Virussen worden zwaar onderschat

Dé bedreiging van de 21ste eeuw

Virussen zijn een grotere bedreiging voor de mens dan oorlogen. Het gevaar wordt onderschat. In Nederland wordt intussen wel hard gewerkt aan draaiboeken voor mogelijke doemscenario’s.

Agressieve bacteriën en virulente virussen die bevolkingsgroepen massaal op een gruwelijke manier de dood in jagen, zijn een geliefd onderwerp voor filmmakers en schrijvers van bestsellers. De horrorfictie blijkt de werkelijkheid vaak dicht te naderen. Zo trok de film Outbreak met Dustin Hoffman in de hoofdrol in 1995 maandenlang volle zalen. Het verhaal van een stoere viroloog die de strijd aanbindt tegen de verspreider van de ziekte «Motaba» was profetisch. In hetzelfde jaar sloeg in Zaïre het Ebola-virus toe dat een gelijkenis vertoonde met het gedramatiseerde doemscenario. Het veroorzaakte enorme paniek. Maar anders dan in de film kon door de lage besmettelijkheid en hoge mortaliteit (circa zestig procent) de lokale epidemie snel worden beheerst en beperkt blijven tot enkele honderden doden.
Dat de angst voor kaalslag door een micro-organisme reëel is, laat de dodelijke longziekte sars andermaal zien. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) sloeg twee weken geleden groot alarm. Per dag neemt het aantal gevallen van deze nieuwste virusinfectie toe. Meer dan tweeduizend mensen zijn al ziek. Tachtig mensen zijn in twintig landen al gestorven.
Over de oorzaak is tegelijkertijd weinig bekend. Isolatie van besmette gevallen en preventieve maatregelen, zoals het dragen van mondkappen in de infectiehaarden in Zuidoost-Azie, zijn voorlopig de enige en aloude remedie om te voorkomen dat het uitloopt op een mondiale epidemie (pandemie).

Sars is niet uniek. In de geschiedenis is het een komen en gaan van vergelijkbare epidemieën. Soms worden ze geheel uitgeroeid, soms blijken ze terug van weggeweest. Soms manifesteren zich plotseling nieuwe en nog onbekende bronnen van dodelijke infectieziekten.
Een kleine greep uit virussen die in de afgelopen decennia de kop opstaken, geeft aan hoe actueel het probleem is. Het Marburg-virus in 1967. Een familielid van Ebola, het Lassa-virus (1969). Het rotavirus (1973), de belangrijkste oorzaak wereldwijd van diarree. Het parvovirus B19 (1975). Het HIV-virus, de veroorzaker van aids (1983) waarmee momenteel 42 miljoen mensen zijn besmet en waardoor reeds miljoenen mensen zijn overleden. En het hepatitis C-virus (1989).
Het rijtje is moeiteloos aan te vullen met vele virussen die op het toneel verschenen, weer verdwenen en niet altijd konden worden gediagnosticeerd. Volgens virologen en infectiedeskundigen wordt het gevaar ervan onderschat: dodelijke bacteriën en virussen liggen permanent op de loer en zouden weleens dé bedreiging van de 21ste eeuw kunnen zijn.
De Amerikaanse wetenschapsjournalist Laurie Garret stelt in haar boek The Coming Plague: Newly Emerging Diseases in a World out of Balance (1995) dat de westerse geneeskunde door de naoorlogse triomf van medische technologie met vaccins, de komst van de antibiotica (tegen bacteriën) en pesticiden de evolutie van nieuwe microben grenzeloos heeft onderschat. Te laat werd volgens haar ingezien welke maatschappelijke omstandigheden nieuwe infectieziekten hebben bevorderd. «In Afrika en Zuidoost-Azië zal door ziektelast de economische productiviteit verder afnemen en de spiraal van armoede en honger zich voortzetten. Het is de prijs van de hoogmoed die we moeten betalen voor onze vermeende meesterschap over de natuur die we hebben verstoord, geëxploiteerd en veranderd in de verwachting dat we alle plagen konden uitroeien», constateert zij in haar boek.

Virologen en infectiedeskundigen zijn de afgelopen vijftien jaar alleen maar bezorgder geworden. Toen in 1977 de laatste pokken patiënt in Ethiopië werd geïsoleerd en de omgeving was gevaccineerd, dacht de Wereldgezondheidsorganistie dat malaria en polio snel zouden volgen. Dat bleek allerminst het geval. Intensief gebruik van DDT maakte de malariamug resistent tegen pesticiden. Niet-selectief gebruik van kinine zorgde voor toenemende resistentie van de parasiet, ook voor de nieuwste middelen, in Azië en Afrika. Migratie van grote bevolkingsgroepen binnen de Derde Wereld droeg bij aan de verspreiding van meer en ernstiger vormen van malaria dan dertig jaar geleden. Ook polio is niet verdwenen.
Parasieten, bacteriën en virussen — nieuw en oud — vormen niet alleen een bedreiging voor de Derde Wereld, ook al zijn armoede, honger, oorlog en prostitutie daar bevorderlijk voor een razendsnelle verspreiding. In ziekenhuizen in het Westen ontstaan regelmatig bacteriële infecties door stafylococcen, meegebracht uit andere delen van de wereld, die resistent zijn tegen vrijwel alle antibiotica. Ze zijn het gevolg van overmatig, ongericht en slordig gebruik van antibiotica. Verwaarloosde vaccinatieprogramma’s doen polio, difterie en kinkhoest overal ter wereld herleven. En het aantal seksueel overdraagbare aandoeningen neemt toe. Door vluchtelingenstromen en het internationale reizigersverkeer verspreiden ziekten zich eenvoudig over de hele wereld. Intraveneus drugsgebruik en seksueel promiscue gedrag dragen daar ook aan bij.
Het evenwicht tussen mens en natuur is verbroken, niet alleen door antibiotica en insecticiden, maar ook door een te grote concentratie van armoede en ondervoeding in grote steden en snelle ontbossing. Verstoring van de ecologie van het regenwoud leidt ertoe dat virussen van dier naar mens overspringen.
Garret klaagt in haar boek over de beperkte budgetten van de grote medische instituten en het verdwijnen van expertise over infectieziekten in de westerse wereld. Slechts een schrik reactie bij een opdoemende pandemie doet volgens haar grote organisaties als de WHO en westerse wetenschappers hard werken aan een oplossing.

De meeste slachtoffers vallen onder arme mensen — en goedwillende artsen en verpleegkundigen — in de Derde Wereld wegens gebrek aan hygiëne, slecht drinkwater en ondervoeding. De ziekten worden vaak verergerd in ziekenhuizen waar, ondanks goede wil, onvoldoende materiaal en apparatuur voor handen zijn.
Dat is eveneens gebleken bij de eerste sarsdoden in de provincie Guangdong in Zuid-China. Daar speelt de houding van de lokale autoriteiten overigens ook een grote rol. Als een Pavlov-reactie vanuit de beste traditie van het communisme werd het slechte nieuws aanvankelijk niet naar buiten gebracht. Er was eerst niks aan de hand. Met het toenemen van het aantal doden kwam informatie mondjesmaat naar buiten. Voorlichting aan het publiek wordt nog steeds niet nodig geacht en het toelaten van een team van de WHO voor diagnostisch onderzoek verloopt uiterst moeizaam.
Volgens de WHO kan sars pas mondiaal worden opgelost als eerst de ziekte in China wordt aangepakt. In al die maanden van doofpotpolitiek heeft de ziekte, waarvan de eerste gevallen zich al in november vorig jaar voordeden, kunnen overspringen naar Hongkong en de grens over naar andere landen. Openheid had veel ellende kunnen voorkomen. De gesloten opstelling van autoritaire regimes blijft een groot struikelblok bij de aanpak van nieuwe virussen. China heeft ook nu niet aan de WHO kunnen beloven in de toekomst onmiddellijke medewerking en openheid van zaken te bieden.

Viroloog Ab Osterhaus is verbonden aan het Erasmus MC in Rotterdam, en houdt zich intensief bezig met sars. Hij meent dat het gevaar van virussen voor de wereldbevolking zwaar wordt onderschat. «Intensief reisverkeer, verruiming van de seksuele moraal, verandering van structuren in de postkoloniale samenleving, slordige bloedtransfusies, gebruik van vieze injectienaalden en ontbossing: het zijn tezamen gepredestineerde factoren die ervoor zorgen dat uitbraak en verspreiding van virussen niet af- maar toenemen. Alhoewel het media-effect vertekend kan werken. Bij het Ebola-virus sprongen indertijd de camera’s van CNN erbovenop. Vroeger zou je aan de andere kant van de aardbol daar niets van weten.»
Sommige virussen zijn door monitoring weliswaar voorspelbaar, maar leiden voorts niet tot preventief handelen. Osterhaus noemt de vogelpest, die momenteel door Nederland richting Limburg trekt. «Bij trekvogels zijn al enige tijd influenzavirussen geconstateerd. Het is dan slechts wachten totdat die toeslaan bij pluimvee dat in grote concentraties op elkaar zit en met duizenden tegelijk in een zelfde machine wordt afgemaakt. Varkenspest en mond- en klauwzeer zijn vergelijkbare gevallen. Maar we wensen geen geld uit te geven aan inentingsprogramma’s voor de veeteelt en de principes van de bio-industrie werkelijk ter discussie te stellen. Dezelfde mechanismen zie je bij een influenzapandemie: het is niet de vraag of het eraan komt, maar wanneer. Maar we zijn er op dit moment onvoldoende op voorbereid. Het risico wordt niet goed ingeschat. We investeren te weinig in antivirale middelen en technologieën voor vaccinproductie. Als de ziekte eenmaal door de populatie trekt, moet je een vaccin razendsnel kunnen aanmaken, en geen tijd verloren laten gaan.»
Volgens Osterhaus moet er veel harder worden gewerkt aan scenario’s en meer worden geïnvesteerd in kennis en onderzoek: «In de jaren zeventig bestond het idee dat het wel zo’n beetje was gedaan met de ‹grote› virussen. Dat was natuurlijk niet waar. Te makkelijk wordt nu nog gedacht dat, als er eenmaal een nieuwe ziekte toeslaat, ergens een stelletje wetenschappers het wel gaat oplossen. Maar dat het zo niet werkt, zien we nu weer bij sars. Ontwikkelen van diagnostiek en onderzoek kosten veel tijd.»
Dat Nederland zich de laatste jaren bewust is geworden van het gevaar voor virussen en dodelijke infectieziekte, heeft zich in elk geval wel vertaald naar het logistieke traject. In 1995 werd onder meer het Landelijk Coördinatiecentrum Infectieziekten (LCI) opgericht. Er bestaat een fijnmazig netwerk van informatievoorziening en preventieprogramma’s.
Naast de komst van HIV was de dreiging van bioterrorisme een andere impuls om het onderwerp weer hoog op de agenda te zetten. Na de val van de Muur groeide de angst dat er vanuit laboratoria in de voormalige Sovjet-Unie laks werd omgesprongen met vaccins. De terroristische aanslag op 11 september 2001 in Amerika heeft de urgentie versneld om opnieuw pokkenvaccins aan te maken. Momenteel wordt er hard gewerkt aan draaiboeken voor een biologische terreuraanval.

Volgens het hoofd van het LCI, J. van Steenbergen, was de aanleiding tot de oprichting van het coördinatiecentrum van logistieke aard. «Bij een hernieuwde uitbraak van polio in 1992 was te veel tegenstrijdige informatie vanuit de tientallen GGD’s verstrekt. Dat leidde tot grote verwarring. De gedecentraliseerde structuur moest een overkoepelend coördinatiepunt krijgen.»
Maar ook is de oprichting aangejaagd uit angst voor biologische oorlogsvoering, die volgens Van Steenbergen al veel langer speelt dan 2001. Hij noemt een bizar voorbeeld uit de jaren tachtig, toen de leiding van de Bhagwan-beweging zich vanuit India had verplaatst naar het Amerikaanse Oregon en daar als experiment salmonella bewust had verspreid via salad-bars, waardoor duizend mensen doodziek werden. Van Steenbergen: «Het was een oefening met het oog op aanstaande regionale verkiezingen. De leiding wilde de populatie beïnvloeden: duizenden zwervers kregen goede maaltijden in ruil voor een stem op hun partij, terwijl tegenstemmers op de dag van de verkiezingen ziek zouden moeten zijn via een salmonella-infectie zodat ze niet naar de stembus konden. Het mislukte, omdat de eerste poging uitkwam. Het toont aan dat er altijd gevaar is van mafketels met slechte plannen.»
Ook Van Steenbergen is er voor om veel meer geld te investeren in preventie: «Wetenschappelijke kennis en expertise moeten op peil worden gehouden. En voor de verwachte influenza-epidemie zou je nu al grondstoffen kunnen opslaan en bepaalde pillen kunnen slikken. Maar dat kost heel veel geld en betekent dat de overheid moet investeren in iets wat er nog niet is. Ik zou bij wijze van spreken liever zien dat er een straaljager wordt ingeleverd en het geld wordt besteed aan de preventie van ziekten.»