De behoefte aan kunstkritiek

Tijd voor een pleidooi voor het onbevangen kijken.Het echte kunstgenot is woordloos kunstgenot. De kunst lijkt ten onder te gaan in een mer à boire van verklarende teksten, gekenmerkt door breedsprakigheid, ondoorgrondelijkheid en mistig taalgebruik.

Nerveus schuifelde ik heen en weer. Was hier een nieuwe Komrij opgestaan die de samenzwerende kunstcritici destijds zo genadeloos aan de verdiende hoon van het Nederlands publiek had weten bloot te stellen?
Zouden we een nieuwe periode tegemoet gaan, waarin de kunstzwetsers die wekelijks de volksgeest vergiftigen met hun ijdele gezwatel openlijk schuld belijden of anders door natte straten worden gegeseld?
Krijgen eindelijk Fuchs, Beeren, Oxenaar, De Leeuw en de rest van de menagerie hun trekken thuis?
‘De Aanklacht’ bleek geschreven door Paul Kempers, medewerker van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Kempers is tevens medewerker van het blad Blvd., waar ze hun hand niet omdraaien voor in turbotaal gehulde, gratuite meningen.
In de plaats van de mystificatietaal, de cursieve hoofdletters en andere stijlbloempjes waar hij de kunstexegeten van beschuldigt, stelt hij messcherpe alliteraties, gespierde metaforen, opeenhopingen van bijvoeglijke naamwoorden en vrijelijk rondgestrooide uitroeptekens.
Het literair talent en de passie die de kunstprofessionals ontberen, ondervangt hij met smachtende uitroepen: 'in godsnaam’, 'mijn god… breng me vochtcompressen!’, 'o ijdelheid der ijdelheden!’
De dupe van de 'kilo’s kunstkennis’, die via 'brievenbus blokkerende culturele supplementen’ worden verspreid, is de 'modale museumbezoeker’, die met lege handen staat en eigenlijk voor zijn eigen mening moet uitkomen. Ongelukkigerwijs voert Kempers als getuige à decharge een in zwart ribfluweel gestoken man met alpinopet op die de euvele moed vindt om tegen een suppoost te zeggen: 'Die strontkunst… daar vind ik nou geen reet an!’ Voor deze 'dappere, mondige museumbezoeker’ wil hij een standbeeld laten oprichten. Het gaat dus eigenlijk niet zozeer over de 'hineininterpretierende kunsttheoretici’, nee, de man maakt zich boos over de kunst zelf.
Het probleem ligt dus bij de kloof tussen de kunst en het kunstpubliek. Het gat in Kempers’ betoog is dat hij opkomt voor het gewone volk maar niet onderkent dat er juist een enorme behoefte is aan kunstkritiek, kunstschrijverij, kunstexegese, kortom geschrijf over kunst. Dat in die onstelpbare behoefte vaak wordt voorzien door talentloze, dweperige kunsthysterici ben ik reusachtig met hem eens; maar als het aanbod hoog is, is dat niet omdat er te veel afgestudeerde kunsthistorici rondlopen, maar omdat simpelweg de vraag steeds hoger wordt naarmate de afstand tussen hedendaagse kunst en hedendaags publiek toeneemt. Een aan de wetten van de markt onderhevig instituut als een krant ruimt heus geen pagina’s in voor kunst als er geen behoefte aan bestaat.
Een paar weken terug werd ik ter verantwoording geroepen door een studente van de School voor de Journalistiek voor mijn eigen stukjes in De Groene en die van mijn collega. Ze had namelijk voor een onderzoeksopdracht gekozen voor de volgende vraagstelling: 'Zijn beeldende-kunstartikelen in De Groene en het NRC elitair geschreven?’
Om niet te direct de voordehandliggendheid van de stelling over de hekel te halen, opperde ik voorzichtig dat deze uitverkoren bladen misschien een ander soort lezers hebben dan andere periodieken en andere eisen stellen aan het geschrevene.
De klant blijft koning.
Het is regelmatig tijd voor een pleidooi voor het onbevangen kijken, al is het alleen maar om de modale museumbezoeker te wijzen op de verantwoordelijkheid voor een eigen mening.
Woordloos kunstgenot is voor hedendaagse kunst nog niet weggelegd. Voor oude kunst trouwens ook niet, getuige de stortvloed aan schrijverij over het mysterie Vermeer. Maar daar ging Kempers’ 'aanklacht’ duidelijk niet over.
De fotoredactie scheerde over de toppen van de ironie door er een foto van snuffelende bezoekers in het Rijksmuseum bij te plaatsen. Waarmee eigenlijk al afdoende gerelativeerd is.