De berouwloze boekhouder

Kent u die van die minister die aftrad? Dat deed-ie niet.
Ditmaal is het Gerrit Zalm (VVD) die kenbaar heeft gemaakt dat hij in 1997 wilde aftreden als minister van Financiën wegens de Liro-affaire. Medewerkers deden hem van gedachten veranderen, schrijft hij in De romantische boekhouder, zijn afgelopen week gepubliceerde politieke memoires.

De Liro-affaire werd in 1997 blootgelegd door De Groene Amsterdammer. Eerst vonden we gevoelig archiefmateriaal dat door het ministerie van Financiën onbeheerd was achtergelaten. Bakken vol kaarten met daarop namen van joodse Nederlanders en hun laatste bezittingen (een gouden vulpen, trouwringen, oorbellen) die zij in doorgangskamp Westerbork hadden moeten inleveren. Het waren Nederlandse medewerkers van de nazi-roofbank Lipmann-Rosenthal (Liro) die keurig de gegevens optikten. Minister Zalm verscheen op het Journaal. Hij voelde zich verantwoordelijk, maar wees erop dat niet hij, maar zijn voorgangers fouten hadden gemaakt. Een week later konden we aantonen dat veel van de kleinoden die door Nederlanders van de Nederlandse joden werden geroofd eind jaren zestig op een afdeling van het Nederlandse ministerie van Financiën in een besloten veiling aan Nederlandse ambtenaren werden verkocht. Trouwringen, armbanden, kettinkjes – alles voor een prikkie en er kwam geen Duitser aan te pas. Opnieuw verscheen de minister op het Journaal, nu met het schaamrood op de kaken. Hij overleefde het spoeddebat.
In het openbaar bestuur worden politieke verantwoordelijkheid en schuld maar al te vaak verward. Aftreden is het nemen van je verantwoordelijkheid als bestuurder, het is geen schuld bekennen. Toch lijken bestuurders bang om als schuldigen gebrandmerkt te worden. Dat zou de reden kunnen dat zij zo zelden de eer aan zichzelf houden. Of is het egocentrisme en eigendunk? Je baan niet kwijt willen, een knak in je carrière vermijden? Jouw schuld was het toch niet? En wie kan jou eigenlijk iets maken op die hoge post?
Als de kwestie ernstig genoeg is, is een aftreden een zegen voor de democratie. Het bespoedigt waarheidsvinding, want als de baas niet meer beschermd hoeft te worden, gaat onderzoek opeens een stuk makkelijker. Door uit eigener beweging je functie ter beschikking stellen kun je bovendien een voorbeeld stellen. De Liro-affaire toonde hoe Nederlanders ‘hun’ joden behandelden. Door vrijwillig af te treden zou Zalm een ferm symbolisch signaal van schaamte hebben afgegeven. Maar hoe aangeslagen ook, hij trad niet af. Zalm bleef zitten waar hij zat.
Ook Zalms woordvoerder plengde krokodillentranen. Verschrikkelijk vond hij het en natuurlijk was duidelijk dat het ministerie fouten had gemaakt. Als zijn mensen de kaarten even konden komen ophalen, dan hadden we het verder nergens meer over. Toen hem duidelijk werd dat wij niet van plan waren het op een akkoordje te gooien en al helemaal niet om ons bewijsmateriaal uit handen te geven, gooide hij het over een andere boeg. Verdwenen waren de spijt en het medeleven met de slachtoffers. Als wij niet rapido de kaarten overhandigden, zou hij aangifte doen van diefstal en konden we een politie-inval verwachten.
Rond het verschijnen van zijn boek betoont Gerrit Zalm zich een goedlachse, gevoelige kerel die het er destijds best moeilijk mee had. Als politicus was hij echter gepokt en gemazeld in het maken van pijnlijke keuzes. Zalm koos ervoor om aan te blijven. Daarmee toonde onze romantische boekhouder dat ethische verantwoordelijkheid niet boven aan zijn lijstje stond.
Een vergelijking dringt zich op met Zalms partijgenoot Joris Voorhoeve. Het had Voorhoeve in 1995 niet misstaan af te treden als minister van Defensie toen bleek dat Nederlandse militairen niets hadden gedaan om de moord op achtduizend Bosnjakse mannen te voorkomen. Tien jaar later zei hij dat hij dat inderdaad had moeten doen. Het was een tikje laat, maar in die ontboezeming zat tenminste nog spijt.