Opkomst van een poëtische tegencultuur

De Beat Generation

Met hun extatische vreugde van het ogenblik gaven de beats de Verenigde Staten een bedding van tegencultuur. Deze leidde tot de reanimatie van het evolutionaire poëtische gedachtegoed van Europese beat-inspiratoren als

Rimbaud en Baudelaire.

De verdiensten van de Beat Generation werden al in 1961 volop onderkend door Tuli Kupferberg in zijn Beatniks of the War against the Beats (als geciteerd door Simon Vinkenoog in diens naschrift bij Proef je tong in mijn oor, zijn vertaling van de poëzie van Allen Ginsberg, Amsterdam 1966):

«1. Zij was de enige belangrijke revolutionaire beweging in de Verenigde Staten na de Tweede Wereldoorlog,

  1. Zij vernietigde het academisme in de Amerikaanse poëzie,

  2. Zij verwierp de identificatie van ‹Amerikaans› met kapitalisme en imperialisme, oorlog en bommen,

  3. Zij schiep voor de eerste maal een (relatief) massa-publiek voor poëzie en daarom van alle andere vormen van kunst,

  4. Zij bracht seks (weer) waar het thuis hoort in het menselijk leven, ergens nabij het centrum,

  5. Zij bood de Amerikaanse jeugd de hoop van een alternatief, en

  6. Zij verloste het persoonlijk leven van wie er maar deel van uitmaakte van verveling, defaitisme, slapende verwarring en doelloosheid. Zij maakte het leven weer opwindend.»

Zo veel decennia later valt er op deze opsomming nauwelijks iets af te dingen. De Beat-generatie staat aan de wieg van alle generaties die erop volgden. Zonder Beat Generation geen Beatles en geen Bob Dylan, om maar eens twee pregnante erfgenamen te noemen. Maar ook de Vijftigers in Nederland zijn zonder beat moeilijk voor te stellen. Er loopt een direct spoor van het appartement in New York waar de jonge schrijvers Jack Kerouac, Allen Ginsberg en William Burroughs zichzelf ergens in de jaren veertig van de vorige eeuw tot generatie uitriepen, naar de gehele tegencultuur die daarop volgde; van Woodstock tot de Love Parade in Berlijn.

«De poëzie is muziek geworden en het gesproken dichterlijke woord een beat», schreef Simon Vinkenoog in 1966 over de invloed van de beats. «Een jonge generatie dichters begaat dezelfde paden, onderneemt individueel die veelvoudige reis, die al duizenden voor hen gemaakt hebben, op zoek naar zichzelf. En de westerse mens dezer dagen zal zijn zoeken oostwaarts richten, zoals de Dalai Lama zijn intelligente leerlingen naar het Westen stuurt.»

Jack Kerouac was niet gelukkig met zijn uitverkiezing tot hippie-idool. De jaren zestig bracht hij vooral drinkend door, in groeiend isolement, om uiteindelijk op 21 oktober 1969 het tijdelijke voor het eeuwige te verruilen. Zeer tot zijn ongeluk zag hij zijn boek On the road (1957) uitgroeien tot de bijbel van de hippiegeneratie. Zijn medebeatnik Neal Cassady, die zelf model stond voor een van de figuren van On the Road, kon er juist geen genoeg van krijgen. Zo was hij van de partij toen de Merry Pranksters van Ken Kesey in 1968 begonnen aan hun psychedelische lsd-trip per bus dwars door de Verenigde Staten als victorietocht van datzelfde hippiedom. Ook collega-beat William Burroughs, die in de jaren vijftig vooral faam genoot vanwege het feit dat hij in 1951 zijn echtgenote in Mexico had vermoord na een mislukte poging een appel van haar hoofd te schieten met zijn pistool, zou in de jaren zestig moeiteloos culturele aansluiting vinden, onder meer bij de hofhouding van Andy Warhol in New York. Allen Ginsberg, de dichter van Howl, het ultieme gedicht van de Beat Generation, zou uitgroeien tot de icoon van de jaren zestig en was veelvuldig in de buurt van collega-icoon Bob Dylan te vinden, onder meer in de legendarische clip van Dylans Subterannean Homesick Blues.

«Beat» is volgens de Dictionary of American Slang uit 1969: «Aan de grond zitten en vrij zijn van alle maatschappelijke banden, met een alle burgerlijke normen negerende overtuiging van eigen mogelijkheden en revolu tionair op een ongearticuleerde manier, omdat politieke actie niet de weg naar bevrijding is.» Dat streven is anno 2001 onverkort van kracht, afgezien dan van het begin, want «aan de grond zitten» staat heden wat minder in aanzien dan in de jeugd van Kerouac en de zijnen in het Amerika van Dwight D. Eisenhower. «Vrij zijn van alle maatschappelijke banden» echter des te meer. Dropping out is een manier van leven geworden. De term «Beat Generation» werd uitgevonden door Kerouac. Als Hemingway en F. Scott Fitzgerald, hun voorgangers, de «lost generation» waren, dan waren zij de «Beat Generation», aan de ene kant verslagen, onderliggend, verdrukt, anderzijds dragers van een «new vision», en vooral een nieuw ritme. Beat was de jazz van Charlie Parker. Beat was de samensmelting van zwarte en witte cultuur in Amerika (al merkte de zwarte schrijver James Baldwin eens op dat hij niet voor Kerouacs persoonlijke veiligheid zou instaan als deze zijn lyrische literaire visie van zwart Amerika zou ontvouwen op het podium van het Apollo-Theater in Harlem).

Tot grote woede van Kerouac was het niet hij, maar collega-schrijver John Clellon Holmes die met de primeur aan de haal ging. Van onderlinge rivaliteit waren ook de beats niet vrij (de schade werd nog meer onherstelbaar toen Holmes later ook nog de eerste officiële Beat-roman schreef, Go). Op 16 november 1952 publiceerde Holmes zijn artikel «This is the Beat Generation» in The New York Times Magazine. Holmes ging in zijn artikel over de hippe weedrokende anti-politieke generatie van na de Tweede Wereldoorlog onder meer uitgebreid in op het verschil tussen Hemingways lost generation en zijn eigen Beat-generatie. «Terwijl de lost generation zich bezighield met het verlies van geloof en vertrouwen (faith), is de Beat Generation juist meer en meer gepreoccupeerd met de behoefte daaraan», zo schreef Holmes. De lost generation was vooral bezig met het verwerken van de desillusies en de vernietiging. De beats waren op zoek naar een uitweg uit de crisis, en wel via een spirituele revolutie, en dat was, zo oordeelde Holmes, uiteindelijk veel gevaarlijker.

Holmes: «Het is een verontrustende illustratie van Voltaires bekende grap: als er geen god was hadden we er eentje moeten uitvinden.» Holmes vergeleek zijn generatie met die van Dostojevski in het pre-revolutionaire Rusland: «Jong Rusland praat heden over niets anders dan over de eeuwige kwesties, schreef Dostojevski rondom 1880. Hetzelfde gebeurt nu min of meer in Amerika, op de Amerikaanse manier.»

Dichter Michael Horovitz, zelf ook behoorlijk beat, formuleerde het zo: «Toen de Beat Generation ontstond, drongen dichters, met profetisch inzicht, al aan op het overweldigende belang van het aanvullen van hun voorraden oude jamben door het gebruik van een mengsel bevattende spontaniteit, bop, prosodie, surreële-reële beelden (images), sprongen (jumps), beats, koele maten (cool measures), lange snelle (rapidic) klinkers (vowels), lange, lange regels en, het hoofdbestanddeel, soul. De technische betekenis van de naam is in grote mate veronachtzaamd — dat de maat niet is afgestemd op boodschap of op lettergrepen tellen, maar op gevoel: het ontbrande (turned on) terrein voorbij woorden, gelukzaligheid, de hartslag die bonst volgens het ritme van het ogenblik, ontsprongen in gesproken woord met al haar nuances, aarzelingen en vibraties van het gehele menselijke complex. Het levend oog zet met adem van ruimten en sprongen het boek naar waarbinnen de registratie is ingelijst — dichter bij ontwikkelingen in abstracte schilderkunst en niet-gedetermineerde muziek dan de uitgedragen conventies van academische versificaties».

Met hun extatische vreugde van het ogenblik, hetzij beleefd tijdens een lange reis van Chicago naar San Francisco, hetzij door middel van drugs, muziek, seks, poëzie of desnoods via boeddhistische meditatie (de beats waren van alle markten thuis) gaven de beats de Verenigde Staten eindelijk een bedding van tegencultuur, die op haar beurt leidde tot de reanimatie van het revolutionaire poëtische gedachtengoed van Europese beat-inspiratoren als Rimbaud en Baudelaire en hun «deregulering van de zintuigen».

Net als Baudelaire kregen de beats hun grote bekendheid vooral dankzij een verbod. In 1956 werd Ginsbergs Howl, het grandioze requiem voor de Beat Generation, in beslag genomen door de Amerikaanse douane (het boekje was in Engeland gedrukt). Het was, zo oordeelden de autoriteiten, een «obsceen geschrift», met zijn nadrukkelijke verwijzing naar seks, drugs en de zelfkant. Daarmee was meteen de ideale advertentie geplaatst. Tijdens een legendarische voorleesavond in boekwinkel City Light in San Francisco bracht Ginsberg Howl ten gehore voor een extatisch publiek. Howl werd de literaire gebeurtenis van het jaar. In Ginsbergs kielzog volgde Kerouac, aan wie Ginsberg Howl had opgedragen als «de nieuwe boeddha van de Amerikaanse literatuur». Het jaar daarop volgde de uitgave van On the Road. 1957 was ook het jaar van Elvis Presley, Marlon Brando en James Dean. On the road was de literaire evenknie, zorgde voor minstens evenveel sensatie. Time beschuldigde Kerouac ervan «een legitimatie te geven aan oververhitte jongeren die rond ’s lands jukeboxen hangen en zinloos keet trappen op middernachtelijke straten». De beatnik werd na de spoetnik de nieuwe Amerikaanse Bürgerschreck. De FBI greep meteen in door On the Road-inspirator Neal Cassady te arresteren op grond van het voornemen tot het aankopen van marihuana, zodat deze meteen twee jaar moest gaan zitten in de gevangenis van San Quentin. Het was de eerste dramatische consequentie van Kerouacs roem, de roem die hem uiteindelijk zou vernietigen. «Roem maakt dat je niet meer kan schrijven», zo stelde hij en hij stortte zich in een aanhoudend alcoholistisch bacchanaal. De bulk van zijn werk — On the Road, Visions of Cody, Doctor Sax, Springtime Mary, The Subterraneans, San Francisco Blues, Some of the Dharma, Book of Dreams, Wape Up, Mexico City Blues en Vision of Gerard — was gelukkig al voor 1957 geschreven.

Kerouac stierf verbitterd en vereenzaamd. Typerend voor hem is dat hij ook zijn enige kind, een dochter, niet wenste te kennen. Toch zou die dochter — de schrijfster Jan Kerouac — uitgroeien tot zijn vrouwelijke evenknie. Ze zag haar vader slechts twee keer in haar leven (de laatste keer beschreef zij in haar debuut Baby Driver: A Story About Myself uit 1981). Kerouac senior wenste niets van zijn dochter te weten. Eerder had hij geprobeerd via een bloedonderzoek aan te laten tonen dat hij niet de biologische vader was, en toen dat niet het gewenste resultaat gaf, besloot hij het kind straal te negeren.

Tegen de tijd dat ze een tiener was, stortte Jan Kerouac zich in de hippie-scene van Haight-Ashbury in San Francisco, raakte behoorlijk verslaafd, en werd op last van haar moeder in een psychiatrische inrichting geplaatst, waar ze ontsnapte naar Mexico en onder meer als prostituee werkte. Haar boek Baby Driver: A Story About Myself gaat over die roerige tijden. Haar volgende boek Train Song (1988), over haar reizen door Mexico, was een al even reislustig boek als haar vaders On the Road. Later belandde Jan Kerouac in een uitputtende juridische strijd over de rechten op het oeuvre van het literaire werk van haar vader. Haar tegenstander was de weduwe van de schrijver. Zo werd ze naar eigen zeggen tot vijandin verklaard van de overlevende beat-auteurs. In 1995 beklaagde Jan Kerouac zich in een open brief over het feit dat ze tijdens een congres over de literatuur van haar vader in New York op last van de familie van diens laatste echtgenote door de politie uit de zaal werd verwijderd. Een jaar later stierf ze aan een nierziekte, veroorzaakt door haar vroegere wilde jaren.

Strikt genomen was Jan Kerouac (1952-1996) geen lid van de Beat-generatie. Ze was er eerder een soort toegift op. In ieder geval toonde ze aan dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan.