Rubens, de grootste schilder van de Lage Landen

De barok is niet van ons

Een tentoonstelling ver de ontwikkeling van Rubens tot Europese super schilder laat de Hollandse kijker in dubio. Dit is de grootste schilder van de Lage Landen. Maar wat is er met Rubens dat wij hem toch niet leuk vinden?

De tentoonstelling is in elkaar gezet naar aanleiding van de verkoop bij Sotheby’s, in 2002, van Rubens’ Kindermoord te Bethlehem voor iets minder van vijftig miljoen pond. De verkoop toont aan dat de Antwerpenaar nog altijd boven in de toptien van Internationale Oude Meesters staat, maar ook dat belangrijke, grote schilderijen van zijn hand nog altijd in de handel zijn. Dat is raar: bij Rembrandt is de markt krap, bij Rubens lijkt er nog van alles te krijgen. Het Mauritshuis kon kort geleden nog twee vorstelijke portretten kopen, waardoor de Rubenscollectie daar belangrijk aan gewicht won. In Nederlandse musea, waarvan de bulk van de collectie in de tweede helft van de negentiende eeuw werd gevormd, komt Rubens er nog altijd bekaaid vanaf. Hij is beroemd, maar niet zo geliefd, gek genoeg.

Rubens: A Master in the Making is het verhaal van een doelbewuste transformatie, tussen 1597 en 1614, van een onhandige leerling in de kringen van Otto van Veen en Pieter Breughel tot een Europese superster op het niveau van Titiaan en Caravaggio. Die transformatie eindigt met die Kindermoord (1611), een groot stuk waarmee Rubens zijn positie in Antwerpen bevestigde als primus inter pares en hofschilder van de aartshertog Albert. Als kunsthistorische les is de tentoonstelling werkelijk voortreffelijk. Alles is er, de vroege werken, teken ingen en schetsen gemaakt op reis, volwassen werken, topstukken, onbekende schatten, voor beelden in steen, in brons, op papier en op doek, alles. Het enige wat mist zijn de grote altaarstukken uit Antwerpen, de echte chef d’oeuvres, maar goed – de Nachtwacht gaat ook nooit op reis.

Rubens reisde tussen 1600 en 1608 door Zuid-Europa. Zo’n reis was niet uitzonderlijk. Er bestond in Antwerpen een clubje, de Romanisten, waar Vlaamse kunstreizigers elkaar op de hoogte hielden van nieuws uit Rome – schilders en schilderijen, nieuw ontdekte antieke beelden et cetera. Jan Breughel de Oude keerde in 1596 terug, Wenceslas Cobergher en Abraham Janssen in 1601, Sebastiaan Vranx in 1602. Rubens vertrok in mei 1600 en arriveerde in juli in Venetië. Vrijwel onmiddellijk werd hij gerekruteerd als hofschilder door Vicenzo Gonzaga, hertog van Mantua, de Berlusconi van zijn tijd. In Italië genoot Rubens om zijn goede connecties, zijn goede manieren, zijn innemende glimlach en om zijn kunst al snel een flinke reputatie. Hij deed zijn Grand Tour. Hij zag alles van zeer nabij. In het noorden: Titiaan, Tintoretto, Vero nese, de andere Venetianen, de virtuozen in verf, kleur en sfeer. In Rome: Caracci, de grote klassieke beelden, Michelangelo’s figuren. Hij zag ook Caravaggio’s werk en was een van de eersten die dat kopieerde. Terwijl de goe gemeente het nog als veel te wild beschouwde kreeg Rubens Gonzaga zo ver werk van Caravaggio aan te kopen; ten slotte versloeg Rubens Caravaggio in de prestigieuze competitie voor het altaarstuk van de Oratori in Sta Maria in Vallicella, Rome.

De opleiding kon dus niet completer zijn. In de tentoonstelling zie je Rubens kijken, verzamelen en leren, en je ziet hem in hoog tempo het vertrouwen krijgen om al die stijlen en al die losse elementen te mengen, niet alleen maar tot een tableau vivant op intellectueel niveau, maar tot een echte spektakelfilm. Die stijl wordt volwassen in de Kindermoord en in die Antwerpse altaarstukken, de Kruisiging en de Kruisafname. Dan is Rubens’ stijl volle barok: het gebruik van al die klassieke onderdelen op een volkomen vrije manier, gericht op het max imaliseren van theatraal effect. Schaal speelt daarbij een rol: de barokke beweging is die van het grootst mogelijke gebaar.

Dat wil Rubens zijn, dat wordt zijn handelsmerk, het past hem, het is werkelijk groots. Aan zijn ontwikkeling is maar weer eens te zien hoezeer de schilderkunst in Italië eind zestiende eeuw verstard was in maniertjes en trucjes die exotisch, geëxalteerd, over the top, kaal, dor, saai en soms ronduit belachelijk waren geworden. De acid-trips van El Greco, de schizofrene manie van Pontormo, de hysterische blikken van Lorenzo Lotto, het mythologische slangenmenstheater van Bronzino – daar kún je naar kijken, natuurlijk, maar er valt weinig aan te beleven. Het staart je aan uit de verte. Er zat al pantserglas voor toen de schilder zijn handen nog aan het wassen was.

In die uitdragerij brengt Ru bens nieuwe power en nieuwe glory. Hij zet vrouwen en mannen neer met lichamen die als voorwaardige 3D-beelden zijn bedacht, niet als papieren perspectiefconstructies. Daarin was zijn eigen ervaring in Rome, bijvoorbeeld met het tekenen van de Farnese Hercules en de Laokoon-groep, van groot be lang. Hij tekende die beelden echt uit alle mogelijke hoeken, van achteren, van onderen, en dezelfde 3D-benadering blijkt uit de tekeningen naar de écorché-beeldjes – gevilde mannen figuren – van Willem van Tetrode (na 1525-1580). Deze Tetrode speelt in de tentoonstelling een mooie bijrol. Zijn aanwezigheid met twee fantastische lugubere stukken bevestigt nog maar eens hoezeer Nederlandse beeldhouwers in de late zestiende eeuw hun partijtje meebliezen.

Leuk is het verder te zien hoezeer Rubens merries even interessant vindt als vrouwen, bijna van een identieke categorie, hoe hij manen inzet als haren en haren als manen. Het hoofd van het steigerend ros van Sint-Joris – het klapstuk van de tentoonstelling – is bijna een ideale vrouwenkop, met haar grote ogen en wapperende blonde haar, het complement van stoere Joris met zijn zwarte krullen. Ook interessant aan de tentoonstelling is de wetenschap dat Rubens hier nog een man alleen is, op reis, zonder het grote atelier met de tientallen leerlingen dat hij later in Antwerpen zou bestieren. Alles is van hemzelf. Aan het soort kaf-en-koren-onderzoek waaraan de Nederlanders Rembrandt hebben onderworpen, gebaseerd op een analyse van hoe zo’n schilderswerkplaats nou eigenlijk functioneerde – als bedrijf, als handelsmerk, als school – zijn de Belgen nog nauwelijks toegekomen. Het is te voorspellen dat zo’n onderzoek nog veel gecompliceerder en veel confronterender zal zijn dan dat Rembrandt-onderzoek al was.

De barok van Rubens is iets van het zuiden. Barok ontbreekt in de mainstream van de Noord-Nederlandse schilderkunst. Het is een fenomeen dat vrijwel naadloos past op de kloof tussen die twee ogenschijnlijk zo gelijkvormige, maar in essentie zo hemelsbreed verschillende culturen – het zuiden Habsburgs, autocratisch, feodaal, katholiek; het noorden protestants, radicaal-burgerlijk, kapitalistisch, individueel.

Als er al «barok» te zien is, in het noorden, dan komt het uit het zuiden. Quellijn en Jor daens in het Amsterdamse Stadhuis, Van Thulden in de Oranjezaal van Huis ten Bosch, en verder natuurlijk de slagroomspuit van Marot, die wel overal sierlijke toefjes aanbrengt, maar zonder de vibratie en de mise-en-scène die echte barok-architectuur bepalen.

Die afstand doet zich in de zeventiende eeuw al voelen. Rembrandt, bijvoorbeeld, kijkt met afgunst naar Rubens. Hij heeft diens opdrachtgevers niet, hij kan nooit echt uitpakken, hij moet zijn barokke ambities uitzingen op huiskamerformaat. Waar Rubens zich uitleeft op het lichaam van Christus voor, tijdens en na de kruisiging, moet Rembrandt het doen met het lijk van een Leidse gauwdief, klaar voor dissectie door een stel weldoorvoede chirurgijns. En áls de gelegenheid zich voordoet, in dat nieuwe Stadhuis van Amsterdam, loopt alles in het honderd. Rembrandts Claudius Civilis wordt afgekeurd. Ferdinand Bol, Govert Flinck en Jan Lievens gaan met de eer strijken – een twijfelachtige eer, want een onverdeeld succes was het allemaal niet. Noordelijke schilders vertilden zich gemakkelijk aan de formaten die Rubens zo moeiteloos beheerste.

De jaloezie – zo kun je het best noemen – voor die grandeur, die arrogante paapse klasse, heeft de reputatie van Rubens in het Noorden mede bepaald, lijkt het, en daar kwam de Afscheiding van België in 1830 nog eens overheen. In het nieuwe Verenigde Koninkrijk was Rubens onmiskenbaar de grootste kunstenaar, maar toen kwam de breuk, en toen zaten de Noorderlingen opeens zonder vedette; toen bleef voor hen Rembrandt over. Ze doopten de Botermarkt in Amsterdam om tot Rembrandtplein en bouwden een kolossale kathedraal om Rembrandts eigen altaarstuk, de Nachtwacht, identiek cachet te geven als Rubens’ stukken in Antwerpen.

Is de ongemakkelijke houding ten opzichte van Rubens daar door verklaard? Kinnesinne? Niet helemaal. De tentoonstelling toont de kopie die Rubens maakte naar Grafleg ging van Christus (1604) van Caravaggio. Dat is een uitstekend schilderij. Caravaggio plaatst het groepje dat het lijk torst dicht bijeen op een onmogelijk klein bordesje; de baardige man in de voorgrond moet zijn armen krampachtig aan elkaar vastklampen om de benen niet te laten glippen. Het schilderij barst van de spanning, fysiek en emotioneel, want dat is wat Caravaggio kon: een compacte scène scherp belichten en tot de rand vullen met angst, wreedheid, schuld, extase, erotiek, al naar gelang.

Rubens neemt tien jaar later het thema op en zet het in een ruimer theater. De figuren krijgen de ruimte; het lijk hangt niet zwaar en gecompliceerd in de potige armen, het glijdt nu als een gracieus efemeer wezen naar om laag. Het weegt beduidend minder. Aan zijn voeten duikt een Magdalenafiguur op als een Serafijn, ook al zonder vaste voet aan de grond; de rouwende Maria’s zijn zoet, lief, ingetogen.

Rubens heeft meer mogelijkheden. Hij schept meer afstand, geeft meer kleur, maar maakt er minder van; het grotere gebaar komt minder overtuigend over dan het kleine. Is dat het protestantse genenpaspoort, dat zich meer aangetrokken voelt tot het compacte, het intense, het verinnerlijkte, het psychologische, en minder tot het spectaculaire, het overdonderende, het operateske, het extraverte? «Matter» boven «mirth»? Rubens versloeg Caravaggio, indertijd, en ging met de glorie aan de haal. Maar kijk zelf: die Caravaggio is beter.

T

Rubens: A Master in the Making National Gallery, Londen, tot en met 15 januari