Bespiegelingen over Silvio

De Berlusconi in mij

Anne Branbergen en Martin Simek volgden een jaar lang de man over wie iedereen een mening heeft. Met open, onbevooroordeelde blik, hadden ze zich voorgenomen. Een reconstructie van de samenwerking en de veranderende visie op Italië’s grote kleine man.

MARTIN SIMEK: Onze samenwerking aan dit boek Silvio is geen geplande samenwerking. Zij is organisch gegroeid. Zouden we het nog kunnen reconstrueren?
Anne Branbergen: Natuurlijk. In de zomer van 2009 heb ik een artikel voor De Groene geschreven over waarom alle bezwaren die in het buitenland tegen Berlusconi bestaan in Italië nauwelijks begrepen worden, omdat…
M: Nee, als je het niet erg vindt zou ik veel verder terug willen gaan. Een mooie voorjaarsdag in 1983, wij zitten op het terras van Café Mulder, hoek Vijzelstraat-Weteringcircuit…
A: Moet dit echt? Vooruit dan maar. Kijken hoe jij het je herinnert.
M: Ik ben 34, jij bent 18. We praten noodgedwongen, want wat moet je anders in een café, al was het destijds niet onze manier van communiceren. Ik wil het praatje ten minste benutten om indruk op je te maken en kies voor human interest: wat wil je eigenlijk na je eindexamen gaan studeren?
A: Stel je voor, en dat nadat we al twee jaar…
M: Nou, we zijn toch ook wel eens naar een museum gegaan?
A: Eén keer naar het Stedelijk en we zijn er nog geen tien minuten binnen geweest. Onder een abstract schilderij van Kandinsky, wit op wit, kregen we een heel concreet visioen.
M: Wij zagen er lakens in en we fietsten naar huis of ons leven ervan afhing.
A: Jij fietste, ik zat op het stuur. En dat huis, dat was jouw huis. Weet je dat ik nog net geen zestien was toen we elkaar leerden kennen?
M: Zou onze meevoelendheid met Berlusconi daar zijn begonnen?
A: Nou, sorry. Jij was weliswaar tweemaal ouder dan ik, maar twee keer zestien is 32 en nog altijd geen 74.
M: Laten we bij de les blijven. Silvio: Modern leiderschap, terras Café Mulder. ‘Wat wil je studeren na je eindexamen?’ vroeg ik dus. Journalistiek in Utrecht, zei je.
A: En toen kreeg ik een monoloog van een man van de wereld. Journalistiek viel niet op school, maar alleen in de praktijk te leren, zei je. En waar je al helemaal om moest lachen was Utrecht. Het buitenland, daar moest ik volgens jou naartoe. De Sorbonne. Oxford. Rome. Oslo desnoods. Maar geen Utrecht. Je zei dat ik daar in den vreemde geen journalistiek moest studeren, maar talen. Want een journalist moet zijn talen spreken. En toen begon je over jezelf, dat je in Rome ging wonen om vanuit daar de Nederlandse tennistop te coachen. In september zou je gaan.
M: Dat was mijn streven, maar ik had het hier in Amsterdam veel te goed om weg te gaan. Alleen toen jij me een maand later, zonder dat je me iets had gezegd, meldde dat je via het Italiaanse Instituut je inschrijving aan de universiteit van Rome La Sapienza had geregeld en dat je Duits en Engels zou gaan studeren, kon ik moeilijk terug. Je bent een man van de wereld of je bent het niet.
A: Rome bleek de juiste plek voor een toekomstige journalist. Niet belangrijk genoeg voor de meeste kranten om er een eigen correspondent naartoe te sturen, maar toch belangrijk genoeg om er eentje die er al woont te omarmen. Ik was nog niet eens afgestudeerd toen ik voor Het Parool uit Italië begon te berichten.
M: En Berlusconi? Wanneer heb je die voor het eerst ontmoet?
A: 'Ontmoet’ is een groot woord. Ik heb zijn blik luttele seconden exclusief op mij gericht gehad. In 1993, toen hij op het punt stond de politiek te betreden. Hij kwam naar de Buitenlandse Persclub van Rome. Ik heb dat moment beschreven in het verhaal in De Groene waar dit boek het gevolg van is: 'Eindelijk. Daar was hij. Ik zag hem, een compact mannetje van hooguit 1 meter 70, omstuwd door een haag van Rambo’s. Ze waren net zo gekleed als hij: strak in het pak, zoals voetbaltrainers, met datzelfde onhandige, ietwat stijve. Hij brak door de Rambo’s heen en haalde diep adem voor hij de zaal betrad.
Hij kwam aanbenen door het gangpad. We keken elkaar nu recht in de ogen. Berlusconi bleef staan bij mijn stoel en neigde waarderend het hoofd. Heel even maar, maar toch lang genoeg om her en der in de zaal een meesmuilend “boehoehoe”-geluid los te maken.
Ik zag er leuk uit, in 1993. Dat waren velen toen met Berlusconi eens. Het feit dat je op zo'n moment, met de ogen van de hele wereld op je gericht, nog even een flirt met een jonge vrouw aan het gangpad inlast, is… typisch Berlusconi.’
M: Ja, zo formuleer je dat in een artikel. Maar wat vond je nou eigenlijk echt van hem?
A: Zijn blik is aantrekkelijk en brutaal. Er zit een belofte in. Hier en nu kan ik niet met je doen wat ik zou willen, maar zodra ik de kans krijg… Hij trof me als vrouw, dat zeker. Tegelijkertijd was ik beginnend correspondentje en wilde ik mezelf natuurlijk heel graag serieus nemen. Voor de Buitenlandse Persclub in Rome was Berlusconi toen al een foute man. Dat moest je vinden. Dat moest ook in je stukje doorklinken. Alle persbureaus kregen cynische stukjes over die ontmoeting op de Buitenlandse Persclub, want hij werd ook nog eens heel boos.
M: Waarom?
A: Een Belgische journalist slingerde hem iets naar het hoofd over belangenconflict, tv-zenders, premier worden, de herkomst van zijn geld, maffia, enfin het hele rijtje dat hem nu, zeventien jaar later, nog steeds wordt nagedragen.
M: Je zou bijna zeggen dat de buitenlandse journalisten al die jaren niets hebben geleerd.
A: Nou, de feiten zijn nog steeds dezelfde.
M: Maar kennelijk niet belastend genoeg. Want je kunt toch echt niet zeggen dat ze niet hun best hebben gedaan om Berlusconi daarop te pakken.

ANNE BRANBERGEN: Wanneer raakte jij eigenlijk geïnteresseerd in Berlusconi?
Martin Simek: Niet natuurlijk, want ik ben sowieso niet in politiek geïnteresseerd. Ik houd van spelletjes, maar niet van machtsspelletjes. Eigenlijk stond ik pas bij hem stil toen hij zo slap antwoordde op de eerste open brief van Veronica in La Repubblica.
A: 2007, Silvio had weer eens een complimentje gemaakt aan een showgirl tijdens de uitreiking van de Telegatti, de Italiaanse Televizierring. 'Juffrouw, als ik niet al getrouwd was, zou ik meteen met u trouwen’, zei hij tegen de huidige minister van Gelijke Kansen Mara Carafagna. Veronica vond het niet kunnen en maakte zich zorgen om het vrouwbeeld van haar dochters, met zo'n vader. Ze eiste zijn publieke excuses.
M: En wat deed hij?
A: Hij bood ze aan, natuurlijk niet in de krant van de vijand, maar in de Corriere della Sera. 'Lieve Veronica’, schreef Berlusconi, 'jouw waardigheid kan nooit worden aangetast, want die ligt diep in mijn hart gewaarborgd.’
M: Belachelijk! Hij had een advertentie moeten plaatsen, en juist in La Repubblica natuurlijk: 'Bejaarde premier van dit land zoekt zijn eigen vrouw. Graag rechts en gevoel voor humor geen bezwaar.’
A: Dan waren ze eerder gescheiden.
M: Wat dacht jíj eigenlijk over Berlusconi tussen 1994 en het begin van ons boek?
A: Fout natuurlijk. Ik wist het wel. Een belachelijk mannetje met verhoogde hakken, een leugenaar en een maffioso, iemand die het Italiaanse volk via zijn tv-zenders had geïndoctrineerd met trash, en die die bagger nu één op één wilde overplanten naar de regering.
Mijn beeld was weliswaar genuanceerder dan dat van een gemiddelde Nederlander, maar het kwam wel uit linkse Italiaanse kranten en van Rai Tre.
M: Hoe is het eigenlijk mogelijk dat de Italiaanse publieke omroep over het algemeen zo links is gebleven na al die jaren Berlusconi? Waarom heeft hij het niet veranderd?
A: Daar heeft hij ook alles aan proberen te doen, en nog. Op de hogere managementsposten zitten Berlusconi-mannen, maar ze krijgen geen vat op de enorme, machtige en creatieve werkvloer van de Rai. Links is nu eenmaal creatiever dan rechts, dus het zijn goede, succesvolle programma’s die ze maken. Het valt niet mee die de nek om te draaien. En Berlusconi kan de makers al helemaal niet voor zich winnen. Ik weet hoe moeilijk ik het had toen jij als reactie op de eerste hoofdstukken van Silvio zei: 'Interessant, maar wie ben jij om al die meningen te hebben? Umberto Eco of zo? Je bent toch een journalist, je moet toch waarnemen.’ Uit wanhoop ben ik toen de Berlusconi-pers gaan kopen en legde die elke dag naast mijn lijfblad La Repubblica. En ik vroeg jou als coauteur voor dit boek om me te deprogrammeren.
M: Dat moet je ook bij een tennisser doen die de top wil halen. Hij moet afscheid nemen van alle clichés in zijn bewegingen, op zoek naar een eigen slag. Voor een journalist zou het misschien betekenen afscheid nemen van vooroordelen, op zoek naar een open blik.
A: Hoe scherp volg je Berlusconi nog, sinds we het boek hebben ingeleverd?
M: Ik lees ook hier in Amsterdam de Italiaanse kranten, al ben ik nu al weer drie weken in de ban van mijn solovoorstelling '69, zoals je weet. En ik laat me bijpraten door jou, als iets me niet duidelijk is. Zoals laatst, wat je vertelde over die kranslegging bij de Suikertaart. >
A: De dag van de Overwinning, 4 november, bij het monument voor de onbekende soldaat op het Piazza Vittorio Emanuele. Fini, de voorzitter van de Kamer, en Berlusconi, de premier, staan naast elkaar na de kranslegging. Het is vlak voor de minuten stilte als Berlusconi volgens de Italiaanse media in Fini’s oor fluistert: 'Ik dacht dat zij (Ruby) meerderjarig was.’
M: En ik blijf ervan overtuigd dat hij zei: 'Fini, ik dacht dat je meerderjarig was.’ Want anders had Berlusconi natuurlijk niet samen met Fini de PdL opgericht, als hij had geweten wat voor streken Gianfranco zou uithalen. Maar misschien had hij het echt wel over Ruby. Ik geef toe, ik heb soms de neiging om Berlusconi te overschatten, sinds ik met hem meeschaak.

ANNE BRANBERGEN: Nu krijgen we natuurlijk meteen de kritiek: meeschaken? Jullie waren toch aan het observeren?
Martin Simek: Ja, we zijn geen secondant van Berlusconi. We schaken ook mee met Fini, en met anderen. Je kunt alleen in het hoofd en in het hart van iemand gaan zitten als je hem niet haat.
A: Daarom is Roberto Benigni de enige die Berlusconi op de hak kan nemen. Want hij is niet gefrustreerd over Berlusconi. Hij staat erboven. En daarom kan hij als komiek kat en muis met hem spelen, daar waar anderen alleen kunnen knarsetanden.
M: Ik ken Benigni alleen als acteur, als de Oscarwinnaar met La vita è bella. Ik was me er niet van bewust dat hij ook een Italiaanse Wim Kan is.
A: Een Wim Kan is hij zeker niet. Hij is niet van de papiertjes met de oneliners en het stoeltje op het podium. Benigni danst, buitelt, koprolt, maakt sprongen, zingt, drukt zijn neus plat tegen de lens van de camera en roept hartelijk: 'Hé Silvio! Het is maar een grapje!’ Weergaloos was hij laatst, op 8 november, op Rai Tre. Een lawine van charme. Benigni zegt de ergste dingen over Berlusconi, maar hij komt ermee weg omdat hij het allemaal zo vrolijk zegt. Het liedje Io sono il boss ('Ik ben de boss’), waarin hij Berlusconi is: 'Ik ben de boss, alles is van mij, alle vrouwen zijn van mij, alle landen zijn van mij, Europa is van mij, ik kan alles kopen. En wat moet dat hele universum eigenlijk kosten?’ Maar dan ook weer op een bepaalde manier serieus, als hij ineens zegt: 'Silvio, ik begrijp het. Ik wil ook alle vrouwen van de wereld hebben, en zeker de minderjarige. Maar weet je wat het is… als je nou eens verlíefd wordt op een vrouw, hè, je weet wel, dat gevoel in je hart, in je buik, weet je wat ik bedoel, Silvio? Nou, als je nou verlíefd wordt, weet je wat er dan gebeurt? Dan bezit je alle vrouwen van de wereld in die ene. Als je met die ene de liefde bedrijft, heb je ze allemaal. Probeer het eens, Silvio, echt. Advies van een vriend.’
Dat was een heel ontroerend moment. Benigni lukt het om de platheid van het Berlusconi-model op zo'n heel subtiele manier duidelijk te maken zonder geheven vingertje.
M: Zo te horen gelukkig voor Berlusconi dat geen haar op het hoofd van Benigni erover peinst om de leider van links te worden. Beppe Grillo is er ook niet geestiger op geworden sinds hij de politiek is in gegaan.
A: En Moretti’s beste film was zeker niet De kaaiman, die helemaal over Berlusconi ging. Dat lesje heeft Moretti geleerd. Zullen we een weddenschap afsluiten of Berlusconi nog een keer premier wordt?
M: Hoe wil je wedden als we allebei hetzelfde denken?
A: Jij weet helemaal niet of we hetzelfde denken.
M: Schrijf het dan op een papiertje. En ik doe het ook.
A: Nu we elkaar toch niet meer kunnen beïnvloeden: kun je nou voor één keer zeggen wat je eigenlijk van Berlusconi vindt en van de wereld waar hij een product van is? Vel een oordeel, al weet ik dat je daar nooit zin in hebt.
M: Toen ik wijlen Harry Mulisch op een dakterras vlak bij het Pantheon interviewde ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, vroeg ik hem: 'Is er nog iemand die u zou willen ontmoeten in uw leven?’ Mulisch’ blik dwaalde over de daken van het oude Rome en bleef hangen op de Sint-Pieterkoepel. 'Hm’, zei hij, 'de paus misschien.’ 'En wat zou u hem vragen?’ 'Of hij ’s ochtends opstaat als Karol (Wojtyla) of als paus’, antwoordde Mulisch.
Daar moet ik nu vaak aan denken, als ik mensen bezig zie. Tot m'n schrik zie ik met de dag steeds meer mensen om me heen die opstaan als manager, voetballer, tennisser, staatssecretaris of minister. En wie niets bereikt heeft, staat tenminste op als hardcore Ajax- of AC Milan-supporter of als Armani- of Dolce & Gabbana- etalagepop, of als de kleine Berlusconi waarop hij stemt. De zichzelf zwaar overschattende, maakbare samenleving brengt maakbare leiders voort. Leiders die op Frankenstein lijken, zeker na een cursus mediatraining. En als dan zo'n Frankenstein menselijke trekjes vertoont, dan valt hij op, al zijn die menselijke trekjes niet hoogstaand. Zolang systemen, partijen, functies en geld meer dan mensen blijven tellen, maakt de leider eigenlijk niet uit.
De een camoufleert de geestelijke en emotionele armoede van de wereld waarin we leven beter dan de ander. Berlusconi laat de universele armoede op niet mis te verstane wijze zien. Dat is zijn onbedoelde verdienste. Hij is onze spiegel. Daarom houden we van hem of we haten hem en zolang de meerderheid van ons stilletjes zijn macht en geld begeert, zal ze voor hem kiezen. Italië leeft in de veronderstelling dat het een katholiek land is. Had Jezus op Berlusconi gestemd? Of op een andere partij? Ik betwijfel het. Maar ook niet op het Nederlandse CDA, of op wie dan ook hier. En als hij iets geleerd had, Jezus, dan had hij geen apostelen, volgelingen, willen hebben. Bewustzijn is individueel, waanzin is collectief. En jij, wat vind jij?
A: Je wordt geen beter mens door Berlusconi heel erg te vinden. Dat heb ik geleerd dankzij dit boek. Hij is wat hij is. Hij is een fenomeen en hij staat voor wat er op dit moment in de wereld aan de hand is. Hoe meer ik me in Berlusconi verdiepte, des te vaker begon ik me af te vragen waarin ik mezelf eigenlijk onderscheidde. Zoals in dat liedje van wijlen Giorgio Gaber, de Italiaanse Jacques Brel: 'Non ho paura di Berlusconi in se, ma ho paura del Berlusconi in me’ ('Ik ben niet bang voor Berlusconi op zich, maar ik ben bang voor de Berlusconi in mij’). Daarom was het zo leerzaam om hem een jaar zonder vooroordelen, zonder meningen, gade te slaan.

Bestel Silvio. Modern leiderschap in de webwinkel