De beklemming van parijs

Patrick Modiano, Het circus komt voorbij.Uit het Frans vertaald door Edu Borger, uitgeverij Meulenhoff/Manteau, 159 blz., f34,90
‘IK HAD GEWILD dat we met zijn tweeen op een plek waren die op geen enkele manier aan het verleden deed denken.’ Het is zomaar een zinnetje uit Het circus komt voorbij van de Franse schrijver en Prix Goncourt-winnaar Patrick Modiano (1945), een roman waarvan de luchtige titel hevig contrasteert met de haast fysieke pijn die de herinnering aan de voltooid verleden tijd oproept.

Het circus komt voorbij is het relaas van een liefde zoals die in Parijs wordt beleefd door de achttienjarige Lucien, een jongen die de onbevangenheid van zijn gevoelens voor de drie jaar oudere Gisele tracht te bewaren in een wereld die al lang door prozaischer belangen is geperverteerd. Als Lucien verneemt dat Gisele zelf verstrikt zit in een web van prostitutie en criminaliteit, doet dat geen afbreuk aan zijn aanhankelijkheid: ‘En zelfs als ze een misdaad had begaan zou me dat koud laten, zolang zij maar levend, in haar zwarte rok en pullover, tegen me aanleunde.’ Dat is het nu juist: Gisele brengt het er niet levend vanaf.
Het circus komt voorbij is nochtans geen uitgewerkte thriller of een misdaadroman, want wat de misdadigers nu precies uitspoken interesseert de auteur geen barst. Er is geen echte plot, geen motief, geen ontknoping, er is alleen een criminele sfeer die het hele verhaal doordrenkt. Waarvoor Modiano wel belangstelling heeft, is de ongewilde corrumpering van de onschuld die zich in Lucien voltrekt en die hem tot een volwassene maakt. Lucien is namelijk medeplichtig aan de vermoedelijke dood van een hem verder volslagen onbekende man die hij samen met Gisele in de armen van de gangsters heeft gedreven. Heel het boek ademt een sfeer van opgejaagd zijn. Luciens vader is om onduidelijke redenen naar Zwitserland gevlucht waardoor Lucien in Parijs letterlijk aan zijn lot is overgelaten. Zijn geheugen lijkt een instrument dat alleen maar beklemming kan reproduceren. In de inspecteur die hem voor Gisele waarschuwt, ziet hij de man die lijkt op het individu dat tijdens de bezetting zijn vader bedreigde: een man die 'voor de Dienst Permilleux werkte, een dienst die belast was met het opsporen van de joden’.
Ondanks de serene, verstilde beschrijving van Parijs begin jaren zestig, is het Modiano vooral te doen om het oproepen van al de beklemmingen die ook de herinneringen aan het verleden tot een dubieus geschenk maken: 'Op zondagavond na afloop van de vakantie deed de surveillant om kwart voor negen het licht in de slaapzaal van de kostschool uit en dan viel ik langzaam maar zeker in slaap. In de loop van de nacht schrok ik wakker en wist ik niet meer waar ik was. De nachtlamp waarvan het blauwe licht op de rijen bedden scheen drukte me met mijn neus op de werkelijkheid. En sindsdien probeerde ik telkens als ik droomde het moment van wakker worden uit te stellen, uit angst dat ik me in een slaapzaal zou bevinden.’
Modiano is een meester in het oproepen van sfeer, van tinten en van schijnsels. In de literaire pagina’s van Le Figaro is de schrijver ooit terecht de Vermeer van de literatuur genoemd. Voor wie Het circus komt voorbij heeft gelezen, zal het buiten bedrijf gestelde Gare d'Orsay, waar Lucien een tijdlang een kamer betrekt, steeds iets meer zijn dan het veel geprezen museum dat er nu is ingericht.