Hafid Bouazza, Paravion

De beeldboetseerder zingt, smeekt en verleidt

Hafid Bouazza, Paravion
Prometheus, 264 blz., € 19,95

In Paravion spreekt letterlijk een verteller die met het eerste woord («Luister») om aandacht vraagt en zijn betoog op de laatste twee bladzijden meent te kunnen afsluiten, een betoog dat tot de poortwachters van Paravion (bestuurders van Nederland) gericht was. We leren hem langzamerhand kennen, deze bewoner van Aqbar die de geschiedenis van zijn naar Paravion (Amsterdam) vertrokken dorpsgenoten vertelt en op de laatste bladzijden vraagt ook «het nieuwe land van mijn vaders» te mogen betreden. Maar hij krijgt ondanks smeekbedes geen toestemming: «En waarom niet, als ik vragen mag?» Het antwoord is: «Meneer, u bent een uil.» En uilen staan in dit boek voor mannen die weigeren te veranderen, dit boek is een sprookje met een boodschap.

Hafid Bouazza schetst een sprookjesachtig beeld van zowel een dorpje in het verre land Morea («dat is Moorlant voor u, mijne heren») als van de grote stad Paravion, waar veel bewoners van Morea langzamerhand terechtkomen en waar ze met elkaar in Bar Zach over de geneugten en verschrikkingen van het nieuwe huisland kwebbelen. Marokko en Amsterdam, je kunt het rustig aan deze schrijver overlaten niet een zwartgallig of cynisch beeld van deze twee werelden te schetsen. Dat zou hij niet eens kunnen, denk ik, Bouazza is een fabulant met een utopische blik: liever het sprookje dan de satire, liever de glimlach dan de harde grap die altijd in te harde woorden de kamer in knalt. Zijn lievelingsmetafoor is de personificatie: «Een lente van kleuren en geuren kwam uit de verschillende deuren naar buiten geschreden (…)»; «in een stoffig veld nodigden de distels de geiten uit voor een maaltijd»; «(…) een oude herder schramde met zijn schalmei de frisse stilte. De echo floot terug.» Met deze overvloedig woekerende beeldspraak komt in zijn taal het sprookje tot leven, omdat er geen onderscheid meer mee te maken valt tussen wat dood en wat levend is, tussen echt en onecht. Alles leeft in dit boek, tintelt van beeldverlangen en alles raakt dan wel aan wat men werkelijkheid pleegt te noemen, maar het schampt er altijd toch net even langs.

Paravion is gedrenkt in beelden en vertellingen die ontleend zijn aan toon, stijl en metaforiek van het geheimzinnige oosterse sprookje. Het dal van Aqbar wordt bevolkt door sfinxachtige wezens, vrouwen worden tegelijk zwanger, er zijn vliegende tapijten, je hebt er wijze oude mannen, die heel wat af orakelen, vrouwen voeren rituele dansen uit, «een sensuele ritedans van wreef en tenen in bevallige sandalen». Beschrijvingen van landschappen en steden in Morea doen sterk denken aan klassieke duizend-en-één-nacht-vertellingen. Natuurlijk, je hebt er ook postbodes die op Solexen rondrijden en soms dringen zich in dit veelbetekenende sprookje platvloersig heden op: merken van aanstekers, of een oproep om een deur achter je rug dicht te trekken. Maar sprookjesachtigheid is de overheersende toon.

Daar zitten nadelen aan. Personages dreigen in een sprookjeswereld als deze snel te veel vertegenwoordigers van typen te worden, van de typische Arabische moeder, of geliefde, of herder, of kletsmeier, zoals we die al kennen uit andere sprookjes uit dit genre. De dichter Arjen Duinker schreef jaren geleden een treffend tweeregelig gedicht dat mijn bezwaar samenvat: «De moet/ een zijn.» Bouazza’s roman wordt bedreigd door te veel «de», als ik nog te volgen ben, te veel generaliserende beelden van «de» oosterse vrouw, «het» meisje, «de» oosterse wereld, «de» oosterse samen leving. Te veel een generalisering van maatschappelijke verhoudingen dus in termen die zijn ontleend aan sprookjesliteratuur die erop uit is het algemene te benadrukken. Ik verlangde af en toe naar meer pogingen om personages eigen stemmingen, kleuren, erotische verlangens te geven, naar specifieke beelden dus.

Misschien heeft dit iets te maken met de dubbele opzet van het boek. Aan de ene kant doet het een poging in sprookjesachtige beelden een verloren paradijs terug te roepen. Dit is wat Bouazza in al zijn werk najaagt: instandhouden wat verloren dreigt te gaan. Aan de andere kant wilde hij met zijn roman een satire schrijven over de wijze waarop mensen uit verschillende samenlevingen en culturen zich in Nederland ten opzichte van elkaar manifesteren. Hij stortte zich nog niet lang geleden daadwerkelijk met volle kracht in dit debat en zet het nu in deze roman met literaire middelen voort. Een politieke satire en een sprookje — die twee verdragen elkaar maar moeilijk. In deze roman verzandt dit samenspel af en toe in te veel generaliseringen.

Maar er staat veel tegenover, laat dit duidelijk zijn. Deze schrijver is een taalbeluste, een zoeker en vinder van het treffende beeld. Wie wil weten hoe je dromerigheid en verlangen naar klinkklare erotiek in taal vastlegt, moet maar eens bij Bouazza te rade gaan voordat hij zelf meent ook een zin te kunnen schrijven die het overdenken langer dan een paar seconden waard is. Bouazza zingt, smeekt en verleidt, hij danst en roept, hij is een beeldboetseerder van grote klasse. Het boek barst van nieuwe taal en oude taal die nieuw gemaakt is. En eindelijk weet ik ook wat het goede woord voor het balken van een ezel is. Een ezel giegaagt.