Peter Watson, Ideeën: De geschiedenis van het menselijk denken

De beschaving in ideeën

Peter Watson

Ideeën: De geschiedenis van het menselijk denken

Spectrum, 1021 blz., € 59,95

In 2001 publiceerde Peter Watson het vuistdikke boek A Terrible Beauty (hier vertaald als Wrede schoonheid), over «de mensen en ideeën die het moderne denken gevormd hebben». Vier jaar na deze imponerende en voor de verandering nu eens positief ge toonzette cultuurgeschiedenis van de twintigste eeuw kwam hij met het nog dikkere Ideas, dat de ontwikkeling van het menselijk denken in de eeuwen vóór 1900 behandelt. Dat getuigt niet alleen van ijver, maar ook van durf. Auteurs van dergelijke overzichtswerken zijn immers sitting ducks voor academische critici, die waar het hun eigen specialisme betreft altijd wel fouten ontdekken. Bovendien kan zo’n boek bijna niet anders dan oppervlakkig zijn. Zo deed Johan Huizinga de megaseller The Story of Mankind (1921) van Hendrik Willem van Loon af als een weerzinwekkend boek vol «wankennis, platitudes en vulgarismen».

Hoewel Watson de intellectuele ontwikkeling van de mensheid beschrijft vanaf de uitvinding van de vuistbijl tot aan de geboorte van de quantummechanica, is zijn boek meer dan een behendig bijeengegraaid allegaartje van weetjes en vergeetjes. Wie de elf bladzijden omvattende inhoudsopgave door neemt begint het weliswaar te duizelen – zo zien we dat Watson ons gaat onderwijzen over het tongbeen van de Neanderthaler, de gezondheidscrisis in de prehistorie, de Axiale Tijd, het Griekse individualisme, het Hinayanaboeddhisme, de intellectuele bloei periode van Bagdad, de humaniora in Florence, het idee van de fabriek, de opkomst van het biologisch racisme, de afkondiging van de pauselijke onfeilbaarheid en de charlataneske praktijken van Freud – maar dat betekent niet dat Watson al deze informatie ongestructureerd over de hoofden van zijn lezers uitstort.

Watson begint zijn boek met een overzicht van de wijze waarop eerdere auteurs de intellectuele geschiedenis hebben proberen te ordenen, waarbij men – van Joachim van Fiore tot aan Johan Goudsblom – om de een of andere reden meestal een drieledig systeem ontwierp. Watson onderscheidt niet een drietal tijdperken, maar drie ideeën die volgens hem het belangrijkst zijn ge weest: de ziel, Europa als culturele eenheid en het experiment ofwel de natuurwetenschappelijke methode.

Voor Watson is een «idee» niet alleen een of andere abstracte gedachteconstructie, maar kan het ook een uitvinding zijn. De uit vinding van de vuistbijl, 2,5 miljoen jaar ge leden, was in zijn ogen het gevolg van het feit dat de mens op het idee kwam dat het mogelijk moest zijn een hulpmiddel te gebruiken om door een dierenhuid heen te dringen, iets wat met de eigen tanden of vingers niet lukte. Dit lijkt een nogal banale benadering van het begrip «idee», maar het biedt Watson juist de mogelijkheid om de ontwikkeling van het abstracte denken te koppelen aan de ontwikkelingen in de ma teriële wereld.

Doorgaans denkt men bij ideeën vaak aan Plato en volgens Alfred North Whitehead bestond het hele westerse denken slechts uit een reeks voetnoten bij Plato. Hoewel hij onder de indruk is van de denkkracht en brede belangstelling van Plato moet Watson weinig hebben van diens «mystieke intuïtionisme», dat volgens hem funest is voor een werkelijk wetenschappelijke houding. Wanneer men de geschiedenis van de ideeën wil beschrijven, moet men volgens Watson een onderscheid maken tussen twee soorten denken. Het eerste richtte zich, in navolging van Aristoteles, vooral op de buitenwereld, op de omgeving van de mens. Hierin stonden het waarnemen, onderzoeken, reizen, ontdekken, meten en experimenteren centraal. Daarnaast was er, in na volging van Plato, de verkenning van het innerlijk van de mens, de ziel. Die laatste benadering resulteerde vaak in een zeker idee over God, het hiernamaals of hedendaagse noties als het onderbewustzijn of het zelf.

Dit onderscheid tussen de aristotelische en de platonische benadering speelt een belangrijke rol in Watsons beschrijving van de ontwikkeling van de drie cruciale ideeën. Het achterlijke Europa van rond het jaar 1000 begon zich pas intellectueel te ontwikkelen en streefde de Oriënt voorbij toen tijdens de zogenaamde «renaissance van de twaalfde eeuw» de geschriften van Aristoteles werden herontdekt. Toen pas, terwijl in de islamitische wereld het intellectuele leven op slot ging en plaats maakte voor een theologisch fundamentalisme, ontstond een geestelijk klimaat waarin ruimte kwam voor het experiment en de ontwikkeling van de natuurwetenschappen. De artistotelische verkenning van de buitenwereld is volgens Watson heel succesvol geweest en heeft ge re sul teerd in een technologisch zeer geavanceerde en democratische samenleving, terwijl de platonische zoektocht naar het innerlijk weinig positiefs heeft opgeleverd, simpelweg omdat daarbinnen niets is.

Ook wanneer je deze conclusie van Watson niet onderschrijft, kun je zijn boek met veel profijt lezen. Je moet namelijk wel over een Michaël Zeemanachtige eruditie be schikken wil je er niets uit opsteken. Zo leerde ik dat de Assyriërs aanvankelijk geen paarden hadden en een compleet ambtenaren apparaat opzetten om de toevoer van deze militair zo noodzakelijke dieren te garanderen; dat het eerste open bare concert in moderne zin (dat wil zeggen voor een anoniem, betalend publiek) in 1672 plaatsvond in Londen; dat het nummeren van bijbelboeken in 1551 is geïntroduceerd door de Geneefse drukker Robert Stephanus, en dat er rond 1600 in Engeland slechts vierhonderd boeken per jaar werden gepubliceerd, terwijl dat er rond 1800 56.000 waren. Of deze informatie behoort tot de canon van de voor het voortbestaan van onze beschaving nood zakelijke kennis weet ik niet, maar sinds ik Watsons boek heb gelezen weet ik wel waar het woord «canon» vandaan komt: uit het Soemerisch; het betekende oorspronkelijk «riet» en verwees naar eigendomsrechten. Vooral in Egypte waren die belangrijk, omdat het vruchtbare land telkens overstroomde en de grenzen van de akkers werden uitgewist. Omdat de beheerder van de archieven met eigendomsrechten tevens vertegenwoordiger van de rechterlijke macht was, ging het woord ook iets betekenen als «traditionele, onveranderlijke maatstaf». In het klassieke Griekenland kreeg het woord canon de huidige betekenis. Dergelijke wetenswaardigheden vind je op elke bladzijde van dit imposante boek. Misschien niet om in één ruk uit te lezen, maar dankzij de uitgebreide inhoudsopgave en het gecombineerde personen- en zakenregister kun je er snel iets in opzoeken. In de jaren vijftig zou men gezegd hebben dat dit werk in geen enkel huisgezin mag ontbreken. Amen.