De beer van byron

EEN MAAND geleden stond het in alle Nederlandse kranten: Downing Street 10, de ambtswoning van de Britse prime minister, zou nooit meer hetzelfde zijn na de pensionering van Humphrey. Humphrey had problemen met zijn nieren en het was verstandig dat hij naar een rustiger onderkomen verhuisde. De consternatie was er niet minder om.

Humphrey is de beroemdste kat van Engeland. Twee weken lang was hij zelfs inzet van een heus politiek conflict. Dat ging zo: de toenmalige premier Margaret Thatcher had de zwerfkat acht jaar geleden de ambtswoning binnengehaald en hem Humphrey gedoopt, naar een fictieve ambtenaar in een BBC-comedy. Onder John Major was er niets met Humphrey aan de hand geweest, maar direct nadat Tony Blair aan de macht was gekomen werd er gefluisterd dat mevrouw Blair niet zo veel op had met katten. Toen het hardnekkige gerucht ging dat mevrouw Blair Humphrey had laten afmaken, eisten de conservatieve parlementsleden dat ze Humphrey te zien kregen. Natuurlijk noemden de woordvoerders van Blair het gerucht ‘vuige laster’.
Gelukkig duurde de onzekerheid niet lang: in de dagbladen verschenen staatsieportretten van de kat, gezeten op 'yesterday’s papers’.
Dieren halen wel vaker de voorpagina’s. Zoals Miss Pepper, de borderterriër van koningin Beartrix, die zo tragisch aan haar einde kwam. Nadat zij tijdens een wandeling met de koningin in de paleistuin was verdwenen en nadat hofpersoneel en marechaussee stante pede een zoekactie waren begonnen, werd zij dood gevonden. Gestikt in een konijnehol. Zenobie, de teckel van de vorstin van Denemarken, raakte ook zoek tijdens een wandeling. Duizenden Denen trokken de bossen bij Kopenhagen in om de verdwaalde hond te vinden, maar er is nooit meer iets van hem vernomen.
Zulke berichten hebben iets merkwaardigs. Wij, moderne mensen, worden al tijden omgeven door steden, nen en een fijnmazig net van snelwegen, en toch snatert, miauwt, blaft en bromt het ons van alle kanten tegemoet. De beer brult allang niet meer in de Nederlandse wouden - er bestaan niet eens wouden in Nederland; het is ook maar de vraag of er ooit beren in ons land hebben geleefd -, de beer brult al lang niet meer, maar toch ligt hij met pluchen vacht in duizenden kinderkamers, prijst hij als Robijntje met een zoet stemmetje een wasmiddel aan, drijft hij als Balu gelukzalig in het water van de Disney-jungle, zet hij ons als Winnie-the-Pooh met taoïstische uitspraken tot denken aan en reist hij als Paddington in duffelse jas en met zuidwester op het hoofd per trein.
Het woeste beest heeft een hoge knuffelwaarde gekregen; als knuffeldier is het alom aanwezig. Alsof de mens, naarmate hij meer van de natuur vervreemdt, zich des te dringender met het verloren paradijs wil omgeven.
DIEREN EN afbeeldingen van dieren horen bij het leven. Alleen zijn dieren steeds minder vanzelfsprekend aanwezig. Dat blijkt wel uit het feit dat dieren menselijke roem kunnen vergaren en dierlijke personages beroemder en geliefder kunnen zijn dan menig menselijk personage.
Dit najaar verscheen in Duitsland een vuistdik lexicon van beroemde dieren. Hoe ruim het begrip dier door de samenstellers ook is opgevat - ook buitenaardse wezens, dieren als logo (de kameel van het sigarettenmerk, het konijntje van Playboy), symbolische dieren op wapens en munten en dingen met een dierenaam (het lelijke eendje en de kever) zijn opgenomen -, de lezer krijgt toch maar mooi honderden beroemde dieren gepresenteerd.
Wat maakt een dier beroemd? Humphrey, Miss Pepper en Zenobie zijn net als August - de kat die staatssecretaris Kosto zo liefdevol in de armen hield na de bomaanslag op zijn huis - en Incitatus - het lievelingspaard van Caligula, dat door zijn meester tot consul werd benoemd - beroemd omdat hun bazen beroemd zijn. Hun roem is afgeleide roem, die vooral veel zegt over de dierenliefde van hun eigenaars. Ze zijn 'dieren van’.
Schopenhauer hield bijvoorbeeld sinds zijn studententijd een poedel. Zijn laatste poedel, Butz, begeleidde de pessimistische denker op zijn dagelijkse wandelingen. Als Schopenhauer hem welgezind was noemde hij het beest liefkozend 'Atma’, de wereldziel die zo'n belangrijke rol speelt in zijn filosofische werk. Was hij boos op de poedel, dan heette hij 'du Mensch’. Fortunée, het mopshondje van keizerin Josephine, bezorgde Napoleon zijn eerste nederlaag toen hij de hond tijdens de huwelijksnacht uit de kamer wilde gooien. Fortunée sliep bij Jospehine in bed - daar vormde een huwelijksnacht geen uitzondering op. Omdat de universiteit van Cambridge geen honden toeliet, bleven de honden Nelson en Boatswain thuis achter. In plaats daarvan nam Lord Byron de aangelijnde beer Bruin mee naar college. Blondi, de Duitse herder van Hitler, had in maart 1945 nog jongen geworpen. Hij was de enige die bij Hitler mocht slapen, dat was zelfs Eva Braun niet toegestaan. Toch kreeg hij op 30 april 1945, een paar uur voor de zelfmoord van Hitler, ook een capsule blauwzuur toegediend.
ER FIGUREREN heel wat 'indirect’ beroemde dieren in het lexicon. Omdat hun roem een afgeleide is, is er niet zo veel over hun uitzonderlijke dierlijke eigenschappen bekend. Ze zijn geen individuen - al zullen hun bazen daar ongetwijfeld anders over denken. Individu worden de meeste dieren pas als ze geen echte dieren zijn, dat wil zeggen als ze door mensen zijn gemaakt. Ook dan, zou je kunnen zeggen, gaat het om afgeleide roem, want al die vermaarde dieren uit literatuur, strip en film dragen niet alleen herenpakken en damesjurken, ze zijn ook met nogal wat menselijke eigenschappen behept.
En ze hebben nog iets gemeen met de beroemde 'dieren van’. Het gaat bij allebei om, zoals Rudy Kousbroek het noemde, hun 'aaibaarheidsfactor’. Waarom komt er niet één beroemde kwal voor in het lexicon? Of een excentrieke worm (als we de boekenwurm buiten beschouwing laten)? Of een vrolijk babbelende oester? De turele dieren zijn lief of eng, daar komt het op neer. Eng zijn reuzespinnen, slangen en ratten. Zij belichamen nog de verwoestende kracht die de natuur op de mens kan uitoefenen. Voor het overige hangt roem samen met aanpassing aan de mensenwereld, hoe fictief die aanpassing vaak ook is. Het is evident dat beroemde honden, katten, konijnen, muizen, eenden, paarden en koeien lief zijn - zij zijn ook in werkelijkheid gedomesticeerd. Maar voor beren, leeuwen, olifanten en wolven geldt iets anders: hun schattigheid is omgekeerd evenredig aan hun zichtbaarheid.
Hoe verbrokkeld het lexicon door zijn aard ook is, als je honderden beroemde dieren de revue hebt zien passeren, ben je toch geneigd zekere conclusies te trekken. Beroemd zijn dieren, zoals gezegd, als ze op ons lijken en in niets doen denken aan wilde, authentieke dierlijkheid. Als ze een matrozenpakje dragen, of een vestzakhorloge en hoge hoed. Als ze hun rijbewijs hebben en hun dierezitkamers hebben geboend. Je zou kunnen beweren dat het natuurgeloof waarin mensen van dieren afstammen is omgedraaid en geïnfantiliseerd: de dieren die we uit de massamedia kennen, stammen ondubbelzinnig van mensen af. Ze leven vaak ook in een soort paralleluniversum, een kopie van de mensenwereld waarin zij de dienst uitmaken. Een in en in burgerlijke wereld, waarin seks, drugs, rock 'n’ roll en geweld nog niet zijn uitgevonden.
Duckstad bijvoorbeeld, het provincieplaatsje waar Donald, Dagobert en Katrien Duck sinds 1934 wonen, heeft nog het meest weg van een 'eends’ Almere. De tuintjes zijn er keurig aangeharkt, in elk bos patrouilleert een boswachter, je kunt je auto niet even fout parkeren of een barse agent slingert je op de bon. Donald is al meer dan zestig jaar verliefd op Katrien, een eendeversie van Doris Day. Verloofd of getrouwd zijn ze nooit, ze hebben in al die jaren zelfs nog nooit een kus gewisseld. Eendenzoontjes en -dochters worden in Duckstad dan ook niet geboren; de familieleden die optreden zijn nicht, neef, oom of tante van elkaar. Onbedoeld zet dat toch tot denken aan: van wie zijn de neefjes Kwik, Kwek en Kwak die bij Donald inwonen? De wildste speculaties doen daarover de ronde: oom Dagobert heeft ze bij Katrien verwekt en ze bij de arme Donald gestald. Omdat alle eenden de achternaam Duck dragen, hangt er hoe dan ook een zweem van incest over Duckstad.
Er zijn mensen die menen dat de infantilisering van het dier is begonnen toen het ging praten. Dat is niet helemaal waar. De Griekse dichter Aisopus liet de dieren in zijn fabels praten, hij ging volstrekt onbekommerd met de zoölogische werkelijkheid om, en toch zijn zijn dieren nog geen knuffelbeesten. Vos, wolf, lam, leeuw, ezel en paard handelen bij hem menselijk. Bepaalde menselijke eigenschappen worden op één stereotiep dier geprojecteerd. Maar zijn met een vette moraal overgoten verhalen vertellen over een genadeloze strijd om het bestaan. De dierlijke struggle for life is een parabel voor menselijke machtswellust en slechtheid. Zoals in de fabel over de wolf die een drinkend lam verwijt dat het zijn drinkwater vervuilt. Het lam drinkt stroomafwaarts en staat een paar meter van de wolf vandaan. De wolf laat zich niet vermurwen: het lam verdient straf en wordt opgegeten.
HEEL WAT BLOED vloeit er in de fabels van Aisopus, en ook in die van de middeleeuwse fabeldichters en de zeventiende-eeuwse dichter La Fontaine. Misschien kunnen hun dieren zo wreed aan hun einde komen omdat ze representanten zijn van een soort. Hoe weinig realistisch hun dieren ook zijn, ze kunnen nog angst inboezemen. Bovenal hebben ze nog geen eigennaam, ze zijn nog geen 'individu’. Vooral het twintigste-eeuwse dier in strip, kinderboek en tekenfilm heeft onvervreemdbare eigenschappen en behalve een voornaam ook vaak een achternaam - gruwelijk sterven ze dus nooit.
Een prachtig voorbeeld van domesticering en infantilisering biedt de geschiedenis van het beroemde olifantje Babar van Jean de Brunhoff. Babar is aanvankelijk een heel normale kleine olifant die in de jungle speelt. Zijn eerste contact met de beschaving is traumatiserend: zijn moeder wordt doodgeschoten. Hij kan vluchten. Op de vlucht belandt hij in de stad, bij een vriendelijke oude dame die zijn surrogaatmoeder wordt. Ze zorgt dat de primitieve dikhuid een onopvallend lid wordt van de Franse burgermaatschappij. Zijn instincten moet Babar afzweren, hij leert op twee benen lopen en krijgt een groen pak en een hoed. Als hij naar zijn jungle terugkeert, wordt hij tot koning gekroond. Hij is beschaafd, nu kan hij ook in het oerwoud beschaving brengen.
Of het nu om de uitgebreide familie Duck gaat, om Mickey Mouse of Snoopy, om Dumbo het vliegende olifantje of Crazy Cat, ze zijn allemaal even beschaafd als Babar, zij het niet allemaal van koninklijken bloede. Die stoet van o zo individuele en pratende dieren in het lexicon roept ook enige wrevel op. Ze zijn met zo veel. Maar juist omdat ze met zo veel zijn, begrijp je dat ze aan een zeer menselijke behoefte voldoen. Pratende dierenindividuen, ze hebben iets utopisch. Hoe minder we 'echte’ dieren om ons heen zien, hoe meer de dieren huisdier zijn geworden, hoe meer we kennelijk hopen dat we met ze kunnen communiceren.
MAAR ZIJN ER dan geen beroemde dieren die beroemd zijn om zichzelf? Tussen alle beroemde mythologische, religieuze, symbolische en literaire dieren, tussen alle fabeldieren en hybride wezens die half mens en half dier zijn, tussen alle getekende, geknutselde en nagespeelde dieren, worden ook een paar 'echte’ beroemde dieren genoemd. Als je de beesten uit het Guinness Book van dierenrecords even vergeet en voorbij gaat aan Big Bill, het zwaarste everzwijn ter wereld, Colossus, de grootste kikker, en Ch. Ch'erh of Alderbournde, het duurste hondje, houd je een paar ontroerende dierenverhalen over.
Neem Binti Jua, het gorillavrouwtje uit de Brookfield Zoo bij Chicago, dat in 1996 een driejarig jongetje redde dat over het hek tussen de apen was gevallen. Binti Jua droeg het jongetje voorzichtig naar de uitgang en beschermde het tegen de andere gorilla’s. Natuurlijk verpestten de mensen het bijzondere gebaar: de dierentuin kreeg meer bezoekers dan ooit; Hillary Clinton noemde Binti 'een typische inwoner van Chicago met een gouden hart’; het regende verzoeken om handtekeningen en pogingen de roem van het dier uit te buiten.
Het mooiste zijn de waar gebeurde verhalen over hondetrouw. Het Japanse hondje Hachiko begeleidde zijn baas elke ochtend naar het station; elke middag wachtte het beest hem precies om vijf uur op aan de spoorweg. Toen zijn baas op zijn werk door een hartaanval werd geveld, bleef Hachiko tien jaar lang elke dag komen. Braaf wachtte hij dan op de trein van vijf uur.