De beatles op cuba

Terwijl de vrije wereld gespannen de nieuwste Beatles Anthology afwacht, komt uit Cuba het bericht dat de Fabulous Four in dit laatste bastion van het wereldcommunisme gerehabiliteerd zullen worden. Dertig jaar geleden deed Fidel Castro popmuziek in de ban, samen met contrarevolutionaire bijverschijnselen als lange haren, jeans en minirokjes.

Er valt ongetwijfeld veel op het kapitalisme aan te merken, maar al die kritiek verdampt in het licht van dit soort orwelliaanse cultuurpolitiek. En hoewel theorieën over de verwantschap tussen communisme en fascisme als koude-oorlogpropaganda naar de prullenbak zijn verwezen, in de bestrijding van ‘ontaarde’ kunst hebben de rode broeders nooit ondergedaan voor hun bruin- en zwartgehemde tegenvoeters. In beide gevallen ging het om hetzelfde: het verbieden van vrijheid.
Wat zouden ze daar eigenlijk gaan bespreken op dat driedaagse, door de staat geregisseerde Beatles-congres? Wat betekent 'rehabiliteren’ eigenlijk op dit paradijselijke eiland, waar bewoners de verdrinkingsdood en haaietanden riskeren door op zelf geknutselde vlotten richtng Florida te peddelen?
Ik kan mij het programma van de eerste congresdag wel voorstellen. Vijf hoogleraren van de Universiteit van Havana geven hun interpretatie van de Lennon-en-McCartney-compositie Back in the USSR (1968), een liedje waarin de lof gezongen wordt van Moskouse en Oekraïense meisjes - 'they leave the West behind’ - de witbesneeuwde bergtoppen van de Kaukasus en de schoonheid van de balalaika. En, vooruit, dag nummer twee: de semantische ins en outs van het nummer Revolution, de aarzelende getuigenis van John Lennon uit het revolutiejaar 1968.
Mojo, het Britse popblad voor oudere jongeren, wijdde onlangs een uitvoerig artikel aan dit muzikale manifest. Lennon had het nummer geschreven uit engagement met het Vietnam-protest en de massale studentendemonstraties in Amerika en West-Europa. Maar de liefdeszomer van 1967 echode nog te veel na in zijn hart om zich zonder bedenking solidair te verklaren met de gewapende klassenstrijd. 'But if you talk about destruction, don’t you know that you can count me out’, zong hij ruig rockend op de B-kant van McCartneys zoetsappige ballade Hey Jude. Hij had er niettemin lang over zitten dubben: count me out of count me in. Volgens Beatles-archeologen bestaat er ook een versie met de laatstgenoemde formulering.
Dat de tijdgeest aandachtig meeluisterde, bleek uit de reacties op het uiteindelijke out. Het weekblad Time, boegbeeld van de reactie, prees de Beatles rechtstreeks het contrarevolutionaire graf in. De New Left Review deed in feite hetzelfde door bijtend te schrijven van 'a lamentable petty bourgeois cry of fear’. En Nina Simone nam een gelijkgetiteld tegennummer op waarin zij Lennon uitnodigde zijn 'brein te reinigen’.
Mick Jagger had zich er heel wat gemakkelijker van afgemaakt. Toen hem de betekenis van het opruiende Street Fightin’ Men werd gevraagd, verklaarde de Stones-zanger dat het gewoon een lekker gitaarrifje was en dat de tekst nu eenmaal nooit terzake doet bij rock 'n’ roll. Lennon probeerde een paar jaar later zijn reputatie van wankelmoedige kleinburger te rehabiliteren. In een interview in 1971 met het blad Rolling Stone vertelde de meervoudige rockmiljonair nu een Mao-medaillon op zijn revers te dragen: 'I’m just beginning to think he’s doing a good job.’ Nog geen drie jaar eerder had de Beatle gezongen: 'But if you go carrying pictures of Chairman Mao, you’re not gonna make it with anyone anyhow.’
De moordaanslag op de avond van 8 december 1980 maakte een einde aan het leven van deze would be-revolutionair. En daarmee kom ik tegelijk op het onderwerp voor de derde dag. Volgens de officiële geschiedschrijving werd Lennon vermoord door een uit Hawaii afkomstige gek: Mark David Chapman. Maar misschien wordt het nu tijd voor een onderzoek naar de Havana-connection. Chapman blijkt een door Fidel Castro ingehuurde hitman of is gewoon het slachtoffer van een set up van Cubaanse ballingen.
Pop heeft nooit veel boodschap aan politiek gehad, behalve de kortstondige flirt met de revolutie tegen het einde van de jaren zestig. De liefdesverklaring werd echter met een oorlogsverklaring beantwoord. Overal in de communistische wereld werd popmuziek verboden, al moesten de rode grijsaards hier en daar hun toevlucht nemen tot repressieve tolerantie.
In de Sovjetunie bijvoorbeeld, waar in de jaren zeventig een soort staatsrock gespeeld werd door bandjes met droefgeestige namen als The Singing Guitars from Moscow of The Jolly Kids from Leningrad. Deze contraprestatie-rockers moesten voor hun teksten en presentatie verantwoording afleggen in een speciale Kultuurkamer voor popmuziek. Hun horigheid werd beloond met platencontracten bij het monopolielabel Melodia. Deze Ersatz-pop kon echter niet verhinderen dat er een bonte underground-wereld ontstond.
Maar ook de stormloop vanuit het Westen bleek in de jaren tachtig onhoudbaar. Al in mei 1979 had Elton John op het Rode Plein gestaan en in zijn voetspoor volgden velen, van Frank Zappa tot de Nederlandse Nits.
Al jaren vóór de val van de Muur had popmuziek de fundamenten van het communisme ondergraven. Tegen de subversiviteit van rock 'n’ roll bllijkt geen dictatuur of dictator bestand.
En zo wordt John Lennon, zij het postuum, toch nog erkend als revolutionair.