Kees van Domselaar, Postfris

De belofte van de retoriek

Kees van Domselaar

Postfris

De Arbeiderspers, 64 blz., e 15,95

Kees van Domselaar (1954) is niet bang voor grote woorden zoals alles, overal en eeuwig. Een aanzienlijk deel van zijn poëziedebuut Postfris gaat dan ook over het grote, het eeuwige. Een goed voorbeeld daarvan is het gedicht «Alles van waarde»:

Alles van waarde is een vermoedenis van het schone.

De eindereenden sterven in de binnenzee.

Door de openslaande deuren van het weten

aanschouwt men de blote kont der werkelijkheid.

Alles en overal de vrije val van het veranderlijke.

Voor eeuwig in zijn beeltenis gedoken sterft de valk.

Het geloof is de zekerheid van wat men hoopt

en de dood is een verre planeet.

Het woord «vermoedenis» werkt subtiel. Van Domselaar had kunnen schrijven: alles van waarde is een vermoeden van het schone. Dat deed hij niet. Zoals een verbinding niet hetzelfde is als een verbintenis, zo is een vermoeden niet hetzelfde als een vermoedenis. Maar wat is een vermoedenis dan? Misschien bestaat het schone dankzij een vermoedenis, zoals een relatie dankzij een verbintenis bestaat. «Alles van waarde is weerloos», schreef Lucebert: als iets van waarde schoon is en als schoonheid van vermoeden afhankelijk is, dan is het waardevolle inderdaad weerloos. Het vermoeden kan verdwijnen of ontkracht worden en dan is de waarde weg.

De tweede subtiliteit is dat einder eenden niet bestaan. Eidereenden bestaan wel. Van Domselaar schetst dus eenden aan de einder: horizoneenden. Geen wonder dat die watervogels sterven in de binnenzee. Daar neemt het land aan de horizon de plaats van het water in en waar blijven die eenden dan?

Als de deuren van het weten eenmaal openslaan, dan verdwijnt het vermoeden en dus verdwijnt het schone. We zien wat er achter de horizon ligt en ons rest niets dan een blote kont.

Je kunt erover twisten of de verwijzing naar Lucebert op zijn plaats is, maar de eerste vier regels zitten goed en beeldend in elkaar. Of je wilt of niet: de blote kont achter de openslaande deuren zie je voor je.

Van Domselaar verliest iets wanneer hij de witregel oversteekt en aan de tweede strofe begint.

«Alles en overal de vrije val van het veranderlijke». Daar had kunnen staan: «Overal de vrije val…» Of: «Alles de vrije val…» Maar «Alles en overal»? Is dat niet dubbelop?

Een regel later sterft er opnieuw een vogel. Dit keer is het geen watervogel maar een roofvogel: een valk die voor eeuwig in zijn beeltenis is gedoken. Het woord «beeltenis» trekt een parallel met «vermoedenis», maar het blijft verder onduidelijk wat die twee met elkaar te maken hebben.

En na het filosofietje over geloof, zekerheid en hoop volgt het idee dat de dood een verre planeet is. Zitten die eindereenden en de valk samen op die verre planeet? Of gaat het niet om de dood van de vogels? De vergelijking dood/planeet is wel suggestief, maar de suggestie vindt in dit gedicht geen aangrijpingspunt. In deze context is het een loze opmerking.

Dat de tweede helft van het gedicht zo onsamenhangend is, tast ook de eerste helft aan. Die eindereenden zullen toch geen schrijffout zijn? Over «vermoedenis» heeft de dichter toch wel nagedacht? Van Domselaar schrijft zelf al jaren over poëzie en zal dus wel weten wat hij doet. Maar zulke twijfel hoort überhaupt niet in de lezer op te komen.

Er staan ook in de rest van de bundel bij vlagen mooie regels. «Mijn leven, mijn lief/ het hangt aan donkere draden/ en alles zit los vannacht», zegt de dichter bijvoorbeeld in het gedicht Acht vale paarden. Maar enkele regels verderop volgt weer een beeld dat zich nergens aan vast kan houden: «Dit is het dan. In de pas/ van de kristalheldere nacht/ hoor ik acht vale paarden komen.» Waarom zijn het acht paarden, en geen zeven of vier of honderd? Het heeft geen zin om zomaar beeld op beeld te stapelen. Het ene moet als een hefboom voor het andere werken en dat is bij Van Domselaar vaak niet het geval.

Het kan een gevolg zijn van zijn thema’s. Zijn metaforen mikken altijd op iets on zegbaars, iets wezenlijks. Er ligt maar een dunne lijn tussen slagen en falen. Van Domselaar zigzagt over die lijn.

Maar het is vaak ook een gevolg van misplaatst vertrouwen in retoriek. Suggestief taalgebruik werkt alleen als er daadwerkelijk iets gesuggereerd wordt. Het hoeft niet expliciet, concreet of duidelijk te zijn, maar het gedicht heeft wel een koers nodig, een inzet, een idee. Je moet merken dat het gedicht iets aanraakt. Anders is het zoiets als een loos dreigement en maakt het geen indruk. Het talige trucje is in zijn eentje een tandrad dat in de leegte draait: er komt niets in beweging. Neem het gedicht Als het gebeurt.

Als het gebeurt, dat de kouwe kraai neerstrijkt

die de dag breekt en de hoop een slappe hand is

en het luistert niet meer nauw

als het gebeurt, dat in de stilte van het uur

wij onszelf moeten verlaten en heel het lichaam

kiert en tocht

als het gebeurt, dat de rots de golf breekt

en wij nog zouden willen praten

maar dat het nu daarvoor te laat is.

De belofte van de retoriek wordt niet ingelost. Als het gebeurt, wat dan? We moeten er maar naar gissen. Misschien iets met een hiernamaals, maar ja.

Het is zo zonde, want er staan echt mooie fragmenten in de bundel. Die verdienen beter.