wat is er gebeurd? Kunnen we nog iets doen?

Je hoeft geen cultuurpessimist te zijn om te zien dat er de laatste dertig jaar verbijsterend veel is veranderd en dat die veranderingen niet alleen maar goed en prettig zijn. Uit een mengeling van slecht doordachte ideeën over opvoeding en verregaande gemakzucht, leren ouders hun oogappels niet meer dat het normaal is tijdens een maaltijd aan tafel te blijven zitten en anderen te laten uitspreken, dat niet iedere wens stante pede behoeft te worden vervuld en dat er nu eenmaal zaken zijn waarover kinderen domweg hun mond dienen te houden. Dat er op sommige scholen nog zoiets als huiswerk bestaat, vinden de meeste ouders, voorzover ze zich ermee bemoeien, alleen maar lastig. Televisie, een medium dat ooit werd geacht de massa’s te zullen beschaven, is verworden tot een permanente en luidruchtige bron van vermaak, die het verveelde publiek ertoe brengt naar zes onbeduidende shows tegelijk te kijken zonder er ook maar een seconde van te hoeven onthouden. Geld regeert, melkmuilen van twaalf zijn op zoek naar een stompzinnig baantje om hun wekelijkse uitspattingen te kunnen betalen. En hun telefoon natuurlijk, want wie niet in de gelegenheid is eens in het kwartier naar zijn vriendje van drie banken verder te sms’en, is een loser.

Bovenstaande opsomming is – dat weet ik natuurlijk ook wel – het reactionaire geblaat van een gefrustreerde academicus. Maar gezien al die ontwikkelingen is het niet raar dat leerlingen niet meer stil kunnen zitten, een spanningsboog van ten hoogste tien minuten hebben, niet weten hoe een boek eruit ziet en hun betrekking belangrijker vinden dan hun huiswerk. Wel willen ze graag een diploma hebben, niet om later eerzame beroepen als timmerman, arts of leraar te kunnen uitoefenen, maar om veel geld te kunnen verdienen als manager, ICT’er of consultant, zonder uitzondering dynamische maar inhoudelijk lege bezigheden.

Onderwijskundigen – doorgaans gesjeesde docenten en naïeve sociologen – hebben de laatste twintig jaar van alles bedacht om de verwaten schooljeugd weer aan het werk te krijgen. Daarbij was het steevast de bedoeling meteen ook alle andere maatschappelijke problemen ‘mee te nemen’. Geweld, seksuele intimidatie, discriminatie, gedonder in achterstandswijken, taalproblemen bij allochtonen, onhandelbare Ritalin-addicten: het is allemaal heel erg en het moet allemaal worden opgelost, maar als de scholen dat moeten doen zonder dat ze er extra faciliteiten voor krijgen, kunnen ze beter direct de pretentie ook nog onderwijsinstellingen te zijn, laten varen. Het verzorgen van onderricht, wat tegenwoordig ‘het primaire proces’ wordt genoemd, is voor de scholen al moeilijk genoeg.

De crisis in het onderwijs wordt echter niet alleen veroorzaakt door de hierboven genoemde maatschappelijke ontwikkelingen, maar voor een belangrijk deel ook door de oplossingen die er voor zijn bedacht. Boekenkasten vol prachtige rapporten zijn er geschreven, het ministerie in Zoetermeer bruist van activiteit, maar één ding lijkt men vergeten te zijn: onderwijs dient ertoe leerlingen kennis bij te brengen. Welke structuur het onderwijssysteem ook heeft – en ieder systeem heeft zijn voor- en nadelen – hoe dan ook moeten we kinderen leren lezen, schrijven en rekenen, we moeten ze uitleggen in welke wereld ze leven en hoe die wereld er is gekomen. We moeten hun intellect en verbeeldingskracht prikkelen. We moeten ze laten voelen dat het een genot is iets te weten en te kunnen.

Waarom lukt dat niet? Waarom overwegen universiteiten, ten einde raad, een algemeen vormend eerste jaar in te voeren, terwijl die algemene vorming natuurlijk allang had moeten plaatsvinden in de achttien jaren ervoor? Waarom ambieert geen verstandig mens een baan in het onderwijs? Dat komt doordat scholen kafkaëske bureaucratische instellingen zijn geworden, waar docenten zich bezighouden met administratieve handelingen, waar leerlingen – mits het netwerk niet platligt – overigens abominabele werkstukken downloaden, waar literatuuronderwijs de facto is afgeschaft. Onderwijzers op de basisschool, die sinds enkele jaren leraren heten (van de weeromstuit worden leraren in het voortgezet onderwijs nu vaak onderwijzers genoemd), kunnen niet rekenen, weten niet waar Dokkum ligt en hebben een culturele horizon die niet verder reikt dan Harry Potter. Leraren Nederlands in de basisvorming kunnen niet ontleden, leraren geschiedenis kennen onvoldoende Duits om Hitler te kunnen verstaan, leraren Duits kennen Nietzsche alleen van horen zeggen, schoolleiders denken dat er bij Latijn ook aan spreekvaardigheid wordt gedaan. De examenresultaten zijn uitstekend, hetgeen onderwijshervormers en beleidsmakers met trots vervult, maar wie de exa men opgaven bekijkt, wendt zich vol schaamte af. Van intellectuele vorming is allang geen sprake meer. Zolang er in dat opzicht niets verandert, vind ik het niet gek dat niemand leraar wil worden.

Wie nu de verkiezingsprogramma’s van de politieke partijen erop naslaat, ontdekt dat die verandering nog wel even op zich zal laten wachten. De meeste partijen hebben de mond vol van zwarte en witte scholen, carrièremogelijkheden voor docenten, informatisering, aansluiting bij de arbeidsmarkt en leren leren, liefst een leven lang, maar een kind kan zien dat dat allemaal modieus gekakel is. Pas wanneer kennisverwerving en cultuuroverdracht weer centraal komen te staan, wordt het interessant om, op welk niveau dan ook, les te gaan geven. Lossen we dat probleem niet op, dan zullen toekomstige generaties denken dat paarden aliens zijn die vooral in ouderwetse films voorkomen, dat boogschieten een nieuw computerspel is en dat alleen CNN de waarheid spreekt. Nee, we hoeven niet meer te wachten op de barbaren. De barbaren, dat zijn wij zelf.

Luc Devoldere, Wachtend op de Barbaren, Essays

Uitg. Lannoo 312 blz., € 17,95