De basisbaan

Wat is er nou het ergst aan de hoge werkloosheidscijfers - dat sommige mensen geen geld genereren of dat ze ongelukkig worden van het thuiszitten? Dat laatste, en dus moet er nu ook maar eens iets voor hun welbevinden worden gedaan. In de vorm van de basisbaan bijvoorbeeld.
ZOU FELIX ROTTENBERG het dan toch beginnen te leren? Na jaren van voorgeprogrammeerde ‘discussies’ en het uitschakelen van de invloed van leden initieert de PvdA-voorzitter nu een ‘brede maatschappelijke discussie’ binnen de PvdA, als aanloop naar het congres van februari. En het gaat nu eens niet over de organisatorische modernisering, maar over de visie van de partij.

Begin dit jaar verwoordde Bart Tromp de kritiek van velen toen hij Rottenberg aanviel op zijn autocratische leiding van de PvdA en het verwaarlozen van het inhoudelijke debat. Rottenberg, zo was het verwijt, hielp de partijdemocratie om zeep. Dat Tromp niet alleen stond in deze kritiek bleek toen het daaropvolgende partijcongres de voorstellen (waarin de partijdemocratie nog verder werd uitgekleed) van Rottenberg grotendeels torpedeerde. De voorzitter en zijn kompanen lijken de aanklacht serieus te hebben genomen. Het partijbestuur liet de afgelopen maanden door zeer uiteenlopende denkers drie rapportjes maken ter voorbereiding van het congres in februari. Rapportjes waarin het kabinetsbeleid, het ontstaan van een maatschappelijke tweedeling en de problemen van de steden ter discussie staan. Iedereen mag meepraten, en de uitkomst, zo lijkt vooralsnog, is open.
Alle media-aandacht ging afgelopen weken naar De wonderbaarlijke terugkeer van de solidariteit, geschreven door WBS-directeur Paul Kalma. Kalma gaat immers tekeer tegen Kok en zijn kabinet, en dat is nieuws. Maar het rapport De sociale staat van Nederland is zeker niet minder interessant. Daarin opperen de schrijvers (PvdA'ers uit de sectoren gezondheidszorg, onderwijs, politie en arbeidsbemiddeling, die allemaal beroepshalve veel te maken hebben met mensen die uit de boot dreigen te vallen) het idee van de ‘basisbaan’. Geen basisinkomen, maar een basisbaan voor iedere uitkeringsgerechtigde. Het is nog wat prematuur, maar het zou het begin van een geheel andere benadering van werkloosheid en werklozen kunnen worden.
Uitgangspunt is dat de ondernemingszin en creativiteit van de uitkeringsgerechtigde gestimuleerd moet worden in plaats van afgestraft, zoals op dit moment nog gebeurt. En dat veel meer bezigheden (het volgen van een opleiding, zorg voor buurt of buurtgenoten, het starten van een onderneminkje dat nauwelijks loon oplevert) worden gedefinieerd als werk, waarbij de uitkering dient als loon. Cynici zullen roepen dat het slechts gaat om een herdefinitie van het begrip werkloosheid om eindelijk van dat probleem af te zijn, of om de tewerkstelling van 600.000 bijstandsgerechtigden als buurtconcierges. Daar kunnen de voorstellen zeker in ontaarden, maar op het eerste gezicht is dat niet de inzet van de bedenkers. Over de uitwerking van het idee laten de schrijvers zich helaas nauwelijks uit, maar het lijkt erop dat ze het welbevinden van de werkloze centraal willen stellen.
En dat is exact waar het de komende tijd in het politieke en publieke debat over zou moeten gaan: voor wie of wat is werkloosheid nou precies een probleem? Want het antwoord op die vraag bepaalt ook waar de de oplossing moet worden gezocht. Is werkloosheid in de eerste plaats een economisch probleem, (door ieder niet-gewerkt uur loopt de samenleving inkomsten mis), een moreel probleem (wie niet werkt zal niet eten), een probleem voor de openbare orde (ze worden allemaal crimineel), een financieel probleem (uitkeringen kosten te veel), een welzijnsprobleem (er is zoveel maatschappelijk zinvol werk dat nu blijft liggen), of vooral een probleem voor de werkloze in kwestie? Bij de banenplannen die de afgelopen jaren over elkaar heen tuimelen - van Melkert-banen tot JWG en Werk BV’s - wordt geprobeerd alles met alles te verenigen, maar de wensen van de werklozen zijn slechts van belang zolang ze de andere doelen dienen ('We dwingen ze voor hun eigen bestwil’).
Terwijl er alle reden is om het welbevinden van de werkloze centraal te stellen. Al was het maar omdat er economisch en financieel geen enkele reden is om dat niet te doen. Nederland produceert als nooit tevoren en het aandeel van de uitkeringen in de totale overheidsuitgaven daalt gestaag. En het 'draagvlak’ voor de sociale zekerheid is vooral een kwestie van public relations (naast de nodige fraudebestrijding). Nadat lange tijd de werkloze schuldig werd bevonden aan zijn eigen werkloosheid, is het inmiddels communis opinio dat er te weinig banen zijn en dat sommige mensen nu eenmaal niet - hetzij fysiek, hetzij intellectueel of sociaal - zijn toegerust voor een baan tegen het in Nederland gebruikelijke loon. En aangezien de samenleving geen working poor wil, betaalt de overheid voor die groep werklozen een deel van het loon, in de vorm van loonsubsidies. Dat is het uitgangspunt van het hele scala aan Melkert-banen, banenpools, JWG, et cetera.
Maar je kunt veel verder gaan. Zouden de huidige werkenden immers bereid zijn uren en geld in te leveren, dan kan het overgrote deel van de uitkeringsgerechtigden aan het werk. Kortom: iedereen die in het huidige tijdsgewricht meer dan pakweg 28 uur werkt, is schuldig aan een werkloosheid in evenredige orde van grootte. Die redenering legitimeert het geheel centraal stellen van het welbevinden van de uitkeringsgerechtigden - het is immers al rot genoeg dat wij, werkenden, hun betaalde arbeid onthouden. Het zou wel heel erg zijn als de overheid zich namens die werkenden ook nog eens het recht aanmatigde om te vertellen wat de werklozen moeten doen.
TERUG NAAR DE basisbaan. Zoals gezegd laten de bedenkers zich nauwelijks uit over de uitwerking van het fenomeen. Het zou als volgt kunnen gaan. Iedere uitkeringsgerechtigde is verplicht (en dat is tegelijkertijd de enige verplichting) uitgebreid te gaan praten met instantie X, om zodoende te bekijken wat hij of zij reeds onderneemt, wat hij zou willen en kunnen doen, en hoe dat te verwezenlijken valt.
In principe geldt dit niet alleen voor mensen in de bijstand, maar ook voor WW'ers en WAO'ers (vanzelfsprekend met behoud van hun huidige uitkering). Het feit dat zij premie hebben betaald voor hun uitkering, betekent immers niet dat ze aan hun lot willen worden overgelaten - de bemoeienissen van instantie X zijn geen straf, maar hulp.
Instantie X (bijvoorbeeeld een samengaan van sociale dienst en arbeidsvoorziening) heeft voor die hulp juridische, financiele en marketingdeskundigen in dienst en daarnaast persoonlijk begeleiders, die per persoon pakweg dertig uitkeringsgerechtigden onder hun hoede hebben. Waarbij instantie X ook nadrukkelijk sommige bezigheden kan afraden (zodat er niet plotseling drie oorbellenwinkeltjes per straat worden geopend) en tegelijkertijd lange lijsten heeft van werkzaamheden waar in de betreffende regio/buurt grote behoefte aan is.
Naast opleidingen volgen en onbetaald werk verrichten kunnen de uitkeringsgerechtigden ook gaan ondernemen. Of dat nu het strijken van yuppie-overhemden, het ontwerpen van software, het tegen betaling verzorgen van buurtgenoten of het verhandelen van auto-onderdelen is. De uitkeringsgerechtigden bepalen zelf hoeveel geld ze voor hun diensten vragen, dat is een kwestie van vrije markt. Van dat geld mogen ze, na aftrek van onkosten, een kwart houden. Wie tweeduizend gulden of meer bijverdient en daarvan dus vijfhonderd gulden mogen houden bovenop zijn uitkering, zal al snel besluiten de uitkering af te stoten, omdat dan niet meer drie kwart van het geld ingeleverd hoeft te worden. Dat zorgt voor doorstroming. Wie onbetaald werk doet, kan in ieder geval onkosten declareren.
Zoals gezegd, het bovenstaande is een eigen interpretatie van het idee basisbaan. De kans dat het de komende jaren al tot een dergelijke libertaire invulling komt, is niet zo groot. Daarvoor zijn de repressieve neigingen (tegenwoordig eufemistisch 'integratie’ genoemd) van de huidige generatie bestuurders - ook ter linkerzijde - te groot. Binnenkort wordt het eigen initiatief zelfs extra afgestraft, want door de invoering van de nieuwe bijstandswet per 1 januari aanstaande, moeten bijstanders al hun bijverdiensten inleveren bij de gemeenten.
Maar niet getreurd, want juist op het gebied van werk en uitkeringen is de publieke opinie volop in beweging. Het kan snel gaan. Twee jaar geleden was het zowel links als rechts nog vrijwel onbespreekbaar om uitkeringen te beschouwen als loon. Vanuit vakbondshoek omdat het de gewone banen zou verdringen, vanuit links-libertaire hoek omdat het uitkeringsgerechtigden tot rotwerk zou dwingen en vanuit rechts omdat hiermee in feite de uitkeringen een permanent karakter krijgen en werk wordt gesubsidieerd. Inmiddels buitelen de plannen waarin 'uitkeringen ingezet worden voor werk’ over elkaar heen, zij het dat het vaak om uiterst halfslachtige pogingen gaat.
Behalve het centraal stellen van de mogelijkheden van de werkloze zijn er meer verschillen met de bestaande banenregelingen: de beloning is afhankelijk van hetgeen men doet, er is een vloeiende overgang van 'basisbaan’ naar klein ondernemerschap en van onbetaald naar betaald werk en het gaat niet louter om werk in de collectieve sector. Het verschil met vrijwilligerswerk is dat de uitkeringsgerechtigde veel meer wordt begeleid.
Zoals bij alle plannen die de positie van langdurig werklozen verbeteren, kan ook bij de basisbaan 'verdringing’ - werklozen die met behulp van uitkeringsgeld het werk overnemen van de huidige werkenden - niet helemaal worden voorkomen. Maar er zijn wel manieren om die verdringing te beperken. Bijvoorbeeld door de eis dat iemand met een basisbaan altijd zelfstandig ondernemer moet zijn, en dus meerdere opdrachtgevers moet hebben. Werkgevers kunnen nooit iemand met een basisbaan in dienst nemen, en dat geldt ook voor de overheid. Bovendien is juist voor de ondernemende basisbaners de uitkering tijdelijk, omdat zij zodra ze wat meer verdienen, graag hun uitkering opzeggen. En veel anderen zijn (helaas) zo slecht toegerust voor een baan, dat ze zelfs met behulp van hun uitkering niet gauw de huidige werkenden de loef af zullen steken. Bovendien moet er een beroepsinstantie komen waar vakbonden en burgers (met en zonder basisbaan) terecht kunnen met klachten over de basisbaan. Zo wordt in de loop van de tijd jurisprudentie opgebouwd.
Maar, zullen velen roepen, wie zegt dat de basisbaners netjes opgeven wat ze verdienen en vervolgens drie kwart van het verdiende afdragen? Niemand, maar er is geen enkele reden waarom er met een basisbaan meer zwart gewerkt zou worden dan met bijstand. De 'persoonlijk begeleider’ heeft juist veel meer zicht op wat iemand doet en kan eventuele fraude juist makkelijker traceren.
Een derde mogelijk bezwaar tegen de basisbaan is dat het in jargon 'een neerwaartse druk op het loongebouw’ geeft: de lonen van de huidige werkenden gaan misschien omlaag doordat er veel mensen op de arbeidsmarkt komen die dank zij hun uitkering het werk voor minder willen doen - een variatie op het verdringingsargument. Maar ten eerste moeten de werkenden dat maar overhebben voor de huidige werklozen, waarbij het minimumloon een garantie is dat het nooit de spuigaten uit kan lopen, en ten tweede zal het met die neerwaartse druk wel meevallen.
Ten slotte is de vraag wat er allemaal van terecht komt als instantie X geen enkel drukmiddel heeft om de uitkeringsgerechtigden uit hun luie stoel te krijgen. Zoals gezegd, als de werkloze in kwestie zich volkomen gelukkig voelt in die luie stoel is er niets aan de hand, want dat geluk was het uitgangspunt. Maar als er sterke aanwijzingen zijn dat hij dat niet is, doch uit gewenning tot niets komt? Dan kunnen er over een paar jaar altijd nog 'prikkels’ worden bedacht. Als werk werkelijk zo gelukkig maakt als wij allen denken, zal dat niet nodig zijn.
DE BASISBAAN IN de hierboven beschreven vorm stelt net als het basisinkomen de ontplooiingsmogelijkheden van werklozen voorop, terwijl het twee belangrijke bezwaren tegen het basisinkomen ondervangt: er is geen sprake van een afkoopsom waarna men de uitkeringsgerechtigde aan zijn lot overlaat, en het is veel goedkoper, omdat velen zelf een deel van de uitkering verdienen. En in tegenstelling tot het basisinkomen hebben getrouwde of samenwonende partners van kostwinners (de spreekwoordelijke vrouw van de tandarts) geen recht op een eigen basisbaan-inkomen. Maar zij kunnen zich wel bij instantie X melden voor dezelfde hulp en begeleiding bij het vinden van nuttig, aangenaam en eventueel betalend werk.
Een bezwaar tegen de basisbaan - evenals trouwens tegen de meeste vormen van basisinkomen - is dat het bijdraagt aan de opdeling van de beroepsbevolking in enerzijds gehaasten, veelverdienenden en weinig zorgenden en anderzijds degenen die alle arbeidsintensieve (rot)klusjes doen. Weliswaar zijn die laatsten in het geval van een basisbaan niet uitgerangeerd of geisoleerd en zijn er zelfs doorstroommogelijkheden naar de snelle wereld, maar er blijft sprake van een tweedeling.
Daartegen helpt alleen een grootscheepse herverdeling van werk. En dan niet alleen in de vorm van de tegenwoordig zo populaire vrijwillige deeltijd, maar ook in de vorm van de helaas vrijwel taboe verklaarde verkorting van de werkweek. Want vrijwillige deeltijdarbeid blijft in de praktijk beperkt tot bepaalde werknemers (vrouwen) en werkgevers (de 'softere’ sector). Het zou jammer zijn als door invoering van de basisbaan de neiging tot arbeidsduurverkorting verder afneemt. Een combinatie van beiden is mogelijk, en gewenst.
En nu maar hopen dat het PvdA-congres straks niet louter in het teken komt te staan van de vraag 'is er ruzie of is er geen ruzie’, maar dat de PvdA-leden de basisbaan aangrijpen om een andere invulling te geven aan werk, werk en nog eens werk. En in een klap af te rekenen met het imago van behoudende, materialistisch ingestelde partij.