De bazen van rusland

DE 52-JARIGE Boris Berezovski heeft niet bepaald de biografie die men verwacht van Ruslands machtigste man achter de schermen. Als gepromoveerd wis- en natuurkundige die zeer gewaardeerde wetenschappelijke verhandelingen schreef en lid was van de Russische Academie van Wetenschappen, leek hij eerder voorbestemd een kwijnend onderzoeksinstituut te leiden dan uit te groeien tot een magnaat met vrijwel onbeperkte macht. Slechts één keer liet hij iets van zijn toekomst doorschemeren. Aan het eind van de jaren tachtig liet hij zich tegen vrienden een zin ontvallen die nogal ongebruikelijk was voor een sovjetwetenschapper: ‘Hoe fijn zou het zijn om rijk te worden.’

Berezovski’s doorbraak kwam in 1989 toen hij werd ingehuurd door de autofabriek AvtoVAZ om een nieuw managementsysteem te ontwerpen. Met deze opdracht verdiende Berezovski zijn startkapitaal. Bovendien kwam hij in contact met de almachtige fabrieksdirecteur Vladimir Kadannikov. Samen met hem vormde Berezovski de fabriek om tot de eerste Russische autodealer op westerse leest: LogoVAZ, dat een groot succes werd. Behalve van Russische auto’s werd het bedrijf dealer van merken als Volvo, Honda, General Motors en Mercedes.
Na deze eerste slag ging het hard met Berezovski. Hij klom op tot directeur van LogoVAZ en kreeg toegang tot steeds hogere kringen. Zijn dadendrang nam toe bij elk succes. Hij drukte het idee door van een Russische publieke televisie-omroep, richtte een bank op, een reclamebureau en een stichting die culturele prijzen uitreikt. Hij kocht de luchtvaartmaatschappij Aeroflot en verwierf aandelen van een krant, een tijdschrift en een kleiner tv-station. Zijn bezittingen dijden uit tot een enorm imperium, de naam bleef die van de oorspronkelijke basis: de LogoVAZ Groep.
Berezovski kreeg vrijwel ongehinderde toegang tot de president, met wie hij een haat-liefdeverhouding ontwikkelde. Soms kwam hij Jeltsin goed van pas en amuseerde hij hem, op andere momenten dreef hij de president tot enorme driftbuien. Aan het begin van het jaar dreigde Jeltsin hem zelfs met deportatie uit het land. Publiekelijk omschrijft Jeltsin Berezovski mild als ‘een levendige persoon’: 'We hebben een deel van de weg samen afgelegd.’
Berezovski’s concurrenten oordelen daarentegen vinniger over de magnaat. Zij zetten hem neer als een man met een uiterst dubieuze moraal. Hij zou zijn eigen invloed schromelijk overschatten en verwachten dat iedereen voor hem buigt.
Berezovski is de markantste figuur van een waaier van oligarchen. Hoewel het precieze aantal magnaten fluctueert, kan een harde kern van een stuk of tien zakenbaronnen worden aangewezen. Tot deze overlevers behoren naast Berezovski in ieder geval Michail Chodorkovski van de Rosprom-Joekos Groep, Michail Fridman van de Alpha Groep, Vladimir Goesinski van de Most Groep, Vladimir Potanin van de Oneksim Bank, en Aleksandr Smolenski van SBS-Agro. Meer aan de rand staan bankdirecteur Vitali Malkin van de Russische Kredietbank en de brandstofkeizers Vagit Alekperov van Lukoil, Vladimir Bogdanov van Soergoetneftgaz en Rem Vjachirov van Gazprom. Een opvallend detail is dat drie van deze tien (Goesinski, Fridman en Malkin) mede-oprichters zijn van het Russisch Joods Congres.
DE TIEN ZIJN de grote winnaars van de omvorming van de centraal geleide sovjeteconomie in een markteconomie. De basis voor de markteconomie werd gelegd tussen 1987 en 1990 toen er voor het eerst voorzichtig werd geëxperimenteerd met het kapitalisme. Van hogerhand werd de communistische Jeugdbond toegestaan om op het gebied van het amusement, de internationale handel en het toerisme geld te verdienen. Dat beviel zo goed dat al snel de privatisering van de staat door de staat werd opgestart en er een 'nomenklatoera-kapitalisme’ ontstond: het partij-apparaat vormde zichzelf om tot klasse van managers en ondernemers. Vaak ging dat simpelweg door een bestaand ministerie af te schaffen, de zittende minister te ontslaan en in het gebouw van het ministerie, met hetzelfde meubilair en dezelfde mensen, een maatschappij te vestigen. Het leeuwedeel van de aandelen ging vervolgens naar de staat, de rest werd onder de topmensen van het voormalige ministerie verdeeld. Zo werd bijvoorbeeld Gazprom (Gasindustrie) geprivatiseerd, het bedrijf dat mensen als Viktor Tsjernomyrdin voortbracht.
NAAST DEZE geleide privatisering waren er ook spontane economische initiatieven, aangevoerd door jonkies. In de begintijd werden deze nieuwelingen vaak vertrouwelingen van de zittende nomenklatoera. Zij werden door de oude garde 'geautoriseerd’, wat zoveel betekende dat het hun werd toegestaan rijk te worden. Deze 'autorisatie’ vond vooral plaats in de financiële sector en in de exportsector van gas, olie en metalen, ofwel de activiteiten die de snelste en grootste winsten opleverden. Politici verdrongen zich om deze ruif. Voor het militair-industriële complex, het walhalla van weleer, verloren zij hun aandacht.
Vanaf het begin van de jaren negentig begonnen zich rond geprivatiseerde banken en industriële giganten clusters te vormen van bedrijven uit de mediawereld, het bankwezen en de brandstofindustrie. De Most Groep van Vladimir Goesinski ontwikkelde zich tot een van de eerste imperia. De groep verwierf onder meer de krant Sevodnija, twee tv-stations waaronder het grote NTV, een radiostation, een aan het Amerikaanse Newsweek gelieerd tijdschrift, een tv-gids en een eigen bank, de Most Bank, die populair is bij bedrijven als Siemens Nixdorf en Mercedes.
De nieuwe imperia drukten kleintjes en nieuwkomers van de markt. Het open karakter van de begintijd verdween; de strijd werd gewelddadig en grimmig. Uiteindelijk bleven alleen de geautoriseerde structuren over en de maffia die zich niet liet intimideren. Van de nieuwe economische elite komt meer dan zestig procent op de een of andere manier uit de oude nomenklatoera voort.
TOEN DE OLIGARCHIE eenmaal was gevestigd, nam men afstand van al te drastische concurrentiemethoden. Volgens Anatoli Tsjoebais, een man met goede toegang tot de oligarchie, werd er rond 1993 afgesproken dat men voortaan als zakenlieden in plaats van als maffiosi met elkaar zou omgaan. Berezovski zou royaal hebben beloofd voortaan geen huurmoordenaars meer in te schakelen. Voormalig vice-premier Boris Nemtsov meende dat de economische elite omschakelde van 'semi-gangsterachtige accumulatie van kapitaal’ naar 'min of meer normale, beschaafde verhoudingen’.
Plotseling ontdekten de oligarchen een gemeenschappelijk belang. Zij sloten zich aaneen tot een club van eersterangs burgers op wie andere wetten en regels van toepassing zijn dan op gewone burgers. Volgens Nemtsov voelt Berezovski zich een uitverkorene van God. De Berezovki’s willen naar zijn mening 'het land besturen en het bezit onderling verdelen en zelf de regels vaststellen van het verdelingsproces’. Berezovski vindt dat de groep zakenlieden de regering zou moeten samenstellen. Uiteindelijk steunt het kabinet volgens hem toch op 'het grote geld’.
De presidentsverkiezingen van 1996 maakten de oligarchen bewust van het belang van politieke stabiliteit. Drastische politieke koerswijzigingen zouden hun imperia kunnen ondermijnen. Derhalve stelde een club van dertien topondernemers aan de vooravond van de verkiezingen een manifest op dat de rivaliserende partijen tot kalmte maande. Berezovski sprak zich publiekelijk uit voor uitstel van de verkiezingen. Anatoli Tsjoebais, op dat moment campagneleider voor Boris Jeltsin, sloeg munt uit de onrust van de economische elite. Hij wist zeven van hen, onder wie Berezovski, Goesinski en Potanin, te verenigen in de Club van Davos, een financieel steuncomité voor de herverkiezing van de president.
Berezovski wierp zich op als ideoloog van de Club. Hij kreeg aandelen toegespeeld van het conglomeraat Sibneft (Siberische olie), om met de opbrengsten ervan Jeltsins campagne te ondersteunen. Daarnaast stelde hij, evenals de andere leden van de Club, de media die hij controleerde ter beschikking van de president. Jeltsin werd de hemel ingeprezen. Zijn fysieke ineenstorting tijdens de campagne werd zorgvuldig doodgezwegen.
NA ZIJN HERVERKIEZING begon Jeltsin met het afbetalen van zijn politieke schuld. Geprivatiseerde staatsbedrijven kwamen vrijwel zonder uitzondering bij leden van de Club terecht. Zij mochten onderling uitvechten wie de nieuwe hapjes kreeg. Daarnaast benoemde Jeltsin magnaten op politieke functies. Vladimir Potanin van de Oneksim Bank fungeerde van augustus 1996 tot maart 1997 als eerste vice-premier onder Tsjernomyrdin, verantwoordelijk voor het financiële en economische beleid.
Berezovski kreeg een verrassende aanstelling in de Veiligheidsraad. Hij moest financiële steun regelen voor het vredesakkoord in Tsjetsjenië. Volgens de uit de Veiligheidsraad ontslagen generaal Lebed kon Berezovski daardoor zijn misdaden in Tsjetsjenië afdekken. Na eerst rijk te zijn geworden van de oorlog kon hij nu rijk worden van de vrede. Lebed sneerde: 'Er moet een pijplijn door Tsjetsjenië getrokken worden. Een pijplijn betekent investeringen en investeringen zijn altijd lollig.’
Berezovski verloor eind 1997 zijn post in de Veiligheidsraad maar werd april dit jaar opnieuw bedacht met een staatsfunctie. Hij werd secretaris van het Gos, belast met economische aangelegenheden. Opnieuw liggen lollige investeringsmogelijkheden in het verschiet.
ONDANKS HUN gemeenschappelijke belangen bleven de oligarchen onderling hevig concurreren. De imperia wisselden kortstondige tactische allianties af met keiharde strijd. Fysieke en zakelijke afrekeningen bleven echter uit, ondanks hardnekkige geruchten over geplande huurmoorden. Toch was het zaad van een hernieuwde onderlinge oorlog gezaaid. De benoeming van Potanin in de regering was Berezovski en Goesinski in het verkeerde keelgat geschoten. Toen Potanin na zijn ontslag met zijn Oneksim Bank in juli 1997 de veiling van aandelen van het telecommunicatiebedrijf Svjazinvest wist te winnen, barstte de bom. Onmiddellijk begonnen de media van Berezovski en Goesinski een campagne tegen Potanin. Hij zou tijdens zijn regeerperiode tweederde van het staatsbudget hebben overgeheveld naar zijn bank. Bovendien zou hij onder één hoedje spelen met Anatoli Tsjoebais. Die zou als vice-premier Svjazinvest aan Oneksim hebben toegewezen.
De bodem was onder de Club van Davos weggeslagen. Omdat de overheid niet langer werd gezien als neutrale scheidsrechter, veranderden de spelregels. De coalitie tussen de president, hervormers als Tsjoebais en de oligarchen viel in stukken uiteen.
Berezovski en Goesinski keerden zich van de hervormers af en zochten contact met onder meer de communistische oppositie. Berezovski liet zijn oliemaatschappij Sibneft met Michail Chodorovski’s Joekos fuseren om zo het bedrijf Joeksi te vormen. Deze gigant kreeg de rol toebedeeld van financier van de verkiezingscampagne van Tsjernomyrdin in het jaar 2000, precies zoals Sibneft dat was geweest voor Jeltsin in 1996.
De rel rond Potanin en Svjazinvest legde het voortdurende wantrouwen tussen de oligarchen bloot. Bovendien werd duidelijk dat geen van de kampen een doorslaggevende invloed had op het politieke centrum. Het was Jeltsin die verdeelde en heerste. De president bevoordeelde nu eens Berezovski, dan weer Potanin of Tsjoebais. Hij ontsloeg Tsjoebais maar verzette zich niet tegen diens benoeming tot voorzitter van Verenigde Elektriciteit, Ruslands grootste elektriciteitsbedrijf, waardoor Tsjoebais een collega van de oligarchen werd. Berezovski werd door de president ontslagen uit de Veiligheidsraad, maar mocht weer terugkomen als secretaris van het Gos. Ook Tsjernomyrdin werd aan een touwtje gehouden. De president ontsloeg hem in maart, maar haalde hem na het vertrek van Kirijenko weer terug als begunstigde.
DE ECONOMISCHE crisis van deze zomer bracht de oligarchen weer tot elkaar. Gazprom nam het initiatief het gehele gezelschap aan één tafel te krijgen. Jeltsin nodigde prompt de economische toppers uit in het Kremlin. Opvallende aanwezige op de vergadering was Tsjoebais als voorzitter van Verenigde Elektriciteit; even opvallend was de afwezigheid van Berezovski. De tien boden de president hun diensten aan als adviseurs. In een oproep maanden zij, net als in 1996, tot sociale en politieke rust in wat zij 'de ergste crisis in jaren’ noemden. Vervolgens sloot Berezovski zich aan bij de tien en wenste onmiddellijk de vorming van een anti-crisiscomité dat vrijwel dagelijks bijeen moest komen. Met enige regelmaat hield de top-elf besprekingen met zowel Kirijenko als Jeltsin. Tsjoebais werd uit hun midden verkozen om met het IMF te onderhandelen over een mogelijke lening. Tegelijk werd met de communisten overlegd over de crisis.
De kranten van Berezovski wezen op een gelijkenis met de situatie van 1996: ook toen werd Tsjoebais ingezet als crisismanager. De crisis nu is echter veel gecompliceerder dan die van 1996. Toen ging het simpel om het afwenden van een communistische machtsovername. Nu zijn de doelen minder helder. Duidelijk is alleen dat een voortdurende crisis de staat zal dwingen zich actiever met de economie te bemoeien. Privatiseringen zullen worden uitgesteld en hernationalisaties overwogen.
Hoe het antwoord luidt op de aanhoudende chaos, is echter minder eenvoudig. Berezovski maakte zich sterk voor de IMF-lening die Tsjoebais in juli loskreeg. Alekperov, Bogdanovitsj, Vjachirov en later ook Goesinski waren tegen de lening. Zij wensten de devaluatie van de roebel. Nu beide oplossingen zijn geprobeerd, houden de meeste oligarchen zich stil. Over de enige werkelijke bijdrage die zij aan de crisisbestrijding zouden kunnen leveren, het betalen van hun belastingschulden, zwijgen zij in alle talen. Alleen Berezovski roept luid dat hij alles onder controle heeft. Volgens hem zal de crisis alle partijen dwingen tot samenwerking. Maar die samenwerking verloopt vooralsnog uiterst moeizaam. Enig wantrouwen tegen Berezovski’s opschepperij is geboden. Hij laat zich voorstaan op zijn regelkunst, ook als deze faalt. Illustratief is de regeringswisseling van maart van dit jaar. Het ontslag van Tsjernomyrdin als premier verraste Berezovski compleet, maar niettemin liet hij in de media doorschemeren er een hand in te hebben. Vervolgens kreeg hij te maken met de hem onwelgevallige premier Kirijenko. Iets dergelijks kan nu eveneens gebeuren. Berezovski lijkt als Ruslands machtigste man achter de schermen op z'n retour.