Sharon beticht van fraude en corruptie

De bazaardemocratie van Israël

Israël mag zichzelf graag profileren als de enige democratie in het Midden-Oosten, maar in de politiek heeft de corruptie er altijd welig getierd. Nu, in het zicht van parlementsverkiezingen, dreigt het al te bont te worden. Zowel premier Sharon als de top van zijn partij wordt beticht van fraude. Hoe gezond is de Israëlische democratie eigenlijk?

JERUZALEM — Twee maanden geleden leken Sharon en zijn Likoedpartij nog onoverwinnelijk. De opiniepeilingen beloofden de 74-jarige generaal meer dan 40 van de 120 zetels in de Knesset, het Israëlische parlement. Een behoorlijke winst ten opzichte van de negentien zetels die de partij nu heeft. De harde hand waarmee Sharon de Palestijnse terreur bestrijdt, deed het goed bij het Israëlische electoraat, dat de nationale veiligheid als het belangrijkste verkiezings thema beschouwt.

Niet dat Sharons beleid op wat voor manier dan ook succesvol is. De economie zit in het slop, zelfs zo erg dat 2002 voor de Israëlische consument het slechtste jaar is geweest sinds het begin van de jaren vijftig, toen de staat nog uit de grond moest worden gestampt. Er worden bijna dagelijks aanslagen gepleegd ondanks Sharons lik-op-stuk beleid; het beloofde «veiligheidshek» dat Israël fysiek van de Palestijnse gebieden moet scheiden, is nog steeds niet gebouwd en een vergelijk met Arafat en de Palestijnen is verder weg dan ooit. Maar «Arik», zoals zijn aanhangers hem liefkozend noemen, bleef «de koning van Israël».

Maar nu is het ineens anders. De recente beschuldiging van fraude en corruptie aan het adres van de premier is een voorlopig dieptepunt in de campagnestrijd voor de parlementsverkiezingen die over twee weken worden gehouden. Een campagne die wordt gekenmerkt door politici die elkaar dood wensen, op grote schaal stemmen opkopen en de wet keer op keer met voeten treden.

Het is eind november als het misgaat bij de Likoedpartij van Sharon. De drieduizend leden van het Centrale Comité van Likoed verzamelen zich in Tel Aviv om te bepalen wie op welke plaats op de kieslijst moet komen. De uitkomst is verbijsterend, en van de manier waarop die tot stand is gekomen, deugt niets, zo blijkt in de weken daarna. Een voor een melden prominente likoedniks (die vinden dat ze te laag op de lijst terecht zijn gekomen) zich bij de pers met verhalen over dubieuze «stemmenmakelaars» en de rol van maffiafamilies in de totstandkoming van de lijst.

Lior Katsav, de zoon van de Israëlische president Moshe Katsav, vertelt dat een lid van het Centrale Comité hem zijn stem aanbood voor duizend à tweeduizend euro. Voormalig Knesset-lid Nechama Ronen kreeg een prijs te horen van driehonderd tot vierhonderd euro. En dan waren er leden van het Centrale Comité die in ruil voor hun stem graag de gevangenisstraf van een familielid verlaagd wilden zien of een goedbetaalde baan bij een aan de overheid gelieerd bedrijf wilden bemachtigen.

Als aan het eind van de interne verkiezingen de stand wordt opgemaakt, blijkt dat bijna de helft van de kandidaten die op een verkiesbare plaats terecht zijn gekomen totale onbekenden zijn, die nauwelijks over enige relevante politieke ervaring beschikken. Zoals serveerster Inbal Gavrieli, die op de 29ste plaats terechtkomt, vier plaatsen hoger dan de burgemeester van Jeruzalem, Ehud Olmert. Gavrieli’s vader leidt een gokimperium en is een goede bekende van de Israëlische justitie. En dan zijn er de ex-bajesklanten Mussa Alperon en Shlomi Oz. De laatste maakt de dienst uit in een van de plaatselijke afdelingen van Likoed en de eerste is zelfs lid van het Centrale Comité.

De onderzoeksrechter heeft inmiddels vijf zaken van fraude en corruptie bij Likoed en een bij de Arbeiderspartij in behandeling. Professor David Nachmias, van het Instituut voor Israëlische Democratie, een onafhankelijke denktank, is verbijsterd over de mate waarin de corruptie en de maffia greep hebben gekregen op de politiek. «Corruptie is hier niet ongewoon, maar dat die zo wijd verspreid is, heeft iedereen verrast. Onze democratie is fragiel en corruptie vormt een bedreiging voor het systeem. Politici hebben helemaal niet het gevoel dat ze verantwoording moeten afleggen. Als zoiets in Nederland gebeurt, treed je af. Maar hier word je voor corruptie beloond en kun je een zetel in de Knesset kopen.»

Het eerste slachtoffer is inmiddels gevallen: Nomi Blumenthal, de staatssecretaris van Nationale Infrastructuur. De voormalige actrice zou de hotelrekening van dertig leden van het Centrale Comité hebben betaald in ruil voor hun steun bij de interne verkiezingen. Ironisch genoeg was het Sharon zelf die haar ontsloeg toen Blumenthal weigerde vragen te beantwoorden over haar verdachte geste. «Als er twijfel bestaat over iemands geschiktheid voor een openbaar ambt, mag hij niet alleen niet zwijgen, hij is verplicht om de omstandigheden waaronder hij is verkozen bekend te maken. Het niet beantwoorden van vragen van de politie is niet alleen onverteerbaar en onjuist, het werpt een smet op een hele beweging», schreef Sharon in Blumenthals ontslagbrief.

Een week later was Sharon zelf aan de beurt. Volgens het dagblad Ha’aretz, dat zich heeft vastgebeten in de Likoed-affaires, zouden de twee zonen van Sharon, Gilad en Omri, anderhalf miljoen dollar hebben geleend van de Zuid-Afrikaanse zakenman Cyril Kern. Dit om een eerdere illegale lening terug te betalen die Omri in 1999 had afgesloten toen vader Sharon campagne voerde voor het premierschap. De Israëlische wet verbiedt leningen uit het buitenland als het gaat om de financiering van verkiezingscampagnes.

De gealarmeerde kiezers zijn inmiddels niet veel wijzer geworden van de verklaring die Sharon gaf in een door alle radio- en televisiestations uitgezonden toespraak. Hij hield het erbij dat zijn zonen onafhankelijk opereren en dat de beschuldigingen allemaal het gevolg zijn van «een afschuwelijke samenzwering» waarvan de daders uiteraard in de hoek van de Arbeiderspartij moeten worden gezocht.

Corruptie is niets nieuws in de Israëlische politiek. De Arbeiderspartij moest in 1977, na bijna dertig jaar onafgebroken aan de macht te zijn geweest, plaatsmaken voor Likoed na een fiks corruptieschandaal. In de jaren negentig was het Shas, de partij voor religieuze, oriëntaalse joden, die regelmatig een greep in de staatskas deed en Benjamin Netanyahu was eind jaren negentig aan de beurt toen hij probeerde een van zijn politieke maatjes tot procureur-generaal te laten benoemen. Tegen de aanbevelingen van de politie in werd geen van de politici vervolgd, met uitzondering van Shas-voorman Aryeh Deri, die ook daadwerkelijk een gevangenisstraf heeft uitgezeten. Ook Ehud Barak van de Arbeiderspartij probeerde bij de verkiezingen van 1999 de aangescherpte regels voor het financieren van campagnes te omzeilen.

Toch is er een verschil tussen de corruptie van toen en die van nu. «Geld heeft altijd een centrale rol gespeeld in de partijpolitiek. Dat is helemaal niets nieuws», zei Motti Morell, de voormalige campagnemanager van Netanyahu in het dagblad Jerusalem Post. «Wat nu anders is, is de aanwezigheid van de georganiseerde misdaad, en dat de corruptie zo openlijk is.»

Misschien nog wel alarmerender is de rol die het zogeheten Centrale Verkiezings comité de laatste weken heeft gespeeld. Het comité is feitelijk bedoeld om de verkiezingen in goede banen te leiden: het houdt de kieslijsten bij, begeleidt de gang naar de stembus en telt de stemmen. Sinds een amendement in 1992 is het gerechtigd om kandidaten voor de Knesset te diskwalificeren als ze aanzetten tot racisme, gewapende strijd en terrorisme of als potentiële Knesset-leden het bestaansrecht van Israël als een joodse en democratische staat ontkennen. Het amendement was toentertijd bedoeld om de extreem rechtse en gewelddadige Kachpartij buiten de deur te houden.

Dit keer werkte het averechts. Het comité diskwalificeerde twee Arabische parlements leden en een hele Arabische partij op grond van het amendement, een beslissing die niet leek ingegeven door juridische overwegingen maar slechts door politiek gewin. Niet zo vreemd, want het comité bestaat uit zittende parlementsleden en heeft dus belang bij handhaving van de status-quo.

De beslissingen werden overigens ongedaan gemaakt door het Hooggerechtshof. «Dat heeft ons gered», zegt Nachmias van het Instituut voor Israëlische Democratie, «maar ik zou graag zien dat het comité wordt samengesteld uit professionals. Politicologen en sociologen die een afspiegeling vormen van de Israëlische samenleving en die oog hebben voor een breed scala aan problemen waar door onze samenleving wordt geplaagd. Het is een van de hervormingen waar de volgende Knesset aan moet gaan werken. Nu is er geen sprake van wat voor controlemechanisme dan ook.»

Daphna Canetti van de Universiteit van Haifa, die zich daar bezighoudt met «politieke psychologie», wijt de corruptie en de schijnbaar antidemocratische tendensen aan wat wel de bazaarmentaliteit van de Israë liërs wordt genoemd: «Dit is normaal gedrag. Israëliërs houden ervan om de kortste weg te nemen. Integriteit en openheid worden in onze politieke cultuur niet aan gemoedigd. Wij zijn eraan gewend om zaken te doen in achterkamertjes; er is helemaal geen traditie van openheid. Dat heeft ermee te maken dat wij, in geografische termen, meer bij Afrika horen dan bij Europa.»

Die bazaarmentaliteit zorgt er ook voor dat de Israëlische politici maar weinig respect kunnen opbrengen voor elkaar. Knesset-leden mogen elkaar in het politieke debat graag voor «nazi» of «verrader» uitmaken, en ook in deze campagne is de woordkeuze weer opmerkelijk. Slachtoffer dit keer is Tommy Lapid van de seculier-liberale Shinuipartij, die zich vooral sterk maakt voor de scheiding van kerk en staat. Dat bracht een van de rabbijnen van de religieuze Shaspartij ertoe zijn volgelingen op te roepen Lapid tot «houtskool» te reduceren. De rabbijn kwalificeerde Lapid als «hond», wat later door een Shas-woordvoerder werd bijgesteld: «Ik denk niet dat ‹hond› een goede omschrijving van Tommy is. Ik denk dat Tommy meer op een varken lijkt.»