Menno Hurenkamp

De bel

Dit keer maak ik ook eens gebruik van de troefkaart ‘vroeger was alles beter’. Houdt u niet van dit genre omdat u alleen leest om wijzer te worden, zet dan toch door – om te zien dat zónder immigratie als onderwerp gekanker als stijlfiguur nog springlevend kan zijn. Nou, daar gaan we.

Vroeger, toen ik naar school ging, toen bracht mijn moeder me één keer. Zo, zei ze, nu weet je waar het is, voortaan weet je het zelf wel te vinden. Op school ging wel eens wat mis, omdat je een steen door een ruit gooide, of wie weet wat met lucifers zat te spelen, of er vielen ergens wat klappen. Mogelijk werden dan je ouders opgetrommeld, maar het incident kon ook worden afgehandeld door een flinke woede-uitbarsting van een aanwezig docent of van een toevallige voorbijganger. Zo kon je jaren op school zitten zonder dat je ouders vaker dan twee keer per jaar opdraafden, voor ‘het oudergesprekje’.

Ja, het was in een dorp, en ja, ik weet best wat van de ontwikkelingen die maken dat het leven van kinderen in de grote stad tegenwoordig héél anders is. Maar het verschil mag er toch zijn.

Ik breng mijn kinderen elke dag naar school. Nou vooruit, het is een drukke stad en ze kunnen net fietsen. Eenmaal op het plein begint de verrassing echt. Ik laat ze daar niet achter. Ik loop met ze naar de deur om ze naar binnen te brengen. Een onbevangen buitenstaander denkt: logisch, er staan zoveel boomlange ouders voor die deur opgesteld. Die kinderen komen daar op eigen kracht niet tussendoor. Nee, het is inderdaad geen kinderspel de school ’s ochtends te betreden. Waarom die rij ontstaat, is raadselachtig – zo blijkt telkens als ik er een terloopse opmerking over maak tegenover een andere ouder in de meute. Wel is me duidelijk dat men zich schuldig zegt te voelen wanneer ze hun kind niet naar binnen brengen. Of ze dat menen, weet ik niet.

Blijkbaar is ook de hal van de school een barre omgeving. Eenmaal binnen, let ik op dat de jongens hun lokaal veilig betreden. Nog altijd in de ban van het groepsgedrag, hang ik daar met de andere ouders minutenlang rond, de nieuwste werkjes bewonderend. Dan gaat de bel. Deze bel wil niet zeggen dat de leerlingen naar binnen moeten, want dat zijn ze allang. De bel wil zeggen dat de ouders naar buiten moeten. Tringgg, willen de ouders de school verlaten?! Bij deze omkering van waarden passen allerlei verwijzingen naar de academische literatuur. Maar ik laat het bij chagrijn. Zeker bij de jongsten volgt dan gekus en gezwaai alsof ze niet zes uur aan een professionele leerkracht worden overgegeven, maar drie dagen aan een dronken chirurg die hen op open zee gaat dotteren.

Als breng- en hangouder besteed ik zo omgerekend een volle werkweek per jaar – alla. Het gebrek aan vertrouwen dat de leerkracht zich redt zodra de kinderen binnen een straal van twintig meter van de school zijn, houdt me soms wel bezig. Het feit dat de kinderen niet ‘naar school gaan’ maar ‘de klas in worden gevlijd’, dat ergert me. Hoe – en nou ontkom ik niet aan één constructieve opmerking in een zuur stukje – zullen zij ooit kunnen omgaan met kinderen die op slechte scholen zitten, waar de omgeving het tegendeel van overdreven zorgzaam is en de leerlingen zich moeten redden te midden van dagelijkse chaos?