Joost Niemöller

De beklemming voorbij

Joost Niemöller

Broers

Uitg. De Bezige Bij, 287 blz., € 18,50

In Broers introduceert Joost Niemöller op de eerste pagina een verteller van 12 jaar. «Maandag 20 oktober 1969» staat er, en dan: «Hier begin ik het boek.» We lezen dus een dagboek en dat loopt tot en met 30 juli 1998. Deze documentaireachtige opzet verhoogt de geloofwaardigheid van het verhaal, hij brengt ons in een klap dicht bij een wereld, niet zoals die is, maar zoals die wordt gezien door een enigszins benarde jongen en later jongeman. Het is een raadselachtige opening voor een roman. «Hier begin ik het boek.» Waar begint dit boek? Hier. Maar waar is hier? En hoe kan het dat de ik al op twaalfjarige leeftijd weet dat hij «het» boek schrijft? Kent hij de gebeurtenissen die gaan volgen? Ik vind dit een mooie, gewaagde start van een roman die de waarachtigheid van het hele genre al op de eerste bladzijde principieel ondervraagt.

Niemöller brengt ons de claustrofobe wereld binnen van de emotioneel weinig begaafde Rudolf Verburg, wiens vader onder verdachte omstandigheden is vermoord en wiens broer — een kunstenaar — ineens uit zijn leven verdwijnt. Deze gebeurtenissen bepalen zijn leven. «Ik heb een zwaar gevoel», verzucht de held verschillende keren. Voortdurend duiken herinneringen, dromen, halve feiten over zijn broer en vader op, zonder dat we de waarheid precies krijgen uitgeserveerd. Vooral in de eerste helft vormt dit de grote obsessieve kracht van dit boek. Maar langzamerhand blijkt een andere laag een grotere rol te spelen: popmuziek en kunst in de jaren tachtig. Daarbinnen spelen zich de ambities af van de held. Niemöller strooit met kleine, bijna terloopse beschouwingen over kunst, kunstenaars en popartiesten en wat mensen elkaar hierover aan onzin proberen aan te praten. Wat dit betreft is zijn boek te lezen als een satire op de idolatrie rondom sterrendom en het gewauwel dat daarmee gepaard gaat. «Hij had ook nog naar een geheime opnamesessie van Frank Zappa kunnen gaan voor de VPRO-radio. Hij kende iemand die bevriend was met profeet Henk die daar na de sessie zijn act zou doen voor Zappa. Als Zappa dat goed vond, zou hij een opname maken van een toespraak van profeet Henk. Misschien wel voor een plaat.» Deze wereld van kleine sterrendromen, van meelopen, van erbij willen horen, weet Niemöller zeer geslaagd uit te beelden, uit te benen, zou je misschien beter kunnen zeggen. Hij neemt haar haarscherp en sardonisch waar en hij laat haar van binnen en van buiten zien. Al dat gezwets over kunst, over kunstplannen, over ideetjes, over concepten, over de juiste opmerking op het juiste moment. Over de juiste pose om erbij te horen. Misschien de mooiste zinnen wat dit betreft: «Ik bewoog in de maat van de muziek en ik lachte daarbij naar Petra, die daar wel prettig ironisch op reageerde. Dus dat ging goed.» De laconieke vervreemdende schrijftoon van Niemöller werkt hier op z’n best.

De held sluit zich half aan bij een groepje conceptartiesten, Arbeit, en hier begint Niemöllers roman snijdende trekken aan te nemen. «Ze hadden het net over een plan van onder anderen Hans Decker om het grootste schilderij ter wereld te maken en dat per vierkante meter te gaan verkopen om de subsidie-eikels in het gezicht te spugen. (…) Een geslaagd, nymfomaan meisje, genaamd Lucia, zou hierbij naakt dansen tot ze erbij neerviel. Uiteraard zou het geheel op video vastgelegd worden en de tv-piraat Koning Aap zou het uitzenden.» De wereld van de nepkunstenmakerij in beeld gebracht en onderuit geschoffeld, hierin is Niemöller ijzersterk.

Maar het wordt de laatste vijftig pagina’s minder wanneer hij alle mythes over en van de jaren tachtig nog eens op de planken brengt. Wie die wereld van dichtbij heeft gezien, komt alle plaatsen, helden en schurken onder andere namen tegen: Mazda, Klashorst, Dalstra, Scholte, noem ze maar op. Misschien is dat wel aardig voor een paar betrokkenen, maar een gevoel van plaatsvervangende schaamte kreeg ik niet meer onderdrukt. Want de held is ondertussen kunstjournalist en verdiept zich in de paranoia die zich eind jaren tachtig in Amsterdam van deze uiterst kleinsteedse kunstscene meester maakte. Wie was de beste kunstenaar? En wat was de beste kunst? Althans volgens de deelnemers aan deze scene? En wie pleegde De Bomaanslag? Al jaren gaan hierover in de showmedia dezelfde verhalen, altijd dezelfde opklopperij over verwende nepartiesten, met opgeklopte nepmeningen, die ineens verloren raakten en met een knal terug op aarde belandden. En Niemöller krijgt er geen vernietigende, of satirische greep op. Hij wordt serieuzer en serieuzer, de tragische onderlaag van dit boek raakt uit het zicht. Hij slaagt er niet in de sardonische, zelfvernietigende, snijdende verteltoon overeind te houden, waarbinnen de held lange tijd ontroerend wordt neergezet. De fraaie laconieke toon zakt voor een deel weg. Er komen zinnen te staan die voor mijn gevoel in deze ambitieuze roman niet thuishoren. Bijvoorbeeld een zin als: «Maar wat was nu de waarheid?» Niemöller doet nog een poging het verhaal over de vader en de broer van de held binnen het geheel in te passen, maar de beklemming is voorbij.