Simon Singh, De oerknal

De belangrijkste ontdekking

Simon Singh
De oerknal: De belangrijkste wetenschappelijke ontdekking ooit
De Arbeiderspers, 451 blz., ¤27,95

Laten we eerlijk zijn, alfa’s kijken eigenlijk neer op bèta’s die een citaat van Shakespeare of een schilderij van Watteau niet herkennen en die niet weten wie er op Godot stond te wachten. En eigenlijk verwachten ze ook nog dat die bèta’s zich daarvoor schamen, terwijl ze zelf met enige trots vertellen er geen flauw benul van te hebben hoe een deeltjesversneller werkt of wat een boogseconde, een deuterium of een quasar is. Tegelijkertijd doen ze alsof ze exact weten welke bijdrage Einstein aan onze cultuur geleverd hebben, lachen ze smakelijk om politici die geloven in een intelligent design en gebruiken ze quasi-achteloos begrippen als relativiteit of oerknal.

Vooral dat laatste begrip is volledig ingeburgerd, zonder dat de meesten van ons ook maar een vage notie hebben van wat deze theorie inhoudt. Simon Singh, die eerder een spannend boek schreef over hoe Andrew Wiles de laatste stelling van Fermat bewees, probeert in dit nieuwe boek aan leken uit te leggen hoe de oerknaltheorie is ontstaan, hoe zij in elkaar zit en waarom het de meest verstrekkende wetenschappelijke ontdekking is.

Singh begint met de oudste kosmologische theorieën en geeft een handzaam en helder overzicht van de geschiedenis van de astronomie tot ongeveer 1900. Aan het eind van elk hoofdstuk geeft hij een samenvatting, waarin met behulp van tekeningetjes en schema’s de verschillende ontwikkelingsfasen worden weergegeven. In het tweede hoofdstuk legt hij nog eens duidelijk uit wat Einstein heeft ontdekt, en hoe diens theorie ertoe leidde dat men ging vermoeden dat het heelal een begin heeft gekend en nog altijd uitdijt. Daarna komt de hele oerknaltheorie aan bod.

Het aardige van dit boek is dat het de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek niet presenteert als volkomen voor de hand liggend, maar uitgebreid aandacht besteedt aan de wetenschappelijke debatten en ook serieus ingaat op de theorieën die het uiteindelijk «niet gehaald» hebben.

Na lezing van dit boek heb je als leek in ieder geval het idee dat je enigszins weet waarover het gaat, en dat is al heel wat. Alfa’s past een zekere bescheidenheid, wat ook tot uitdrukking komt in de uitspraak van Paul Dirac die als een van de motto’s van Singhs boek fungeert: «In de wetenschap probeer je mensen, op zo’n manier dat iedereen het begrijpt, iets te vertellen wat niemand tevoren wist. Maar in de dichtkunst gebeurt precies het tegenovergestelde.»