Het queerfeest SPIELRAUM vormt een veilige haven in het Amsterdamse nachtleven © Sven Bijma

De nacht zit op slot, de nachtclubs zijn nu ruim een jaar dicht en mijn lichaam protesteert. Het is lastig te schrijven over het belang van clubcultuur als besmettingen oplopen en ic-bedden schaars zijn. Natuurlijk zijn er ergere dingen dan niet kunnen feesten, maar het gemis is wezenlijker dan je een avondje niet kunnen bezatten. Nu ‘fieldlabs’ uitwijzen dat er veilige manieren zijn om uit te gaan en de deur naar de club weer op een kier staat, is het belangrijk dat we ons de politieke potentie van het nachtleven herinneren. De clubs bieden ruimte voor verzet.

Clubcultuur wordt vaak weggezet als een luxe. Het zou een hedonistische vrijplaats zijn voor mensen die even stoom moeten afblazen om op maandag hun bullshit job weer te kunnen verdragen. Of zoals criticus Ewald Engelen het in De Groene Amsterdammer verwoordt: ‘Een tijdelijke verdoving van de neurotische pijn die de neoliberale strijd van allen tegen allen veroorzaakt.’ In de clubs of op enorme festivalterreinen zijn we even elkaars concurrenten niet meer, voeren we onder invloed van xtc open gesprekken met vreemden en ontsnappen we aan de constante druk om ons almaar nuttig te maken. Maar dit is volgens Engelen een oppervlakkig escapisme dat, als de roes voorbij is, ons kritisch potentieel afstompt. Eenmaal opgeladen door het feesten verdragen we wat eigenlijk ondragelijk is.

Maar verzet is meer dan op de barricaden staan en kritische artikelen schrijven. De clubs mogen dan een vlucht bieden uit de dagelijkse realiteit, dat betekent niet dat wat er daar gebeurt niet wezenlijk is. Het nachtleven biedt ruimte aan een vorm van kritiek die niet achter het bureau wordt bedacht, maar direct wordt beleefd en gedeeld. Soms is feesten geen verdoving, maar worden we daar juist wakker.

We zijn langzaam aan het vergeten hoe het was voordat Covid-19 het leven ontregelde, lees ik in The Atlantic. Ons brein is gebaat bij de toestroom van nieuwe ervaringen, spontaniteit en de afwezigheid van stress. De pandemie levert voor de meeste mensen het tegenovergestelde op: gevoelens van onzekerheid, rouw, depressie of aanhoudende verveling. Er trekt een dikke mist op in ons brein die ons laat vergeten hoe het ook alweer was, het leven voor de lockdown. Weten we straks niet meer wat we missen?

Met moeite denk ik terug aan de ervaring van een broeierige nachtclub, dansend tussen andere zwetende lichamen. Hoe de luide muziek die uit de speakers dendert de gedachten dempt die me overdag opjagen. Hoe ik, gedesoriënteerd door rook en felle lichten, met anderen één pulserend lichaam vorm, bewogen door dezelfde beats. De zich herhalende bewegingen konden me in een staat brengen die voelt als het zweefmoment van een schommel die op het hoogste punt even blijft hangen.

Wie danst is vrij, schrijft Marian Donner in haar Zelfverwoestingsboek. Als we dansen, laten we ons leiden door onze intuïtie, niet ons rationele denkvermogen. We volgen ons lichaam, niet de regels. De danser ondermijnt daarmee een systeem dat drijft op voorspelbaarheid en discipline. ‘Het dansende lichaam schudt de schaamte van zich af, het vergeet alles wat nog moet en hoort en kan, en geeft zich in plaats daarvan over.’ Het tart zo de algoritmes die het menselijke gedrag proberen te voorspellen om winst te maken. Want als we dansen zijn we onberekenbaar. ‘Het dansende lichaam is niet vast te pinnen, het heeft geen vaste vorm, geen kern, maar stuitert zwetend op en neer.’

Zweten, nog zoiets. Door te stinken trotseren we volgens Donner de hang naar lichamelijke perfectie. De gezondheidsnormen die leidend zijn overdag en ons aanmoedigen de fitste versie van onszelf te zijn, vallen weg in de nachtclubs. Hier wisselen we lichaamssappen uit, bedwelmen we onszelf en vechten we tegen de slaap. Ook hier dossen we ons uit, maar het gezonde leven heeft even geen prioriteit. De belofte van destructie die uitgaat van de nacht is deel van haar aantrekkingskracht. Het verbaast me dan ook niet dat ik zo naar de club verlang tijdens een pandemie waarin die gezondheidsdrift is teruggebracht naar zijn essentie: overleven. De desinfectiemiddelen die me bij elke publieke ruimte begroeten doen me snakken naar het broeierige nachtleven. Toen we nog zorgeloos zwetend uit elkaars drankjes dronken.

Club Garage Noord in Amsterdam © Oscar Sanders

Voordat fieldlabs in het leven werden geroepen liet socioloog en kunstenaar Bogomir Doringer al camera’s plaatsen boven de dansvloer van clubs om de menigte dansende lichamen te analyseren. Voor zijn PhD-onderzoek I Dance Alone bestudeert hij clubcultuur als sociaal-politiek fenomeen. Hoe wordt er gedanst, en waarvoor? Wat vertellen de choreografieën ons? Vanuit vogelperspectief ziet hij hoe mensen op de dansvloer experimenteren met non-verbale vormen van communicatie en interactie. Hoe vreemden spontaan oog in oog dansen zonder dat van tevoren af te spreken. Het geduw en getrek van een ‘moshpit’, een dansvorm waarbij mensen op elkaar inbeuken op de dansvloer, zou overdag de politie aantrekken. In de nacht kan blijkbaar de ruimte ontstaan om op elkaar in te beuken zonder dat het escaleert.

De ongrijpbare solidariteit tussen vreemden op de dansvloer noemt onderzoeker Luis-Manuel Garcia liquidarity. Waar saamhorigheid vaak steunt op een gemeenschappelijk doel, verwantschap of een gedeelde identiteit, ontstaat deze liquide solidariteit juist dankzij anonimiteit. Vreemden en vage kennissen in de club weten niet van elkaar waar ze wonen, wat voor werk ze doen of wat ze verder in het leven belangrijk vinden. Het dagelijkse leven wordt tussen haakjes gezet en juist daardoor kunnen mensen zich verbonden voelen tijdens de gemeenschappelijke ervaring van muziek waarbij iedereen op hetzelfde ritme beweegt. Het is het magische gevoel dat we delen als we het hebben over de juiste vibe.

‘Het dansende lichaam schudt de schaamte van zich af, het vergeet alles wat nog moet en hoort en kan, en geeft zich in plaats daarvan over.’

De nacht opent de deuren naar nieuwe ervaringen van de wereld en onszelf, vaak versterkt door alcohol en drugs. Ons dagritme bindt ons aan structuur, regels en de zich herhalende routines van het normale leven. Overdag weten we wat we kunnen verwachten. Dj en voormalig nachtburgemeester van Amsterdam Isis van der Wel noemde dit de ‘geestesvervuiling’ die nieuwe inzichten blokkeert. Zodra de nacht valt ontstaat er ruimte: als er niets hoeft, kan er weer van alles. Hier kunnen ervaringen die radicaal anders zijn dan het leven overdag onze ogen openen voor nieuwe mogelijkheden en kunnen we leren onszelf te accepteren. Ook de kanten die het daglicht (nog) niet verdragen.

Zwak belicht door kaarslicht en een paarse discolamp spreekt queer kunstenaar en organisator Jordi Ariza Gallego het publiek via Zoom toe tijdens een programma van Pakhuis de Zwijger over de waarde van nachtcultuur. ‘De nacht is mijn beschermer’, vertelt hij op zangerige toon. ‘Het nachtleven is een sociaal vangnet voor mensen zoals ik. In de clubs durven we onze identiteit uit te dragen, ermee te experimenteren, om zo de dag dapperder tegemoet te treden.’ Vooral voor mensen die overdag te maken hebben met uitsluiting en discriminatie is de belofte van de nacht groot.

Gallego groeide op in het dorpje Terheijden maar voelde zich daar nooit echt thuis, vertelt hij in een interview met Winq. In het uitgaansleven ontdekte hij de mogelijkheid van een ander, vrijer leven. Terwijl hij worstelde met zijn identiteit, kwam hij in Amsterdam op een feest terecht: ‘Het leek of er een poort naar een geheime wereld openging. Dat feest was één flamboyant circus van mensen.’ Hier werd het verschil tussen mensen gevierd in plaats van hoogstens getolereerd. ‘De nacht is vergeeflijk’, vertelt hij later op Zoom. ‘Hier is ruimte voor experiment’.

In Gallego’s verhaal resoneren de wortels van clubcultuur. Begin jaren zeventig creëerden zwarte en Latijns-Amerikaanse leden van de queergemeenschap in New York ’s nachts een plek waar ze zichzelf konden zijn, of even iemand anders. Dit was niet zomaar een hedonistische vlucht uit de dagelijkse sleur. De nacht was de enige plek waar ze zonder directe dreiging met anderen samen konden zijn op manieren die overdag verboden waren. Het nachtleven ontstond omdat er geen plek was voor deze mensen overdag. In de clubs, dansend op het four-on-the-floor-ritme van de disco, waren ze even veilig.

De belofte van een veilige, vrije ruimte draagt de nacht nog steeds in zich, maar wordt lang niet altijd ingewilligd. In juli vorig jaar kwam de Amsterdamse nachtclub De School, een plek die zich juist presenteert als inclusief, onder vuur te liggen in het antiracismedebat. De hevige protesten in de Verenigde Staten naar aanleiding van de dood van George Floyd zorgde op het internet voor een storm aan reacties en zwarte vlakken, maar een statement van De School bleef uit. Het ontketende een golf van kritiek, vooral vanuit de clubgemeenschap zelf, over het gebrek aan diversiteit op de dansvloer, in de line-ups en het personeelsbestand. Plannen die de club maakte om het beter te doen, strandden helaas toen ze voorgoed de deuren moesten sluiten vanwege financiële zorgen door de coronacrisis.

De kritiek op het gebrek aan diversiteit in de clubs is er al jaren. Grote festivals als Dekmantel, Awakenings en DGTL kwamen al eerder in opspraak. Dat de dancewereld gedomineerd wordt door witte clubgangers en artiesten is vooral een pijnpunt omdat de roots van house en techno zwart zijn. Zwarte producers zoals Kevin Saunderson experimenteerden in Detroit met synthesizers en drumcomputers en stonden zo aan de wieg van de techno. Zwarte dj’s waaronder Frankie Knuckles, die eerder naam maakte in de New Yorkse queer discoscene, stonden aan de basis van de Chicago House, die voortkwam uit een mix van disco, funk, hip-hop en Europese electropop.

Dat commerciële clubs ver kunnen afdrijven van hun wortels in onderdrukte gemeenschappen, merkte ook Bogomir Doringer toen hij in 2004 als Servische migrant aankwam in Nederland. De clubs in Amsterdam van die tijd noemt hij ‘territoriaal’ en ‘competitief’: mensen waren meer met zichzelf, hun uiterlijk of hun telefoon bezig dan dat ze echt dansten of verbinding maakten met anderen. Het maakte hem droevig om niet hetzelfde gevoel van urgentie en bevrijding op de dansvloer te voelen als in zijn thuisland.

Tijdens de bombardementen van de NAVO op voormalig Joegoslavië in 1999 snelden Bogomir en zijn generatiegenoten in Belgrado niet richting de schuilkelders als de sirenes afgingen, maar naar de club Industrija. Daar konden ze samen de gevoelens van angst en frustratie vertalen naar dans, bewogen door pompende technobeats. De dansende gemeenschap vormde vanuit een hervonden saamhorigheid ook een protest tegen de politieke situatie in het land. Het was wat hij nu in zijn onderzoek een ‘dance of urgency’ noemt. Een vorm van dansen die het individu en de menigte kracht geeft in tijden van collectieve crisis. Dans is een mogelijk politieke hervormende kracht.

Deze kracht kan clubgangers de straat opdrijven. In Georgië leidde een bewapende politie-inval in de club Bassiani en Café Gallery, een vrijplaats voor de lhbti+-gemeenschap van Tbilisi, tot een protest van tienduizend ravers voor het parlementsgebouw. Hier dansten ze twee dagen lang uit protest tegen de conservatieve krachten in de samenleving die hun vrijheid inperken. ‘We dance together, we fight together’, luidde een van de protestborden. Eigenaar van Bassiani Zviad Gelbakhiani licht dit toe in een interview met The Guardian: ‘Ze lieten ons niet dansen in de club dus gingen we de straat op. Techno was het medium van onze generatie waarmee we onze vrijheid van meningsuiting konden uiten’.

Deze ‘rave-volutie’ inspireerde de Duitse organisatie Reclaim Club Culture om een dansend tegenprotest te organiseren tijdens een van de grootste demonstraties van Alternative für Deutschland (AfD). In samenwerking met Duitse clubs als Tresor en Sisyphos brachten ze 70.000 mensen op de been (tegenover vierduizend van AfD) onder het motto: ‘Bass away the AfD’. Het laat zien dat politieke strijd niet alleen geworteld is in kennis maar ook in een gemeenschappelijke ervaring die kan ontstaan in de club.

Niet naar de club kunnen is meer dan een onbeduidend gemis. Het nachtleven biedt ruimte aan een praktijk van verzet waarbij we onszelf (laten) veranderen en waar sterke gemeenschappen kunnen ontstaan. Het is hoog tijd dat we het nachtleven op waarde schatten. En als we dan weer mogen, laat ons dan recht doen aan de geschiedenis van clubcultuur en haar wortels in gemarginaliseerde gemeenschappen. Laten we vrijer feesten dan ooit.