De berg zien

Nee, ‘Dante’s Peak’ leent zich niet voor al te gemakkelijke consumptie. De film is tot in zijn diepste vezels de postmoderne versie van La Divina Commedia, het klassieke verhaal van loutering en verlossing. En waar gelouterd wordt, valt niks te lachen, dat zal duidelijk zijn.
‘IK KOM UW berg bekijken’, zegt de man die ik ken als de laatste James Bond tegen een vrouw die naast hem staat. Niemand lacht. De vrouw niet en ook niemand in het duister van de zaal geloof ik, al kan het heel goed zijn dat er daar toch eentje zit te grinniken. Maar dat hoor ik niet want voortdurend klinkt muziek, zelfs als er op het doek gepraat wordt.

Het is natuurlijk ook niet om te lachen, laten we wel wezen. Dante’s Peak, dat had ik meteen in de gaten, is ongetwijfeld een moderne adaptatie van de Divina commedia, en die berg waarover Bond het heeft, die vulkaan die daar zo prachtig, in een voortdurend schitterend zonlicht, haast als een onschuldige alp hoog op de achtergrond oprijst - die berg is ongetwijfeld de Louteringsberg, dat kan niet missen. En waar gelouterd wordt, valt niks te lachen, dat zal duidelijk zijn.
Dat blijkt ook wel als we verderop in de film een bloot paartje te zien krijgen dat een beetje met elkaar zit te lachen in een waterpoel halverwege de helling van die immense berg. Ze hebben nogal plezier zo met elkaar in dat water, en dat mag dus niet. Een beetje in het water zitten lachen op de Louteringsberg, in je nakie nog wel, dat kunnen we niet hebben natuurlijk. Dus begint het water waar ze in zitten zomaar te koken en zien we ze later bloot en overdekt met heel veel bloed op hun buik in het water drijven, die twee. Dat komt ervan.
Toegegeven, toen die twee in beeld kwamen, breed lachend naar elkaar en onder geweldig aanzwellende muziek en nogal overdreven versterkt watergeborrel elkaar iets vertellend, toen dacht ik nog even dat dát dus Dante en Beatrice waren. Ik zat maar te wachten tot Dante nou eindelijk eens ten tonele zou verschijnen en had nog niet in de gaten dat James Bond eigenlijk Dante speelde. Iedereen in de film had hem tot dan toe namelijk ‘Harry’ genoemd. En als ik hier even wat kritiek mag geven: ik vond dat wel wat misleidend, eerlijk gezegd. Dat had duidelijker gekund. Zoals de makers ook wel wat duidelijker hadden kunnen zijn over wie nu uiteindelijk de rol van Beatrice vervulde. Als Bond tegen die vrouw zegt dat hij haar berg komt bekijken, vermoed je natuurlijk al wel het een en ander, maar het duurt al met al nog vrij lang voordat je uit scènes vol verandaschemer tijdens zwoele, besterde nachten en uit de close-ups van elkaar zeer betekenisvol aankijkende in het schemerduister opglimmende ogen concludeert dat die vrouw inderdaad Beatrice moet voorstellen.
Het is soms dus wel een beetje verwarrend allemaal, zoals ook het feit dat Vergilius helemaal uit het verhaal weggeschreven lijkt te zijn. Er komt weliswaar een scène in de film voor die ik me uit de Divina commedia kon herinneren, een scène waarin James Bond - of nou ja, Harry Alighieri dus eigenlijk - in een bootje dwars door zwaveldampen een (alweer!) hevig borrelend watertje vol dode vissen oversteekt (het bootje had een buitenboordmotor, maar dat mag in een moderne bewerking). Echter, ook dan is hij niet in gezelschap van de schaduwloze schim van de grote Romeinse dichter maar samen met wat kinderen, een grootmoeder en die Beatrice. Ik heb het later nog eens nagezocht bij Dante zelf, en je kunt alleen maar concluderen dat de makers van de film zich hier heel erg grote vrijheden hebben gepermitteerd.
DAT HEEFT NATUURLIJK te maken met de specifieke interpretatie die de regisseur hier heeft willen geven, dat weet ik ook wel. Ik ben niet achterlijk. Al kijkend heb ik heus wel gezien dat Roger Donaldson hier een poging heeft gedaan om bijvoorbeeld Dantes ptolemeïsche wereldbeeld copernicaans mobiel te maken (vandaar die buitenboordmotor) en bijvoorbeeld het schitterende visioen, zoals je dat aan het slot van de Divina commedia vindt, het visioen van de drievoudige cirkel waarin het mysterie van de Heilige Drieëenheid wordt aanschouwd, postmodern door te lichten. Tenminste, ik denk wel dat het de regisseur daar om te doen is geweest.
Ik bedoel: als de Louteringsberg al na een scène of wat verandert in de Hel, dan kan daar toch niets anders mee bedoeld zijn dan een au fond postmoderne verabsolutering en daarmee dus ook onmiddellijk pervertering van het louteringsbeeld? De loutering gelouterd, zeg maar, de Louteringsberg wordt hier als het ware zelf gepurgeerd. Uit de diepste diepten slingert hij zijn gloeiende massa de lucht in, en in scènes die elke beschrijving tarten en die begeleid worden door dolby-surround-geluid, zie en hoor je links en rechts van je grote gloeiende klompen gesteente neerkomen en meermalen heb je het gevoel dat het schreeuwen en kermen van de ellendigen die, als in Canto IX, in hun gloeiende graftomben vallen, of als in Canto XII, ondergedompeld worden in een stroom van kokend bloed, niet verder van je verwijderd is dan maar twee rijen stoelen.
Het purgatorium wordt hier dus tot hel omgedacht, en daarmee lijkt iedere hoop op het inlossen van onze oneindige schuld verkeken, tenzij… Tenzij gebeurt wat gebeurt: de finale, overweldigende, mij tot diep in mijn stoel wegdrukkende, onder hels kabaal links, rechts, voor en achter op mij afrollende, mij opslokkende, wegmakende explosie die de hele berg splijt, een pyroclastische wolk die het dorp aan de voet wegvaagt en het nieuwe begin, het nieuwe leven eindelijk mogelijk maakt, een leven waarin we verlost zijn van louteringen, van hel en hemel, van vaag en duidelijk zichtbaar vuur.
Om te benadrukken dat het daarbij niet gaat om iets metafysisch, iets hemels, heeft de regisseur, vermoed ik - het kan bijna niet anders - Dante en Beatrice uit de vuurzee gered door ze juist voor die alles vernietigende pyroclastische wolk uit (in een auto met brandende banden, maar dat mag in een moderne adaptatie) een mijn in te laten vluchten, waaruit ze aan het einde van de film worden gered door een juichende menigte - Dante met een gebroken schrijfarm (!) en Beatrice onder esthetisch aangebrachte vegen zeer aards ogende modder (!). Dan pas ook sluiten ze elkaar in de armen, dan pas worden die tot vulkanische spanning opgeschroefde wederzijdse blikken, de close-ups met de glimlachjes en gebaren, bezegeld in wat je de aardse variant zou kunnen noemen van dat slotvisioen van de Divina commedia. De muziek zwelt hier tot in het ondraaglijke aan, en de tranen stonden me dan ook in de ogen.
ALS JE EENMAAL op dit spoor van Donaldsons postmoderne bedoelingen zit, zijn hem de vrijheden die hij zich tegenover het oorspronkelijke verhaal heeft gepermitteerd, op voorhand vergeven. Ik ben daar echt niet bekrompen in. Dat hij Vergilius in dat bootje vervangt door een oma en wat kleinkinderen, is dan eigenlijk ook heel goed te begrijpen. Die oma ís dan eigenlijk Vergilius en de traditie waartoe hij behoort, terwijl die kinderen voor de toekomst staan waarin met die traditie wordt gebroken. Immers: die oma sterft onder het door explosiegeweld en spannende muziek haast onverstaanbaar uitspreken van de tekst: 'Ik sterf gelukkig op mijn berg’ of 'Gelukkig hoef ik mijn berg niet af’ of iets dergelijks.
Een en ander had dus misschien wat duidelijker uitgelegd kunnen worden, maar anderzijds is Dante’s Peak nu eenmaal het soort film dat zich niet leent voor al te gemakkelijke consumptie. Het is een film die een actueel en ongemakkelijk thema aansnijdt op een buitengewoon pregnante wijze. Dat laatste niet alleen vanwege de visuele effecten en het dolby-surround-geluid, die maken dat je als het ware onmiddellijk deel hebt aan het gebeuren op het doek en elke kritische afstand en daarmee dus ook elke mogelijkheid tot het formuleren van een metastandpunt moet ontberen, maar tevens aan het feit dat de film in zijn evidente verwijzing naar de traditie die traditie in het gezicht van de kijker laat exploderen. Die verlaat lam, murw en nauwelijks nog in staat iets te onderscheiden, als een ware postmodernist zonder hoop, de bioscoop. Hij heeft de berg gezien.