De barbaren komen van Fouad Laroui

De barbaren komen

Fouad Laroui

Verbannen woorden

Uitg. Vassallucci, € 13,95

In de kakofonische week na de moord op Pim Fortuyn las ik Verbannen woorden, het poëziedebuut van de in Marokko geboren schrijver Fouad Laroui (1958). Daarin verplaatst de in het Nederlands dichtende Marokkaan de lezer naar elders, naar «een tijd waarin de woorden verdacht waren. Dichters werden opgesloten. Lijsten circuleerden. In de bus rookten mannen, sommigen droomden, maar allen zwegen. Vandaag de dag vergeet men dat.» Een tijd van censuur, verdwijningen, verklikkers en martelingen, van «Deuren op dubbele sloten/ Maar de vijand was al binnen». De citaten zijn uit het openingsgedicht «Hoop» waarin Laroui een persoonlijke geschiedenis begint te vertellen die eindigt, in het 33ste gedicht, wanneer hij in een Frans dorpje vakantie viert en daar als vreemdeling bangelijk wordt aangestaard. Tussen de opstandige jonge dichter in Marokko en de uitgestreden étranger in Europa is Verbannen woorden het relaas van een ontsnappingspoging en een gedaanteverwisseling die niet willen of kunnen slagen. De gedichten zelf, bij vlagen aangrijpend, willen dat helaas evenmin.

De verbannen woorden uit de titel van de bundel komen in het openingsgedicht meteen aan de orde. Het zijn de woorden die in een onvrije wereld in koorts worden gestameld: «Vrijheid, bij voorbeeld», schrijft de dichter, en «er waren andere, alle woorden uit het woordenboek». Maar in een gedicht dat «Hoop» heet en «vrijheid» noemt, gaat het toch vooral om grote woorden en idealen. Daar kunnen dichters ook onder censuur in metaforen op zinspelen, waartoe de jonge dichter zich dan ook geroepen wist: «Ik voelde me — beschikbaar». Niettemin besluit «Hoop» ontnuchterend: «Nooit geroepen. Misschien koesterde men wantrouwen — ‹Spreekt een vreemde taal›». Dat wantrouwen heeft Laroui in zijn poëziedebuut niet beschaamd. Hoewel zijn gedichten wemelen van grootse woorden en gebaren, slaat zijn taal de vrijheid en de hoop aan stukken. Ondanks zijn vlucht naar het vrije Europa heeft de dichter zich niet kunnen bevrijden, terwijl zijn hoop is omgeslagen in een fatalistisch visioen van het einde:

Ze komen eraan

de barbaren die ons zullen wegvagen

«Ons», dat is veelzeggend, slaat dan al op de bewoners van het vrije Westen. Van die wereld voorziet Laroui zonder ironie de ondergang. Het Westen met zijn «sublieme mysterieuze leegtes» noemt hij een historisch «terzijde van schoonheid en woord» dat er binnenkort geweest zal zijn. «Het einde der musea»: de barbaren nemen het over. «Vaarwel duizend stemmen», dicht Laroui, «vaarwel prachtige rebellen». De barbaren, daar laat hij in Verbannen woorden geen twijfel over bestaan, zijn de godsdienstfanaten uit de wereld van de islam.

Het proza van Laroui is geprezen om de lichtheid en de ironie, maar in zijn poëzie doet hij geen poging het zware hart van de vreemdeling in Europa in literaire speelsheid te bevrijden. In «Afstand doen» is de ironie grimmig wanneer de dichter zich herinnert hoe hij na zijn vertrek uit Marokko in Parijs ronddwaalt en geniet van «Het Panthéon, schitterend in zijn onverschilligheid». Hij legt zijn oude kleren af en koopt op een vlooienmarkt Amerikaanse legerkleding en kakelbonte overhemden: «Het is een averechtse geboorte. Met geen enkele ramp solidair, in mijn gebloemd overhemd.» Een wanhopige poging tot assimilatie die niet lang standhoudt, want in de slotstrofen van het gedicht keren de verschrikkingen van de ontvluchte wereld terug: het geschreeuw van gefolterden, de handel in jonge maagden, de strafkampen, de «paleizen hutten tentendorpen/ Sleutels weggestopt in de vunzige plooien/ van de traditie».

Op de traditie zoals die in de islamitische cultuur wordt beleden, richt de dichter Laroui ongekend fel zijn woede. Terreur is in Verbannen woorden permanent aanwezig als het cement van een cultuur die hij verafschuwt omdat ze conformering en onderdanigheid afdwingt. Die aanwezigheid maakt deze poëzie in haar beste momenten tot een beklemmende ervaring. Tegen religie, traditie, islamitische broederschap en onderwerping zet hij zijn versregels schrap, terwijl hij ook de machteloosheid van het dichterschap-in-den-vreemde tekent — in «Portret van de dichter voor zijn computer»:

Japanse machine latijnse LETTERS

Amerikaanse software

Lamia! Najla!

Vergeefs schreeuw je

Niets komt er Het voorhoofd bonst op de toetsen

afggejjjjjpelkpportyhh!

een ander woord voor wanhoop

Het is een dichterlijke machteloosheid die Laroui helaas op vele manieren parten speelt. Het gedicht «Het jaar van de hond» heeft als onderschrift Algerije 1992 — 2002/ aan alle slachtoffers en handelt over de massale moordpartijen waar de internationale gemeenschap zich zo afzijdig van houdt. Zo’n gedicht werpt de vraag op naar de mogelijkheid om het zeer gewelddadige in poëzie op te roepen of te beschrijven. We lezen over «Bloed van vrije onbeschaamde vrouwen/ bij de haren meegesleurd/ door klauwen geschonden/ afgemaakt door de dolk» en worden bewogen door het weerzinwekkende geweld waarnaar de woorden verwijzen, niet door een verschrikking die poëtisch wordt geëvoceerd. Zou Laroui hier een imaginaire slachtpartij beschrijven, waar een goede dichter de hand niet voor omdraait, dan bleef er niets van zijn regels over. Deze gedichten bestaan bij gratie van hun commentaar op de kwaadaardige buitenwereld en de felheid van Laroui’s engagement; op hun eigen, poëtische grond houden ze geen stand.

Laroui’s verstechniek maakt een onbeholpen indruk. In de worsteling van de dichter met zijn emoties schiet alles erbij in dat een gedicht onweerlegbaar kan en moet maken. Misschien kan dat bij deze thematiek niet anders. De gekozen vormen wekken voornamelijk de indruk van willekeur, inhoudelijk grijpt hij per gedicht de woorden te hoog van de plank. Titels als «Hoop», «Ideaal», «Genocide», «In tijden van wanhoop» en «Vrije wil» wijzen daar al op. Zodra in de gedichten een parabel opduikt, bewijst Laroui dat zijn kwaliteiten op een prozaïscher vlak liggen:

Een man die wandelde in zijn hoofd

en sliep in zijn hart

werd op een dag veroordeeld

omdat hij niets zei

Die gek beledigt God

en de eeuwigheid!

(uit «Vrije wil»)

Ondanks vele bezwaren heeft een bundel als Verbannen woorden waarde. Die ligt in de verbeelding van het eerder genoemde «zware hart». Laroui, die als romanschrijver en docent economie aan de Vrije Universiteit een succesvolle Marokkaan in Europa is, krijgt het zand en het stof van zijn geboortegrond niet uit zijn kleren geschud. Die grond is er voor Laroui een van onderdrukking, bloed en geweld: van het gevaar van godsdienstfanatieke barbaren die — als we hem mogen geloven — met hun «God is groot!» op het punt staan zijn geliefde «draaimolens van het Westen» tot stilstand te brengen.