De barones der armen

ZATERDAGOCHTEND. In alle vroegte is Alwine barones De Vos van Steenwijk weggereden vanaf het familielandgoed in Wijhe, Overijssel. Daar staat het voormalige boswachtershuis waar ze logeert als ze in Nederland is en niet op haar vaste stek onder de rook van Parijs. Op het landgoed, eigendom van de zes broers en zussen De Vos van Steenwijk, staat ook de vakantieboerderij voor arme gezinnen. Die mogen daar gratis een week vakantie vieren. Op de achterbank van de grijze Golf ligt een koffer met twee mantelpakjes. Een lichtblauw pakje voor tussen de middag, als ze met de Europese Beweging zal lunchen in tegenwoordigheid van Wim Kok. En een antracietkleurig pakje voor de volgende dag, als ze het Congres van Europa van de Europese Beweging gaat toespreken.

Met Wim Kok, zegt ze, zal en moet ze een afspraak maken, formatie of geen formatie. Hij moet horen van de armoede.
DIT WEEKEND staat, voor en na de lunch, ook nog de jaarvergadering van de ATD Vierde Wereld Beweging op het programma: de internationale organisatie die opkomt voor de armsten der armen en waarvan de barones voorzitter is (ATD: Aide à Toute Détresse).
De uitnodiging om, samen met de Europese Bewegers, bij de koningin koffie te komen drinken, laat ze voorbijgaan. ‘Ach, ze zal mij echt niet missen. Ik vind het belangrijker om onder mijn eigen mensen te zijn.’ En bovendien: enkele jaren terug heeft de majesteit al kennis gemaakt met de beweging. 'De koningin was duidelijk geraakt toen zij enkele gezinnen van de Vierde Wereld ontmoette. Ze beloofde de armoede in haar kerstboodschap te noemen. Dat is er niet van gekomen. Dat heeft mij verdriet gedaan, want die gezinnen rekenden daar vast op.’
Zesenzeventig jaar geleden wordt Alwine de Vos van Steenwijk te Noordwijk geboren als de derde dochter van Willem Lodewijk baron De Vos van Steenwijk, voorzitter van de Eerste Kamer. Ze gaat naar school in Engeland, studeert rechten in Leiden en komt via de contacten van haar familie in de diplomatieke dienst terecht. Ze wordt eerste secretaris op de ambassade in Parijs. Een grote carrière in de buitenlandse dienst ligt voor haar.
Dan leest ze een artikel over Père Joseph Wresinski, een Franse priester die zich heeft gevestigd in een barakkenkamp in Noisy-le-Grand, net buiten Parijs. Daar woont hij samen met driehonderd gezinnen onder mensonwaardige omstandigheden. In onverwarmde barakken, zonder riolering, met vier kranen op ruim duizend mensen. De diplomate zoekt hem op en schrikt zich naar van wat ze ziet. 'Dit was een groep mensen die voor de buitenwereld niet bestond. Dat er zo'n intense armoede bestond in West-Europa, daar had ik geen idee van.’
Ze neemt een onbetaald verlof van twee jaar en sluit zich aan bij de bewogen priester. Lang voor die periode verstreken is, weet ze dat ze niet meer zal terugkeren naar haar oude leven. Sindsdien heeft ze zich in dienst gesteld van de ATD Vierde Wereld Beweging.
NA DE LUNCH met Kok loopt ze bijna sluipend het zaaltje binnen waar de ATD Vierde Wereld Nederland haar jaarvergadering houdt. De enkeling die haar opmerkt, knikt ze vriendelijk toe.
'Het is gelukt’, zegt ze met een brede glimlach. 'We hebben een afspraak met Wim Kok.’ Haar medewerkers glimlachen terug: ze hadden niet anders verwacht. Als Alwine de Vos van Steenwijk zich iets voorneemt, rust ze niet voor ze het voor elkaar heeft. De afgelopen decennia maakten mensen als koning Boudewijn, president Jacques Chirac, oud-VN-secretaris-generaal Perez de Cuellar en paus Johannes Paulus(II al kennis met de Ambassadeur van de Armen.
Eerst ving ze, zegt ze, bot bij 'ene meneer Geerts, één van de belangrijkste adviseurs van de minister-president’. Geen sprake van dat Kok haar zou kunnen ontvangen vóór de nieuwe formatie. Ze mocht wel een brief schrijven, dan zou hij er persoonlijk voor zorgen dat Wim Kok die te lezen kreeg. 'Toen dacht ik: ben ik daarvoor naar die lunch gekomen, om me te laten afschepen met een brief? Dus toen ik Wim Kok alleen zag staan, ben ik naar hem toegegaan. “Ze zeggen dat ik u niet te spreken krijg.” Hij: “Nee, da’s inderdaad moeilijk.” Toen zei ik: “Wat moeilijk is, moet toch gebeuren. Het gaat over armoede.” Zijn gezicht betrok. Hij zei niet zo veel, dus ik bleef hem aankijken. Uiteindelijk doorbrak hij het zwijgen: “Misschien kan het over de telefoon.” “Ja, da’s misschien ook wel goed. Maar het zou natuurlijk de moeite waard zijn als het anders kan. Ik zal u niks vragen waar u geen ja op kunt zeggen.” Toen keek hij me pas echt aan. “Vooruit, dat moet toch ook eigenlijk kunnen.” “Is dat een echte afspraak?” vroeg ik voor de zekerheid. De minister-president gaf zijn woord en vertelde me met wie ik bellen moest om een dag af te spreken.’
Van Wim Kok heeft ze maar één ding nodig, zegt ze later. Eén enkel regeltje in het regeerakkoord. De precieze formulering heeft ze nog niet bedacht, maar iets in de trant van: de regering zal haar best doen om de cultuur terug te brengen naar het volk, naar de allerarmsten.
'Je kunt zeggen: wat is dat nou waard, zo'n regeltje? Maar als die zin erin komt, hebben wij een ruggesteun voor alles wat we met de beweging willen doen. Ik zal hem zeggen: één zin, dat kunt u ons niet weigeren.’
HET IS VOOR het eerst dat de barones in formatietijd contact zoekt met een formateur. Vaak genoeg maakt ze afspraken met politici om hen te informeren over wat er speelt bij de armen. Met oud-minister en Eurocommissaris Frans Andriessen had en heeft ze regelmatig contact, net als met Ad Melkert. Wim Kok heeft ze niet eerder geprobeerd. 'Ik dacht niet dat we aan die man een boodschap kwijt konden. Ik voelde “het” niet.’
Bij Van Mierlo voelt ze 'het’ wel. Hem trok ze tussen de middag ook aan zijn jasje. 'In zijn ogen zag ik iets heel trouwhartigs. Die mag ik niet missen, dacht ik. Hij is dan wel minister-af, maar daarmee is hij nog geen mens-af.’ En nu staat ze ook bij Van Mierlo in de agenda.
Maar Wim Kok? 'Als iemand gevoelig moet zijn voor het verhaal van de armen, is hij het wel’, zegt ze. 'Met zíjn jeugd. Dat zou ik hem zo graag vertellen: “U wéét het allemaal, u heeft het zelf meegemaakt. Maar niemand zegt het u meer.”’
Ze heeft het gehoord, het gejuich van Paars(I over de economische groei. 'Ze zeggen dat de kloof tussen arm en rijk alleen maar is gegroeid omdat de rijken rijker werden. Maar dat is niet waar. De armen zijn wel degelijk armer geworden. Een heleboel dingen die ze vroeger wel konden, lukken nu niet meer. De prijzen zijn omhoog gegaan. De bijstand is al jaren te weinig om van te leven. Mensen steken zich in de schulden waardoor ze nooit meer uit die vicieuze cirkel komen. De treinkaartjes werden duurder, dus is het voor gezinnen bijna onmogelijk om te reizen. Maar zolang het praten over armoede een taboe is in Nederland, verandert er niets.’
Ze begrijpt de wrevel wel: 'Hoe verantwoordelijker politici zijn, hoe vervelender ze het vinden wanneer je over armoede komt praten. Ze vatten het bijna op alsof je ze verwijten maakt!’
DE ATD VIERDE WERELD is nooit een club geweest die met pannetjes soep rondging. Dat werd door anderen al voldoende gedaan. Père Joseph, zelf geboren in een straatarm gezin, wilde meer. Hij wilde gezinnen die de ene vernedering na de andere moesten ondergaan, hun zelfrespect en gevoel van eigenwaarde teruggeven. De samenleving heeft de alleramsten hun eer en recht ontnomen; dat kun je niet met liefdadigheid goedmaken. In Noisy-le-Grand bouwde hij een gemeenschapshuis, een jeugdbibliotheek en een kerkje.
Inmiddels is de beweging wereldwijd uitgewaaierd. Ruim driehonderd 'volontairs’ (mensen die zich voor korte of langere tijd inzetten voor de beweging) werken in vijfentwintig landen. Behalve in rijke landen inmiddels ook in Afrika en Latijns Amerika. Ze wonen daar in de armste wijken van steden en proberen samen met de bewoners een uitweg uit de armoede te vinden.
Tijdens de jaarvergadering in Den Haag moedigt Alwine de Vos van Steenwijk de Nederlandse ATD'ers aan om een aantal culturele projecten op te zetten in 'arme wijken’. De politiek, zegt ze, heeft het altijd over 'probleemwijken’ omdat ze het woord 'arm’ niet in de mond durft te nemen.
Vanachter de goudgerande leesbril kijken haar donkere ogen de zaal in. Ze praat over de meest elementaire mensenrechten waarvan de armen nog steeds zijn uitgesloten.
'Bij het recht op welzijn denkt iedereen altijd eerst aan voedsel en onderdak. Maar als dat het enige is wat je mensen geeft, dan maak je ze afhankelijk. Mensen hebben meer nodig. Geestelijk welzijn. Ze hebben recht op kennis en cultuur. Boeken, toneel, muziek. Als je mensen deze rechten onthoudt, staan alle andere mensenrechten ook op de tocht.’
DE VOLGENDE zondag, tien uur in de ochtend. Het Congres van Europa begint aan de slotdag. De Anton Philipszaal in Den Haag is goed gevuld. Op het podium zitten elf mannen en twee vrouwen. Handen spelen met pennen, blikken dwalen door de zaal, terwijl een eindeloze stroom van woorden op het publiek neerdaalt. Het lijkt elke volgende spreker meer moeite te kosten de microfoon af te staan. Alwine de Vos van Steenwijk is een uitzondering. Zij heeft maar een paar minuten nodig. Ze roept de toehoorders op om bij hun nationale overheden aan de bel te trekken. Een Europese topconferentie over armoede moet er komen. 'Un sommet sur la grande pauvreté, qui ose porter son nom.’ De zaal klapt beleefd. Maar Mario Soares, oud-premier van Portugal en voorzitter van de Europese Beweging staat op en kust haar op beide wangen.
Is de barones, zelf zeer katholiek, blij met een man als bisschop Muskens, die net als zij de armoede waar hij maar kan aan de orde stelt? Een half jaar geleden nog liet hij zich filmen door RKK/KRO’s Kruispunt toen hij een nachtje doorbracht tussen Amsterdamse daklozen. De ex-diplomate wikt haar woorden. 'Ik geloof oprecht dat hij het heel eerlijk meent. Dat gaan slapen in een dubbelgestikte slaapzak in Amsterdam, heel eerlijk gezegd heb ik er mijn aarzelingen bij. De daklozen zijn slim genoeg om zich af te vragen: wat haalt dit uit? Hebben wij de bisschop echt iets kunnen vertellen, of heeft hij alleen maar liggen slapen? En de mensen voor de televisie, gaan die de wereld anders bekijken? Of zeggen ze enkel: daklozen moeten betere slaapzakken krijgen?’
Toch heeft ze haar hoop op de kerken gesteld. 'Vlak voor zijn dood zei Père Joseph: weet wel dat van onze beweging niets zal overblijven als de kerken de fakkel niet overnemen.’ Ze ging praten met kardinaal Simonis. Simonis, deze zomer nog bij haar te gast in Parijs, gaf daarop een van zijn diakens de opdracht om het gedachtengoed van Père Joseph in het aartsbisdom Utrecht te verbreiden. De afgelopen maanden heeft ze de ATD-diaken begeleid bij zijn kennismaking met de armste kant van Nederland.
NOG EEN JAAR, dan draagt ze het voorzitterschap over. Ruim tien jaar later dan ze eigenlijk van plan was. Zij en Père Joseph zouden eind jaren tachtig de dagelijkse beslommeringen overlaten aan anderen en het rustiger aan gaan doen. Maar in 1988 overleed Père Joseph onverwacht, 71 jaar oud. Ze begreep dat ze voorlopig door moest. 'Na het heengaan van een grote oprichter is er een leegte. Dan moeten de achterblijvers bewijzen dat ze ook zonder hem verder kunnen. Je voelt de mensen om je heen naar je kijken: zou ze het halen of niet?’
Het was moeilijk, vooral de eerste tijd. 'We voelden ons als verloren kinderen.’ Maar nu ze de eerste tien jaar door zijn, durft ze de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien. Al is ze zich ervan bewust dat haar beweging fragiel is. 'Trouw aan de allerarmsten kun je moeilijk in statuten vastleggen. Dat is toch een zaak van mensen onder elkaar.’