Pentagon bagatelliseert de successen van de Irakezen zelf

De «belegering» van Bagdad

Het Pentagon heeft er alle belang bij de successen van de Irakezen zelf in de strijd tegen het terrorisme te bagatelliseren. En voor het overige valt de situatie in Bagdad best mee.

BAGDAD – Aanvallen in Bagdad op de aanvoer van olie, benzine, kerosine, water en elektriciteit «hebben een ongekend niveau van coördinatie en professionaliteit bereikt», zeggen Amerikaanse en Iraakse functionarissen. De opstandelingen hebben zo’n «goed begrip» van de organisatie van de water- en stroomvoorzieningen dat er «sprake is van een verschuiving van losse aanvallen op economische doelen naar wat neerkomt op een belegering van Bagdad».

Aldus journalist James Glanz eind februari in de International Herald Tribune. De inwoners van Bagdad «zijn voor stroom geregeld aangewezen op buurtgeneratoren». Twee weken voor de verkiezingen viel door een trefzekere aanslag op een knooppunt van de drinkwatervoorziening de druk in de waterleidingen grotendeels weg, waardoor «driekwart van de Bagdadi’s» een week niet kon douchen en wassen en alleen water had om te koken. Tot drie weken na de verkiezingen waren er weer lange wacht rijen voor de benzinestations.

Glanz sprak met Sabah Kadhim, een top ambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken, die meent dat «de recente sabotagedaden onderdeel zijn van een plan om Bagdad in chaos te storten met als resultaat een gevaarlijk ontevreden bevolking, een zichtbaar niet-functionerende regering en het tot stilstand ko men van de belangrijkste industrieën en bedrijven».

Buitenlandse journalisten mogen in Irak steeds zeldzamer zijn geworden, er zijn nog volop Amerikanen van gerenommeerde dagbladen en televisiestations aanwezig. Blijkbaar hebben die de opdracht altijd met Amerikaanse troepen op stap te gaan, als embedded journalist, want je leest zelden een verhaal zonder quotes van uitsluitend Amerikaanse militairen of een verhaal dat buiten een persconferentie in de goed beveiligde Green Zone om is ge maakt.

Dat heeft een groot nadeel: Amerikaanse militairen en aan hen gelieerde Iraakse func tionarissen geven een uiterst eenzijdig, incompleet beeld van de situatie. Elk groot succes in de strijd tegen het terrorisme is altijd van Amerikaanse makelij, niet van de Iraakse shoerta (politie) of de Harris al-Watani (de Nationale Garde). Om van de Iraakse kant op de hoogte te zijn, moet men Iraakse kranten kunnen lezen en naar Iraakse televisieprogramma’s kijken. Maar de Amerikaanse journalisten vertrouwen hun berichtgeving niet. Er is nu één staats omroep met bureaus door het hele land, geflankeerd door tien particuliere zenders. Al die Iraakse media geven een heel ander beeld, van falen en successen van alle partijen.

Wat veel Amerikaanse journalisten niet schijnen te kunnen zien, is dat het Pentagon er alle belang bij heeft de successen van de Irakezen zelf in de strijd tegen het terrorisme te bagatelliseren. Er is geen formele overeenkomst met de Iraakse regering over de voorwaarden voor vertrek van de Amerikaanse troepen. Formeel stellen de Amerikanen dat het Amerikaanse leger vertrekt «zodra de Irakezen voor hun eigen veiligheid kunnen zorgen». Dat is een gotspe, omdat het Pentagon enkele weken na de oorlog, tegen het advies van de toenmalige gouverneur generaal Jay Garner in, de politie en het leger naar huis heeft gestuurd. De overgrote meerderheid daarvan bestond uit mensen die geen bloed aan hun handen hadden en geen lid waren van de Baath-partij. Vervolgens heeft men fout op fout gestapeld en bijvoorbeeld niet voorkomen dat het «verzet» de wapen- en munitie depots van het Iraakse leger leeghaalde. Washington loopt maanden achter met de bevoorrading van leger en politie. Die moeten zich bijvoorbeeld nog steeds zonder helm in open pick-up trucks over straat bewegen. Er wordt afgegeven op ongetrainde agenten die meteen de benen nemen als hun politiebureau wordt aangevallen, maar toen agenten een keer urenlang standhielden en om luchtsteun van een helikopter vroegen, stuurden de Amerikanen niemand. Na de oorlog zijn onder de neus van de Amerikanen nieuwe milities opgericht en bewapend, hebben buitenlandse terroristen verscheidene trainingskampen kunnen opzetten, zijn levensgevaarlijke arrestanten vrijgekomen door omkoping van Amerikaanse bewakers en zijn gearresteerde Baath-leiders die tot de top van het verzet behoorden, als vrij man naar het buitenland «verdwenen». Met zulke vrienden hebben de Irakezen geen vijanden meer nodig en zal het wel even duren voordat zij voor hun eigen veiligheid kunnen zorgen.

Mijn eigen ervaring spreekt de vele Amerikaanse berichten tegen dat de situatie in de hoofdstad steeds kritieker wordt. Een gevoel van belegering kennen wij inwoners al helemaal niet. Zo was er eind februari weer volop drinkwater, benzine, kerosine en stroom zoals we dat nu al bijna twee jaar kennen: enkele uren uit, enkele uren aan. De rijen bij de benzinestations zijn óók het gevolg van het uitgaansverbod, waardoor er veel minder uren getankt kan worden, van de komst van meer dan een miljoen extra auto’s sinds het einde van de oorlog en de verviervoudiging van het stroomverbruik, waardoor er veel meer benzine, aardgas en diesel voor de generatoren nodig is. De Irakezen krijgen van hun media weliswaar geen constante goed-nieuwsshow, maar de media laten wel de vooruitgang zien, van nieuwe elektriciteitscentrales tot en met nieuwe wetgeving, nieuwe schoolborden en steeds meer veiligheid. Tegenover elk bericht over een geslaagde aanslag staan verscheidene berichten over succesvolle razzia’s, arrestaties, opgerolde bommenateliers en honderden mannen die hun wapens komen inleveren.

De boodschap van de terroristen, «wees bang voor ons, doe wat wij zeggen», heeft geen vat meer op de mensen. Twee bakkerijen zijn onlangs beschoten, maar de mensen kopen er nog steeds brood. De terroristen bieden honderd dollar voor elke dode Iraakse militair, maar mannen en vrouwen blijven zich aanmelden voor leger en politie. In de drie dagen in de aanloop naar de verkiezingsdag zijn er tientallen mislukte aanslagen op stembureaus geweest en pamfletten verspreid waarin kiezers met de dood werden bedreigd, maar de meeste mensen gingen toch stemmen. Er is een ware hausse geweest aan initiatieven van burgers om politie en leger op de autobommen ateliers en vergaderplekken van terroristen te wijzen. Typerend was de arrestatie van dertien buitenlandse terroristen bij een moskee. De man die de politie getipt had, stapte tijdens het boeien van de arrestanten naar voren en zei: «Ik ben Abu Mohamed, ik woon dáár. Wij zijn niet bang meer voor jullie, we zullen alles doen om jullie te stoppen.»

De Irakezen kijken ook naar CNN, de BBC en andere buitenlandse satellietzenders. Daar krijgen ze het idee dat het nooit meer wat wordt met hun land. Men wil bewijzen zien dat er ook successen zijn geboekt. Geregeld wordt na weer een aanslag in de camera geschreeuwd: «Waar is de regering?» of: «Waar is Allawi?», de premier. Sinds februari worden de Irakezen dan eindelijk bediend. Toen begon op staatsomroep Al-Irakiya een fascinerend programma. Gearresteerde terroristen en zware criminelen worden ge hoord door een onzichtbare rechter-commissaris. Voornamelijk twintigers en dertigers passeren de revue, zonder uitzondering Irakezen van arme komaf die goed zijn gaan verdienen aan carjackings, ontvoeringen, autobommen ma ken, onthoofdingen, groepsmoorden en sabotage van oliepijpleidingen, de drinkwater toevoer en de stroomvoorziening in Bagdad. Fris geschoren en gekamd en in nieuwe kleren gestoken vertellen ze hun verhaal, af en toe gecorrigeerd door andere arrestanten die op de achtergrond zichtbaar zijn.

Ook buitenlanders worden verhoord. Soedanezen, Tunesiërs, Egyptenaren en anderen lichten toe waarom en hoe ze naar Irak kwamen. Een gevangen Syriër legde uit dat onthoofdingen werden geoefend op dieren, en dat je toch eerst zo’n tien mensen onthoofd moet hebben voordat het soepele routine wordt. Een Irakees vertelde over zijn training in Pakistan.

Sommige opnamen zijn al maanden oud. De Iraakse journalisten bij de omroep hebben volgens eigen zeggen een lang gevecht met hun Amerikaanse oppassers gewonnen om de verhoren aan het Iraakse publiek te laten zien. De Amerikanen zeggen dat ze openbare verhoren in strijd achten met de Conventies van Genève.

Zeker is dat de meeste vertoonde arrestanten geen aanspraak kunnen maken op de status van krijgsgevangene, omdat ze niet in uniform zijn en niet altijd opereren onder bevel van vreemde mogendheden, zoals Syrië, maar ook op eigen houtje. Tien vrouwen in Mosul zijn voor de lol gekidnapt, verkracht en vermoord.

Zeker is ook dat de opnamen speciaal voor gebruik op televisie zijn gemaakt en dat het Iraakse publiek daar geen probleem in ziet: «Saddam deed dat ook.» Een van de arrestanten zat voor een metershoge muurschildering die hulde brengt aan de nieuwe Nationale Garde van Irak. Het programma is misschien ook een verzoeknummer van het Iraakse kabinet, maar het ontziet niet Iraakse agenten en militairen die gemene zaak met terroristen hebben gemaakt. Het programma stelt de vragen die het Iraakse publiek wil stellen: «Oké, je bent tegen de Amerikaanse bezetting. Volgens je vrienden hier ben je medeplichtig aan de moord op minstens tien Irakezen. Hoeveel Amerikaanse militairen heb je gedood?» «Niet één, meneer.»

Door het programma raakt de bevolking ervan overtuigd dat de Syrische regering leiding geeft aan het «verzet» in Irak, en niet Saddams gefortuneerde dochter, die onder bescherming van koning Abdallah in een paleisje in de Jordaanse hoofdstad Amman kantoor houdt en haar vaders advocaten betaalt. Dat lijkt bevestigd te worden door de arrestatie in Syrië en de uitlevering van de halfbroer van Saddam, Sabawi, samen met zijn medewerkers. Dit gebeurde pas nadat Syrië door de tegen de bezetting protesterende Libanese bevolking in het nauw werd gebracht. In het wereldbeeld van de gemiddelde Syrische geheime-dienstemployee zullen die protesten ook wel aan de Amerikanen geweten worden. Dus moest er een groot offer worden gebracht: Sabawi cum suis. Even eerder, op 26 februari, bracht het dagblad Al-Mada van de Iraakse ex-communist en zakenman Faghri Karim het nieuws dat de Syrische geheime dienst informatie over 36 verzetscellen aan de Iraakse collega’s had doorgebriefd, waarna 157 Irakezen en buitenlanders waren opgepakt, meestal in moskeeën terwijl ze druk aan het vergaderen waren over de volgende aanslagen. De Syriërs zouden dat gedaan hebben in ruil voor de belofte dat geen safe houses, trainingskampen voor terroristen en andere logische doelen op Syrisch grondgebied worden gebombardeerd.

De Iraakse regering kan niet zoals de Amerikaanse Syrië met militaire aanvallen dreigen, maar toch laten de Irakezen zich niet onbetuigd. Zo hebben zij voor elkaar gekregen dat de door de aartsconservatieve Moslim Broederschap gedomineerde vakbonden in Jordanië geen politieke bijeenkomsten meer mogen houden om nieuwe strijders voor Irak te rekruteren. De Jordaanse regering vaardigde op aandringen van de Iraakse president Yawr een verbod uit en nodigde de bonden uit zich tot sociaal-economische kwesties te beperken.

Als Nederlander moet ik altijd drie keer nadenken voordat ik een verbod op vakbonden, het ondervragen van arrestanten op de televisie of het verraden van eigen spionnen bijschrijf op mijn lijst van dingen die goed gaan in het Midden-Oosten. Maar ik doe het. Alleen in de doodstraf voor Iraakse terroristen en zware criminelen als nuttige afschrikkingsmaatregel zal ik nooit geloven.

Anneke van Ammelrooy woont en werkt in Bagdad. Over haar verblijf in Irak
publiceerde ze het boek Alles is er niet, uitgeverij Papieren Tijger.

Ze houdt op www.web-log.nl een blog bij, groetenuitbaghdad.