Terrorismebestrijding in Nederland en België

De Belaagde Landen

In de nasleep van de aanslagen in Brussel beweren Nederlandse media en deskundigen dat België het bij de terrorismebestrijding minder goed doet dan Nederland. Die claim is op z’n minst voor relativering vatbaar.

Medium hh 54728614

Met de Belgische terrorismebestrijding is veel mis. Dat was de algemene conclusie van Nederlandse nieuwsduiders na de aanslagen van 22 maart in Brussel. Terwijl het Nederlandse journaal zelden aandacht besteedt aan het buurland (omgekeerd is dat anders) werden na de aanslagen op vliegveld Zaventem en metrostation Maalbeek de Brusselse gemeenten Molenbeek en Schaarbeek een begrip aan menige Hollandse koffietafel. En masse interviewden Nederlandse media opeens Belgen en steevast was er de vraag of de Belgische overheid het eigenlijk niet aan zichzelf te wijten had, omdat Brussel nu eenmaal zes politiezones en negentien burgemeesters telde. Bovendien hadden de autoriteiten geen grip meer op wijken als Molenbeek, zodat dit deel van ‘Bruxellistan’ wel hét broeinest van gewelddadige moslimextremisten moest worden.

Dat Salah Abdeslam, betrokken bij de aanslagen in Parijs van november 2015, vier maanden op vrije voeten kon blijven en ten slotte opgepakt werd in ‘zijn eigen’ Molenbeek sprak volgens velen boekdelen. Alsof Osama bin Laden zich niet bijna tien jaar schuil had weten te houden voor de Amerikanen en de Bosnisch-Servische leider Radovan Karadzic niet dertien jaar uit handen van de internationale gemeenschap had kunnen blijven.

De analisten zagen even de vernuftige verijdeling over het hoofd van een terroristische actie in Verviers in januari 2015, waarbij een groep terroristen werd opgepakt. Media trokken een rechte lijn tussen de schietpartij van mei 2014 in het Joods Museum in Brussel en de gebeurtenissen van 22 maart 2016, onderweg de betrokkenheid van Belgische staatsburgers bij de aanslagen in Parijs van 13 november 2015 aanstippend. Het was alsof over Nederland gezegd zou worden dat het beleid over-all slecht was geweest omdat eerst Theo van Gogh was vermoord, daarna leden van de Hofstadgroep met granaten naar de politie hadden gegooid, met Kerstmis 2009 een Nigeriaan met een onderbroekbom vanaf luchthaven Schiphol was vertrokken om een aanslag boven Detroit te plegen en diverse Belgische verdachten van terrorisme op Nederlands grondgebied waren geweest.

Veel media en sommige ‘deskundigen’ gingen zich in hun analyses te buiten aan zelfgenoegzaam en geborneerd nationalistisch België-bashing, tamboererend op de voortreffelijkheid van het Nederlandse beleid ten aanzien van radicalisering, Syrië-gang en terrorisme. In België is, aldus hoogleraar terrorisme en contraterrorisme Edwin Bakker, de politie ‘niet zo diep in de haarvaten van de samenleving doorgedrongen als hier in ons land. Daar kunnen radicalen zich verstoppen… Die scene is zó groot dat elke familie in Brussel wel iemand kent die betrokken is bij de gewelddadige strijd.’ Bakker zei het netter dan journalist-rebel Arthur van Amerongen, schrijver van Brussel: Eurabia uit 2008, die meende dat ‘Anne Frank de oorlog had overleefd als ze moslim was en in Molenbeek was ondergedoken’.

In de vergelijking met België werd vooral over de Nederlandse wijkagent uitgebreid de loftrompet geblazen. Dit manusje-van-alles voor wat de landelijke en gemeentelijke politiek niet zelf kan oplossen kreeg eens te meer mythische proporties. Hij werd afgeschilderd als de voelspriet van de overheid in de samenleving, die door een goed contact met alle bewoners een vitale schakel in de strijd tegen terrorisme vormt. ‘Er zijn voordat het misgaat’ zit hem in de vezels, aldus korpschef Erik Akerboom. En omgekeerd zouden de bewoners, als het moest, de wijkagent weten te vinden.

Vergeten waren de protesten tegen het racisme van de politie in de Haagse Schilderswijk. Vergeten waren rapporten van Amnesty International en het VN-onderzoekscomité naar rassendiscriminatie over misstanden op dit punt bij de Nederlandse politie. Vergeten was ook de blog van een jaar geleden waarin Akerbooms voorganger Gerard Bouman de discriminatie erkende en schreef dat het ‘iedereen die afwijkt van het gemiddelde’ moeilijk wordt gemaakt door en bij de politie en dat moslimagenten door hun collega’s worden ‘uitgesloten, gekleineerd en zonder respect behandeld’.

Nu heette het opeens in de woorden van de portefeuillehouder voor contraterrorisme, extremisme en radicalisering bij de Nationale Politie, Theo van der Plas: ‘Wij zijn de politie van insluiten, niet van uitsluiten.’ Hoe deze vermeende geslaagde vinger-aan-de-pols-benadering te rijmen valt met de gelijktijdige bewering door terrorismedeskundigen dat het radicaliseringsproces tegenwoordig wel heel snel verloopt (soms in een paar weken), zei niemand erbij.

Het is trouwens ironisch dat terwijl België nu kritiek krijgt vanuit Nederland omdat de politie en andere autoriteiten er geen voeling zouden hebben met probleemwijken in Nederland zelf repressief beleid wordt bepleit dat elke vorm van community policing illusoir maakt en mogelijk de kans op aanslagen juist vergroot.

Het terrorismebestrijdingsestablishment, bestaande uit vertegenwoordigers van de overheid, terrorismewetenschappers en in het beleid geïntegreerde vertegenwoordigers van moslims en Nederlanders van Marokkaanse origine, stond pal voor het welslagen van het Nederlandse beleid. Zodra maar even de gedachte opkwam dat de situatie in Nederland misschien niet veel afweek van die in België waren zij er als de kippen bij om die de kop in te drukken.

‘Verwarring rond Ibrahim El Bakraoui wil niet zeggen dat daaronder complete chaos schuilgaat’

Toen een week na de aanslagen in Brussel op Frans verzoek in Rotterdam de van terrorisme verdachte Anis B. met drie Algerijnen werd aangehouden, haastte burgemeester Ahmed Aboutaleb zich te verklaren dat de wijkagenten en hij goed weten wat zich in de wijken van de Maasstad afspeelt: ‘Deze wijken zijn absoluut geen Schaarbeek of Molenbeek. Het had overal kunnen gebeuren.’ Al moest hij wel erkennen dat ook in Rotterdam migrantengemeenschappen niet gemakkelijk naar de autoriteiten stappen met nieuws over radicalisering of terroristen.

Dat is ook niet vreemd, blijkens een verklaring van een buurtbewoonster: ‘Ik heb nog maar met een enkeling in de buurt contact. De meesten spreken niet eens Nederlands.’ Een andere buurtbewoner zei over een woning die door de politie werd doorzocht: ‘Een paar weken geleden dook daar een man op die we nog nooit eerder hadden gezien en werden spullen verhuisd. Maar dat gebeurt hier zo vaak. Dan ga je niet gelijk van het ergste uit. Ik denk ook dat niemand alarm zou slaan. Ieder leeft hier in zijn eigen wereldje.’

Pijnlijk werd het nadat eerst kritiek op België was geuit omdat het niet alert gereageerd zou hebben op de Turkse uitwijzing van Ibrahim El Bakraoui, die zichzelf op Zaventem opblies. Spoedig bleek namelijk dat Nederland hierover vanuit Turkije eerder en beter was geïnformeerd. Opnieuw volgden sussende woorden. Dat Nederland in dit geval een steek had laten vallen was volgens terrorismedeskundige Beatrice de Graaf een incident: ‘Verwarring rond El Bakraoui wil niet zeggen dat daaronder complete chaos schuilgaat.’ >

Toen er vervolgens signalen kwamen dat de Dienst Speciale Interventies (dsi), die terrorismebestrijding en moeilijke arrestaties tot taak heeft, overbelast is en niet goed uitgerust, moest wederom de indruk van Belgische toestanden dadelijk worden weggenomen. Nog dezelfde dag verklaarde Erik Akerboom dat er helemaal geen spanningen zijn. Al namen een dag later wel twintig dsi’ers wegens onvrede over hun arbeidsomstandigheden een advocaat in de arm, die zei dat er bij de dienst een angstcultuur heerst. Hij kon ook nog verklaren dat zijn cliënten bij de interne bezwarencommissie op alle punten in het gelijk waren gesteld.

Medium hh 51753855

Een kleine twee weken na de Brusselse aanslagen beweerde de Amsterdamse jongerenimam Yassin Elforkani dat er tussen Nederland en België slechts sprake is van een faseverschil. Nederland zou één tot anderhalf jaar achterlopen op België, het verschil tussen de oprichting van Sharia for Belgium bij de zuiderburen en vergelijkbare extremistische clubs hier. Volgens de jongerenimam zou Amsterdam over één tot anderhalf jaar ook aanslagen kunnen verwachten: ‘Veel mensen in de wijken weten ervan, maar kiezen ervoor hun mond te houden en deze jongeren te beschermen.’

Het terrorismebestrijdingsestablishment kwam opnieuw ogenblikkelijk in het geweer. Het Amsterdams vvd-raadslid Dilan Yesilgöz stelde: ‘We zitten er bovenop en we doen het beter dan welke stad dan ook (…) we moeten niet doen alsof het hier is zoals in Molenbeek.’

Elforkani behoort niet tot de selecte groep van 150 vertegenwoordigers uit alle lagen van de Amsterdamse islamitische gemeenschap die beschikt over een kort lijntje naar het stadhuis en er samen met de burgemeester ‘bovenop zit’. De Raad van Marokkaanse Moskeeën in Nederland vond desondanks dat Elforkani zijn inzichten maar met de hoofdstedelijke autoriteiten had moeten delen en niet met de media. Overigens ging het volgens de raad bij Elforkani om gevaarlijke angstzaaierij. Ook terrorismedeskundige Jelle van Buuren meende dat de jongerenimam de boel opjutte, en dat terwijl het Openbaar Ministerie ‘gewoon’ elke terugkerende Syriër stond op te wachten. Elforkani’s bewering dat de Marokkaanse gemeenschap angstvallig zwijgt over radicalisering kreeg een weerwoord van pvda-raadslid Sofyan Mbarki: ‘Als ik iets in mijn omgeving opmerk, meld ik dat, en de mensen om mij heen doen precies hetzelfde.’

Nu wil dit niet zeggen dat er geen kritiek op het Belgische beleid mogelijk is. Kritiek viel ook in België zelf te horen. Zoals wel vaker bij crises en rampen stonden ook daar vele groepen klaar om het beleid te verbeteren of de eigen agenda uit te spelen. Gewone politie, luchthavenpolitie, veiligheidsdiensten, politievakbonden en zelfs het onderwijs eisten extra geld en personeel, met de al dan niet openlijke suggestie dat als ze dit eerder hadden gekregen de aanslagen wellicht voorkomen hadden kunnen worden.

Zou ook in Nederland een gangsterislam mogelijk zijn, als de vonk zou overslaan van IS naar de Mocro-maffia?

Maar hoeveel reden is er om te menen dat België het bij de terrorismebestrijding relatief slecht en Nederland verhoudingsgewijs goed doet? Of dat de honderden IS-terroristen die klaar zouden staan om doelen in Europa aan te vallen het uitsluitend op de zuiderburen zouden hebben gemunt, omdat het bestuur daar, in de woorden van terrorisme-expert Bibi van Ginkel, ‘een krakend wagentje met zand tussen de wielen’ is? En zou in navolging van de Belgische connectie tussen Islamitische Staat en Marokkaanse criminaliteit ook in Nederland niet een gangsterislam mogelijk zijn, wanneer de vonk zou overslaan van IS naar de Mocro-maffia?

Er zijn een paar problemen die vergelijking tussen België en Nederland bemoeilijken, bijvoorbeeld de andere voedingsbodem van het extremisme. In Nederland beziet men de problematiek met het jihadistisch terrorisme en radicalisering vooral in etnische en religieuze termen. In België stond lange tijd een sociaal-economische duiding op de voorgrond. En terecht: in geen enkel ander Europees land zijn de kansen op scholing en arbeidsparticipatie voor migranten zo slecht als in België. En dus is het ook met hun huisvesting slecht gesteld en ontstonden getto’s, met de bij een lage sociaal-economische status behorende relatief hoge geboortecijfers.

Dit heeft slechts ten dele met bestuurlijke of politiële versnippering te maken. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat de Belgische premier Charles Michel verklaarde dat hij niet de indruk had ‘dat er in Zaventem twee bommen zijn ontploft omdat Brussel zes politiezones telt’. En evenmin was voor hem, na zes voorafgaande staatshervormingen, een nieuwe staatshervorming in het kader van terrorismebestrijding een prioriteit.

Andere verschillen met Nederland zijn de geografische ligging en de oriëntatie op Frankrijk, een land dat al decennialang worstelt met islamitisch extremisme. Rotterdam bleek overigens al meermalen net zo goed als fourageterrein van Frankrijk dienst te doen. Dankzij de succesvolle ontplooiing in het verleden van Sharia for Belgium is het aantal Belgische Syrië-gangers relatief hoog en daarmee de dreiging die uitgaat van terugkeerders navenant groter, te meer nog omdat de Belgen een relatief vooraanstaande rol hebben gespeeld in het kalifaat.

Des te prangender is de relatief geringe menskracht van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, al speelt de overbelasting van de terrorismebestrijders net zo goed in landen als Frankrijk en Engeland en geldt ook in die landen dat de diensten de plegers van aanslagen steevast eerder op de korrel hadden, maar op het cruciale moment juist even niet. Overigens is het niet ondenkbaar dat juist de opeenvolging van de aanvankelijk terughoudende opstelling van de Belgische overheid en een meer repressieve benadering ertoe heeft bijgedragen dat relatief veel Belgische radicalen die naar Syrië vertrokken nu bij terugkeer geen andere uitweg meer zien dan zich gewapenderhand tegen die overheid en haar burgers te keren.

Het gaat echter te ver om te beweren dat de Belgische autoriteiten anders dan hun Nederlandse counterparts niet hebben begrepen dat radicalisering zich primair in een lokale context afspeelt. Bij alle kritiek op de gefragmenteerde structuren in België mag niet uit het oog worden verloren dat er wel degelijk samenhang bestaat tussen het contraterrorismebeleid op lokaal en nationaal niveau. Al vanaf 2005 bestaan er lokale Task Forces Radicalisme, die worden aangestuurd door de Nationale Task Force. En nota bene onder het Belgisch voorzitterschap van de EU kwam een programma Community Policing Preventing Radicalisation Terrorism tot stand ter ondersteuning van eerstelijns politiemensen bij het tegengaan van radicalisering. Hieraan nemen vijftien Europese landen deel, waaronder België en Nederland.

Bovendien liet Nederland de lokale aanpak van radicalisering verslonzen na de beëindiging van het Actieplan Polarisatie en Radicalisering in 2011. Mede daardoor was Nederland niet minder verrast dan België toen de sterke jihadgang naar Syrië in 2012 opkwam. De aivd constateerde dan ook in 2014 in haar rapport Transformatie van het jihadisme in Nederland: ‘Tot nu toe ontwikkelde instrumenten gericht op vroegsignalering op grond van indicatoren en profielen blijken daarom van beperkt nut.’

Het is al jaren een strategie van jihadisten om de (westerse) tegenpolen te dwingen hun krachten te spreiden. Alleen al die redenering zou ervoor pleiten om na de aanslagen in Frankrijk en België nu doelwitten elders te kiezen. Naarmate het territorium van het kalifaat verder inkrimpt en zijn personele verliezen in Irak en Syrië toenemen, valt te verwachten dat Islamitische Staat steeds meer haar heil zoekt op een ander, namelijk het Europese front. En waarom zou Nederland dan gevrijwaard blijven? Is het in de ogen van IS minder een kruisvaardersstaat dan België? Ook hier zou er toch wel eens iemand gram kunnen komen halen wegens de honderden bommen die Nederlandse vliegtuigen hebben gegooid op doelen van IS.

Het is natuurlijk niet te hopen, maar in dat geval zal de Nederlandse premier, in weerwil van de vermeende voortreffelijkheid van het beleid alhier, net als zijn Belgische collega op 22 maart jongstleden simpelweg moeten vaststellen: ‘Het is onze beurt.’


Bob de Graaff is hoogleraar inlichtingen- en veiligheidsstudies aan de Universiteit Utrecht

Beeld: (1) 29 maart 2016. Molenbeek, Brussel. Een week na de aanslagen in Brusse (Alastair Grant / AP /HH); (2) 16 november 2015. Molenbeek, Brussel. Drie dagen na de aanslagen in Parijs (John Vink / Magnum)