`de belg heeft een baksteen in zijn buik’

Geert van Istendael, Bekentenissen van een reactionair. Uitgeverij Atlas, 281 blz., f39,90.
Hij is het geweten van Belgie, van Brussel in het bijzonder. Want Brussel wordt vermoord. Door de slopershamer, door de markt, door Europa. Is Geert van Istendael werkelijk reactionair? ‘Dat zijn we toch allemaal een beetje.’ Maar wel een reactionair die de lofzang zingt op de meertaligheid.

BRUSSEL - Je stapt het Centraal Station uit en aanschouwt Brussel. Vroeger, dat wil zeggen tot voor een paar jaar geleden, zo schrijft Geert van Istendael in Arm Brussel, zag je de oude stad, l'ilot sacre, het heilige eiland, en de toren van het stadhuis daarboven. Toegegeven, tussen de schoonheid van de oude stad en de zinnenprikkelende etensgeuren van de Beenhouwersstraat lagen een parkeerplaats, een pompstation en een plantsoen met kwijnende heesters. Maar het kon nog veel erger. Nu wordt de blik op de oude stad versperd door ‘een muur afzichtelijke, oneerlijke gevels’. Infame pseudohistorische gebouwen waar zo'n onvermijdelijk luxe hotel in is gevestigd.
Inderdaad, je hoeft maar even door de stad te lopen om iets te begrijpen van Geert van Istendaels boutade tegen de betonboeren die van Brussel een onooglijk stedelijk gedrocht maken. 'De Belg heeft een baksteen in zijn buik’, citeert hij in zijn boek Het Belgisch labyrint een vaak geuite klacht. De wandeling naar de Marollen, de Brusselse Jordaan waar ik met Van Istendael heb afgesproken in cafe Het Warme Water - genoemd naar de winkeltjes van weleer waar arme mensen ’s zomers warm water konden kopen om koffie en thee te zetten - voert langs de monumentale trappen van de Kunstberg waar een kille wind niet aflatend waait. De pompeuze trappen verdrongen in de jaren vijftig een charmante Franse terrastuin met watervalletjes en fonteinen. Langs het negentiende-eeuwse Paleis van Justitie, langs de middeleeuwse Kapellenkerk en langs de Hoogstraat vol restaurants en winkels met art nouveau-meubels. Tussen de grootsteedse glorie staan zonder blikken of blozen vervallen loodsen en slordig dichtgetimmerde gebouwen. Zakelijke betonnen kolossen en opzichtig blinkende wolkenkrabbers bepalen de skyline. Van enig overleg, van enige 'ruimtelijke ordening’ lijkt inderdaad geen sprake.
In Het Belgisch Labyrint of De schoonheid van de wanstaltigheid uit 1989, een veelomvattend portret van Belgie, en sterker nog in het in 1992 verschenen Arm Brussel ontpopt Van Istendael zich als het geweten van Belgie in het algemeen en Brussel in het bijzonder. Hij hekelt niet alleen de bouwkundige barbarij, maar ook de welig tierende corruptie onder de Belgische bestuurders, de Brusselse bureaucratie, de kruiperige knieval voor de Europese gedachte, het zelfgenoegzame provincialisme van veel landgenoten dat de basis is voor het 'eigen volk eerst’, het wansmakelijke 'verkavelingsvlaams’ dat door heel wat Vlamingen wordt gebrabbeld et cetera. Maar hij steekt ook aanstekelijk de loftrompet over zijn land en stad, waar de tweetaligheid steeds vanzelfsprekender wordt gehanteerd, waar zoveel paradoxen vloeiend worden geleefd, waar groots wordt gegeten en gedronken, waar honderdvijftig soorten bier worden gebrouwen.
HOEWEL VAN ISTENDAELS nieuwste boek, Bekentenissen van een reactionair, lang niet alleen over Belgie gaat, heeft de behoudzuchtige tendens ervan ongetwijfeld met Brussel te maken. 'Jawel, er is misschien een oorzakelijk verband’, geeft Van Istendael toe boven zijn kop koffie. 'Omdat bijna alles wat vernieuwd is in Brussel een achteruitgang heeft betekend, een duidelijk verlies. Misschien is het daardoor dat ik deze houding veralgemeen. Ik ben allerminst tegen het vernieuwen van steden, dorpen, kleren, broeken, toestellen enzovoort. Ik ben geen nostalgische nurks. Maar de manier waarop ze dat hier hebben gedaan is zo gewelddadig, met zo'n slecht resultaat dat je werkelijk gewaarschuwd wordt. Kijk, ik ben opgegroeid in een tijd die als het ware vanzelf vooruitging, de jaren vijftig. Er heerste toen een groot optimisme en je identificeerde je, zonder er eigenlijk veel bij na te denken, met de veranderingen om je heen, met De Vooruitgang - met hoofdletters. Nu vragen we ons pas af of het allemaal wel nodig was. Kijk eens, we hebben de eeuw van de relativiteitstheorie en de eeuw van de dubbele helix, de eeuw van de peniciline, de overwinning van een aantal ziekten. Goed, daar stel ik geen vragen bij. Maar als je dan de duistere kant van de eeuw neemt, dan is al die vooruitgang zwaar betaald. Daar heb ik grote vragen bij. Hebben we ons niet in de luren laten leggen door mensen die daar belang bij hadden, die daar geld aan verdienden? In Brussel weet ik het zeker wat de stedenbouw betreft. We hebben ons laten pesten, laten foppen en bedriegen door mensen die daar immens veel geld aan hebben verdiend.’
Zijn behoudzucht uit zich in Bekentenissen van een reactionair op veel vlakken. Van Istendael spreekt zijn voorkeur uit voor ambachtelijk gemaakte keukenstoelen in plaats van de 'voddige en aartslelijke dingen’ van tegenwoordig, pleit voor gezond onderwijs in feitenkennis op de lagere school en windt zich andermaal op over architectonische megalomanie. En hij beschrijft hoe hij, of het nu stralend zomerweer is of vriest, altijd zijn paraplu meeneemt - 'Ha, daar komt onze pessimist!’ De sleutelwoorden in zijn reactionaire geloofsbelijdenis: bescheidenheid en traagheid. De grootste steen des aantstoots: De Markt. 'Waar kun je je nog onttrekken aan de alomtegenwoordige godheid Markt? Alles is Markt, Markt is overal.’
'Ik weet dat reactionair een scheldwoord is’, zegt Van Istendael. 'Daarom heb ik die titel ook genomen. Er zit natuurlijk ook iets stouts in. Maar we zijn het toch allemaal een beetje, kom nou. We noemen het dan met een lief woord “nostalgisch”, maar eigenlijk is het reactionair. Als je dan beetje een slechtig karakter hebt, word je ook nog eens boos. Eigenlijk ben je kwaad dat je afgepakt wordt wat heel vroeger zo goed was.’
Maar het begrip 'reactionair’ heeft voor hem ook een utopische dimensie. 'Zuruck in die Zukunft’, haalt hij de leus van de wanhopige burgers van de voormalige DDR aan. Het is geen toevallig citaat, want Van Istendael was jarenlang Duitsland-specialist bij het journaal van de BRT en als zodanig reisde hij geregeld naar de heilstaat van weleer. In Bekentenissen van een reactionair staat een in nostalgie gedrenkt stuk over een van die reizen. 'Het was een stap terug in de tijd, de teletijdmachine van professor Barabas uit Suske en Wiske’, licht Van Istendael toe. 'Je ging over de grens en vond een voorbije wereld. Maar vergeet niet het laatste woordje in het stukje over de DDR: “Terug? Nee.” Naar zo'n dictatuur wil je niet terug. Maar aan de andere kant zullen we toch zien dat zelfs zij, in die onmogelijke omstandigheden, wel op bepaalde punten het goede voorbeeld hebben gegeven. Ik weet dat er altijd wordt geroepen: ge mag dat niet zeggen. Bijvoorbeeld die traagheid. De Oostduitse schrijver Christoph Heym heeft mij gezegd: “In onze samenleving hechten we veel te weinig belang aan geld. Het is zeer goed dat we dat nu noodgedwongen wel moeten doen.” Maar omgekeerd zou hier misschien eens wat minder belang moeten worden gehecht aan geld.’
Het boek begint met een open brief aan collega en vriend Jef Lambrecht aan wie Van Istendael verantwoording aflegt over zijn vertrek als journalist bij de BRT. In de open brief geeft Van Istendael toe dat hij door het schrijven een vluchtheuvel heeft, een schuilplek, een geheime tuin waarin hij zich kan terugtrekken. De paradox is dat hij zich in zijn geheime tuin ongemeen woedend maakt over de maatschappij. Van Istendael: 'Ja, ik ga achter een struik zitten en ga daar zitten tetteren. Dat wil niet zeggen dat ik nooit door het tuinhekje naar buiten loop. Men had mij voorspeld dat ik zou vereenzamen. Ik blijf mij juist met de wereld om mij heen bemoeien, ik denk zelfs dat ik dat beter kan door het op te schrijven. Want de televisiemaker is eigenlijk slechts een bevoorrecht burger. Hij moet natuurlijk de vragen stellen die de kijker wil stellen, misschien iets scherper, dat wel, maar hij deelt de machteloosheid van iedereen, alleen heel zichtbaar en beroepshalve.’
En is hij nu dan minder machteloos? 'O nee, hetzelfde. Ik kan protesteren en ik weet niet eens wie het leest. Je kent je publiek per definitie niet. Bij de televisie werkten we voor acht-, negenhonderdduizend mensen. En vroeger, toen de commercielen niet bestonden, voor 1,5 miljoen mensen, misschien nog wat meer. Dat is enorm veel, dat haal ik nooit met een boek. Maar de inhoud van een boek blijft hangen, het achtervolgt mensen jarenlang.’
Zo gebruikte, vertelt Van Istendael trots, het congres van Brusselse Vlamingen een verkort zinnetje uit Arm Brussel op een groot spandoek: 'Brussel stad van de eeuw die komt.’ En dat is volgens hem de stad 'van de zaligmakende Babylonische spraakverwarring der Brabanders, Denen, Marokkanen, Turken, Hollanders, Italianen, Grieken, Kossovaren, Ghanezen, moffen en veel andersoortige kinderen van Moeder Aarde. Beter dan welke stad ook weet Brussel hoe culturen en talen naast en onder elkaar liggen te wrijven en te schurken.’
Van Istendael: 'Brussel heeft wat Parijs en New York ook hebben. Toen ik voor het eerst in New York kwam, kwam ik uit het binnenland van de Verenigde Staten. We stapten van het vliegveld in de aankomsthal en daar stonden twee officiele mensen met petjes van het vliegveld met elkaar te praten. Spaans. Vervolgens was er Frans op de taxiradio van Haitianen. Brussel heeft dat ook. En Brussel is zo belangrijk omdat wij ervaring hebben met onderdrukking. De Nederlandstaligen zijn hier weggeveegd. Uit de eerste volkstelling in Belgie in 1846 blijkt dat in de stad Brussel, alleen de stad, dus niet de achttien andere gemeenten, zestig procent Nederlands spreekt, in twee gemeenten daar buiten vijftig procent en in bijna alle andere gemeenten zeventig tot negenennegentig procent. Een grote meerderheid sprak kortom Nederlands.
Wat is hier gebeurd? Ja, van alles. Alle onderdrukking behalve geweld, omdat we daar niet aan doen. We weten nu ook hoe je je daar democratisch en vreedzaam onderuit kunt werken. Dat is niet gemakkelijk, dat is soms ook heel belachelijk en pietluttig. Dat is een ervaring hoor. De Palestijnen komen naar hier om te kijken hoe wij dat doen. De Tsjechen zijn hier geweest om te zien hoe je vredelievend uit elkaar kunt gaan. Het is een laboratorium omdat zeker voor Europese begrippen alles hier door elkaar loopt.
U moet zich goed voorstellen hoe dat vroeger was. In iedere winkel waar je binnenkwam, moest je rekenen met onbegrip, minachting, ze keken je naar buiten, je werd niet bediend. Om het scherp te stellen: je was de neger. Je wooonde niet in Soweto, we moeten niet overdrijven. Maar je werd behandeld als een minderwaardig iemand, iedere dag. Terwijl het, weliswaar niet in Brussel, maar in Belgie om de meerderheid van de bevolking ging. Je had Vlaamse gezinnen die in Brussel woonden, vooral katholieken, die in de stad hun inkopen gingen doen en nooit, nooit, nooit een woord Frans spraken. En bij iedere winkel waar ze geen Nederlands konden spreken, maakten ze een scene. Dus tijdens je zaterdagse inkopen had je in vijf, zes winkels ruzie.’
De emancipatie van de Vlamingen in de jaren zeventig leek er vooral uit te bestaan dat een groot aantal mensen hardnekkig gewoon Nederlands ging praten en weigerde zich aan te passen. De wet was immers al eerder aangepast. Van Istendael: 'Ik herinner mij bijvoorbeeld mijn eerste pak dat ik ging kopen bij Boetsch Tailors. Ze spraken daar alleen Frans. De verkoper kende geen Nederlands en ik sprak dat wel consequent. Heel hard. Mijn moeder schaamde zich dood, want dat deed je niet, je was minderwaardig en daar moest je je aan onderwerpen. En je kon dat. Een neger kan zijn vel niet afstropen, maar een taal kun je wel afstropen. Hoeveel mensen in Zuid- Afrika zouden nog zwart zijn als je een wit vel kon krijgen? Een kleine, keiharde minderheid. Zo is het hier gebeurd, zo is het verfranst. De officiele instanties moesten tweetalig zijn, maar ze deden het niet. Je weet niet waar je recht op hebt. Nu soms nog steeds niet. Tot in de jaren zeventig was het keihard: “Nee, ik heb die papieren niet.” “Jawel, u moet ze hebben.” “C'est un Flamand qui fait des difficultes.” - Een Vlaming die moeilijkheden maakt. Nee, zij maken moeilijkheden.’
DE TWEETALIGHEID is voor Van Istendael nu zelfs een van de charmes van de stad. In Arm Brussel schetst hij hoe zijn francofone buurman beleefd op het Nederlands overstapt - 'Koededak! Oe chaat het?’ - en hoeveel Nederlands er onder de korst Frans te vinden is. Van Istendael: 'De Brusselse burger, zeker de Brusselse Vlaming, is altijd tweetalig. Ik ken geen andere. De een spreekt het wat minder goed, de ander volmaakt. Er zijn Brusselse Vlamingen die beter Frans spreken dan Nederlands. Een groot deel van de mensen dat zich naarbuiten voordoet als Franstalig in Brussel, is eigenlijk tweetalig. Dat merk je elke dag. Mensen die een Franstalig persoonsbewijs hebben, in het Frans hun rekeningen betalen, in het Frans naar de bakker en de slager gaan - hoewel die slager misschien een Vlaming is - die heel goed Nederlands kennen.’
VOOR WE HET WETEN praten we weer over Brussel. Want als de 'reactionair’ met stemverheffing en gesticulatie fulmineert of een lofzang afsteekt, dan gaat het over de hoofdstad van Belgie en Europa. Van Istendael: 'De Belgische overheid heeft vooral sinds de Tweede Wereldoorlog een bouwpolitiek, of beter een niet-politiek van stedebouw, die alle verbeelding tart. Maar misschien is de verwoesting op grote schaal van Portugese steden die nu aan het gebeuren is nog erger.’ In zijn boeken schrijft Van Istendael keihard over 'de sluipmoord op Brussel’. Een bombardement had nauwelijk gemener en catastrofaler kunnen zijn, stelt hij over de verwoesting van de Noordwijk. 'Met respect voor alle doden’, voegt hij er nu aan toe. 'Rotterdam, Dresden, dat is natuurlijk nog veel erger. Maar als je zou zien wat hier allemaal verdwenen is, niet om te verbeteren, helemaal niet. Toen bij het Centraal Station de oude Kunstberg, een juweeltje, vervangen werd door de nieuwe, zijn er ook protestbrieven geweest. Mijn boek was al bijna af toen ik een brochuurtje in handen kreeg, uit 1950 of 1951 van een meneer Quievrei. Hij had het over precies hetzelfde, hij schrijft ook over de ingenieurs van openbare werken die geen hersens maar beton in hun hoofd hebben. Precies dezelfde woorden zelfs. Heel raar.’
In de geschriften van Van Istendael heet de zondebok Europa. Het is in naam van de Europese gedachte dat de slopershamer continu door Brussel zwaait. In Arm Brussel schrijft hij dan ook onomwonden: 'Dit Europa moet uit Brussel weg.’ Het gevolg was een omhelzing door extreem rechts. 'Enfin, ze juichten toch een beetje vroeg, want in het boek blijk ik ook voor de aanwezigheid van Marokkanen en Turken te zijn in Brussel. En daar zijn zij nogal tegen.’
Als hij over Europa begint, windt hij zich meer en meer op: 'De voorzitter van de Europese Commissie die nu afscheid neemt, Jacques Delors, een van de briljante kerels uit de Franse administratie, zoals het daar heet, zegt op het einde van zijn carriere: “Tja, van mijn Europese idealen blijft zo weinig over, het enige wat ik zie is een eengemaakte markt, een grote vrijhandelszone.” Hij noemt het sans ame, zonder ziel. Nu, dat is dan een man die bij het ontstaan van iedere Europese beslissing aanwezig was. En deze man zegt: jongens, ik heb een vergeefse strijd gestreden. De Europese gedachte is vervallen tot een pakket heel bureaucratische maatregelen. Tot maatregelen die maken dat je inderdaad makkelijker vulpennen, sinaasappelen en onderbroeken kunt verkopen van Hammervest tot Valladolid. Is het vooruitgang dat de waterige Nederlandse en Belgische tomaten in Italie te koop zijn? Ik vind het duidelijk achteruitgang. Maar dat mag je niet zeggen, want dan ben je voor protectionisme, dan ben je anti-Europees, dan ben je voor het nationalisme, enzovoort. Je moet het allemaal kritiekloos slikken of je moet het allemaal verwerpen. Ik vind dat zo'n ongenuanceerd standpunt.
En Brussel gaat eraan kapot. Het is verschrikkelijk. Er is nu een nieuw gebouw van de ministerraad neergepoot, een enorm ding. Het typische ervan is dat je er niet in kan kijken, de ruiten zijn spiegelruiten. Natuurlijk moet je voorzichtig zijn met de symboliek van gebouwen, maar ik vind dat zo symbolisch. Je mag de besluitvorming niet zien. Je eigen smoel mag je zien, meer niet.’
Aan het eind van het gesprek vraag ik of Van Istendael me het cafe met de weergaloze naam wil wijzen dat hij in zijn boeken als het mooiste van Brussel prijst: De Ultieme Hallucinatie. We passeren cafe De Scheve Architect - 'Dat is het ergste scheldwoord in Brussel.’ Onderweg wijst Van Istendael de betonnen mastodonten aan die de plaats innemen van een gedenkwaardig gebouw. Veel mooi bouwwerk waar we langs lopen prijkt op het vernietigende verlanglijstje van de speculanten. Ook het pand waar De Ultieme Hallucinatie in gevestigd is, prachtige Jugendstil, stond op de nominatie om gesloopt te worden. We drinken een paar bollekes en denken even niet aan de sluipmoord op de stad. Als Van Istendael me naar het Noordstation brengt, blijkt hij zijn aktentas vergeten te zijn. Zijn paraplu heeft hij ferm in de hand.