LITERATUUR IN NEDERLAND

De belangrijkste debutant in 1968

Wat een rijkdom aan literatuur heeft het decennium 1960-’70 opgeleverd, achteraf gezien. En wat leek die rijkdom nog overzichtelijk.

Stel dat er in de jaren zestig een Libris-literatuurprijs bestond zoals die op 6 mei wordt uitgereikt. Dan zouden we in ieder geval alle zes genomineerden bij verschijnen al hebben gelezen en uit en te na hebben besproken – ‘we’ is nu even het verzamelde literaire journaille dat toentertijd nog prettig overzichtelijk bestond uit zo’n vijf hooggeleerde heren critici –, een weloverwogen mening hebben over alle kandidaten, en zeker menen te weten wie er vanwege welke literaire verdienste uiteindelijk met de poet vandoor gaat. We zouden ons in ieder geval níet opeens voor een gek huiswerklijstje gesteld zien. Marc Legendre, Louise O. Fresco… Van harte gefeliciteerd met uw nominatie, maar ook: help! Moeten we uw boeken nu echt gaan lezen?

Democratisering, het is allemaal leuk en zogenaamd aangezwengeld in de jaren zestig, maar in diezelfde jaren zestig wist men nog heel goed wat literatuur was en wat niet. En voorzover er enige twijfel was, dan was dat achteraf gezien eigenlijk bijna altijd wel terecht. Menig gefnuikt schrijversgenie troost zich met de gedachte dat de ware genius altijd wel komt bovendrijven, desnoods dan maar postuum, de geschiedenis laat anders zien. En wat zich achteraf gezien even meedogenloos aftekent: dat niets zo tijdgebonden is als het zogenaamde literaire schandaal.

Dus kunnen we – op onze eigen manier geheel hooggeleerd – achteraf zeggen dat de jaren zestig literatuursgewijs de jaren waren dat Vestdijk hard doorschreef, dat Mulisch, Hermans, Reve en Haasse de grenzen van de romankunst aan het oprekken waren en dat met Wolkers en Cremer een nieuw type schrijver zijn intrede deed: eentje met ballen in plaats van met een bril.

Wolkers debuteerde in 1961 met de verhalenbundel Serpentina’s petticoat. De oplage, achthonderd exemplaren, was na een half jaar nog niet uitverkocht en het boek werd nauwelijks besproken. Het jaar erop begon de bundel alsnog aan een triomftocht, in het kielzog van Kort Amerikaans, dat een instant succes was. Ieder jaar in dit decennium verscheen er een roman van Wolkers, en soms zelfs wel twee. Een roos van vlees, Terug naar Oegstgeest, Horrible tango, Turks fruit… Wolkers wás de jaren zestig, van zijn woeste haardos tot aan zijn blote voeten en niet te vergeten alles wat zich daartussenin bevond.

Niet zo vreemd dat een van de meest gezaghebbende critici in deze epoque, Kees Fens, die halverwege de jaren zestig zijn twee belangrijke essaybundels publiceert (De gevestigde chaos en Loodlijnen), zorgelijk constateert dat steeds minder schrijvers zichzelf met het werk van anderen confronteren. Alle nadruk is komen te liggen op de creativiteit als iets zelfstandigs en bijna absoluuts, en het is alsof iedere Nederlandse prozaschrijver opnieuw moet beginnen, schrijft Fens. Hij is bang dat het gebrek aan traditie de Nederlandse letterkunde in een isolement brengt. ‘Vergeten wordt dat literatuur alleen geschapen kan worden vanuit literatuur’, doceert hij. De grote uitzondering is voor hem Simon Vestdijk, de enige schrijver ook die in de jaren zestig de productiviteit van Wolkers nog overtreft. Maar als je kijkt welke romans Vestdijk dan stevig in het zadel van de literaire traditie zoal voortbracht, moet je toch constateren dat al die titels – in tegenstelling tot die van Wolkers – slechts vage reminiscenties oproepen. Bericht uit het hiernamaals, Juffrouw Lot, Het genadeschot, De hôtelier doet niet mee…

Er moest een andere schrijver aan te pas komen om het oorspronkelijk genie van Wolkers te kunnen duiden en waarderen. Hella S. Haasse schrijft in haar essaybundel Leestekens (1965) in haar later beroemd geworden opstel Ogen om te zien over het werk van Wolkers: ‘Zelden zijn een bepaalde sfeer, een bepaald klimaat van de bezettingstijd 1940-’45 zo zintuiglijk waarneembaar gemaakt in hun beklemming en onzekerheid als in het werk van Jan Wolkers, dat eigenlijk nooit die bezetting en het oorlogsgebeuren zelf tot onderwerp heeft.’ Wolkers’ fort is volgens Haasse dat hij laat zien hoe het triviale, ‘gewone’, en het onbegrijpelijke, verschrikkelijke, volstrekt on-gewone, met elkaar verweven zijn. Haasse legt hiermee haar vinger op een literaire kwestie die onverminderd actueel is.

Veel meer gedateerd, achteraf gezien, is de ophef die ontstond rond het werk van Jan Cremer. Maar liefst vijfduizend exemplaren van Ik Jan Cremer rolden in 1964 de boekwinkel in, en aan het eind van het jaar was het boek zeventien keer herdrukt. Voor het eerst viel publiekelijk de persoon van de schrijver samen met zijn boek, en de heisa die Cremer hiermee veroorzaakte was enorm. Literair gezien culmineerde het tumult in de uitreiking van de Prozaprijs van de gemeente Amsterdam in 1967: twee leden van de jury waren vóór, eentje was tegen. Na veel geharrewar en publiciteit werd Jan Cremer toch de prijs toegekend, waarmee ‘de taal van de straat’ een officiële, literaire status kreeg.

Met Jan Cremer was de bestsellerauteur geboren, en, zij het op een ander plan, ook Hermans, Reve en Mulisch groeiden in dit decennium uit tot bestsellerauteurs. Het waren in die tijd ongewone en ook moeilijk verklaarbare verkoopsuccessen. Wat in ieder geval wel meehielp: de uitvinding van de literaire pockets en het schrijversinterview. Het is nu bijna niet meer voorstelbaar, maar er was een tijd dat aandacht voor een boek aandacht voor dat boek was, en niet onmiddellijk voor de persoon van de schrijver. Reve vond zijn beste vorm in de brievenboeken die in deze jaren begonnen te verschijnen (Op weg naar het einde, 1963, Nader tot u, 1966), Hermans publiceerde zijn beruchte polemieken (Mandarijnen op zwavelzuur, 1967) en Mulisch schreef zijn legendarisch geworden reportageachtige boeken (Bericht aan de rattenkoning, 1966, Wenken voor de Jongste Dag, 1967). Immers, zoals Mulisch met gevoel voor pathos verkondigde: ‘Het is oorlog. En in oorlogstijd moet men zich niet bezig houden met het schrijven van romans.’ Het experimenteren met de romanvorm drong door in steeds bredere literaire kring, zoals ook Haasse liet zien met de unieke mengeling van fictie, essay en autobiografie in De tuinen van Bomarzo (1968).

Wat een rijkdom aan literatuur heeft dit decennium opgeleverd, achteraf gezien, en wat leek die rijkdom desondanks nog overzichtelijk. Té overzichtelijk misschien voor sommige auteurs, zoals voor degene die in 1968 door de literaire kritiek werd uitgeroepen tot de belangrijkste debutant, vanwege de roman die het jaar ervoor was verschenen. Joris Ockeloen en het wachten was een sensatie, die werd bekroond met de prestigieuze Vijverbergprijs. Vier decennia later bevinden we ons weliswaar in een literair moeras en zijn alle rangen en standen wel zo’n beetje verwelkt of vergaan (tot over veertig jaar ook weer alles zo klaar als een klontje blijkt en er gewoon een stuk of acht schrijvers de tand des tijds blijken te hebben doorstaan), maar Jeroen Brouwers is altijd blijven bestaan. Ter beloning ontvangt hij volgende week dan ook de Libris-literatuurprijs voor Datumloze dagen.