De kunstbezuinigingen

De beschaving redden moet je dóen!

Afgezien van wat gemor en gebedel laat de kunst- en cultuurwereld Halbe Zijlstra’s beeldenstorm gelaten over zich heen komen. Dat kan met onorthodox denken en een flinke dosis moed anders en veel beter, al doet het wel even pijn.

HET LEEK wel kunst, zo vluchtig was het protest tegen de cultuurzeis van staatssecretaris Halbe Zijlstra. Na wat gesputter, wat potjes flash-musiceren en een potsierlijke mars op Den Haag moet de beschaving zich blijkbaar zelf verder maar redden. Van frisse voorstellen, creatieve gedachten en baanbrekende brainwaves is uit de culturele hoek vooralsnog in elk geval weinig te merken. Integendeel, afgezien van de dapperder kunstenaars die altijd al hun eigen broek ophielden en dus hun schouders over het gekrakeel ophaalden, is het na die aanvankelijke kippendrift moedeloosheid troef.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in de cultuurwereld niets gebeurt. Her en der is men naarstig op zoek naar geld. Geld van anderen, welteverstaan. Van mecenassen en andere rijkelui die de gaten die de overheid laat vallen maar moeten opvangen. Een schrijnend voorbeeld is het optreden op YouTube van directeur Dirk van Delft van Museum Boerhaave in Leiden. Daar zingt hij luidkeels de lof van een niet nader genoemde dame die zijn museum met een ton bedacht had, en sommeert hij ons allen om ogenblikkelijk ook tot dergelijke ruimhartige sponsoring over te gaan. Anders, dreigt hij, ‘verdwijnt onze prachtige collectie achter de rolluiken’. Van Delft zal daar achter die luiken dan nog altijd ook wel zitten, want iemand moet toch op de inventaris passen. Als wij, gewone burgers, daarvan niet langer kunnen meegenieten, dan is dat onze eigen schuld. Hadden we Van Delft maar beter in de slappe was moeten zetten.

Minstens zo treurig stemmend is de opstelling van VPRO-directeur Marieke Schoenmakers in haar functie van lid van de raad van bestuur van het Amsterdamse Muziekgebouw aan ’t IJ. Van schrik over de dreigende bezuinigingen gooide ze eerst pardoes directeur Tino Haenen eruit, die er volgens haar eigen zeggen zulk 'prachtig repertoire’ neerzette. Daarna verklaarde ze op 13 juli in de Volkskrant dat de door wethouder Gehrels aangekondigde halvering van de drie miljoen subsidie die het gebouw jaarlijks ontvangt onmogelijk is: 'Dan moeten we sluiten. Het zou doodzonde zijn als in het gebouw bijvoorbeeld een congrescentrum zou komen.’ Nauw verholen klinkt ook hier de gedachte door dat het de schuld van de boze buitenwereld is als de muziektent omvalt. Dáár ligt de verantwoordelijkheid voor het voortbestaan, niet bij Schoenmakers en haar collega’s.

Zo laat de sector, die het op een totale overheidsbijdrage van ongeveer negenhonderd miljoen met nog geen kwart minder hoeft te doen, de hele handel meteen uit de handen vallen. Als Grieks serviesgoed gaat de beschaving aan scherven. Nodeloos, want die tweehonderd miljoen aan bezuinigingen zijn heel goed zonder serieuze schade op te vangen. Het vereist alleen onconventioneel denken, de ferme wil om kunst en cultuur daadwerkelijk overeind te houden en de bereidheid om daar als direct belanghebbende ook concreet aan bij te dragen.

Dat Zijlstra’s bezuinigingen zo destructief uitpakken, komt vooral doordat ze, zoals het er nu uitziet, niet of nauwelijks te herstellen infrastructuur zullen vernietigen: musea, orkesten, schouwburgen en dergelijke. Na afbraak kost het niet alleen heel veel geld en inspanning om dat soort dingen weer op te bouwen, er gaat bij ontmanteling ook veel knowhow en expertise verloren. Netwerken vallen tot stof uiteen en talent trekt noodgedwongen weg of wordt niet langer ontwikkeld. Maar de enige reden dat zo'n rampscenario zich daadwerkelijk dreigt te gaan voltrekken is dat zoals altijd één gigantische kostenpost vanzelfsprekend buiten schot blijft: de loonkosten van werknemers in de sector, inclusief de bestuurders. Het probleem is dat werknemers in Nederland nog altijd doen alsof ze met een been in de plaggenhutten staan, in een wereld waar een stuiver per week voor hun tuberculeuze kindergebroed het verschil tussen leven en dood betekent. In werkelijkheid baden moderne loontrekkers in weelde, garanties en pensioenen, auto’s en mobieltjes van de zaak. Dus waarom zou het sectorpersoneel niet zelf eens een substantiële bijdrage leveren? Het is gewoon een kwestie van prioriteiten stellen. Of, zoals de Engelsen zeggen: PYMWYMI, put your money where your mouth is.

HOEWEL het niet gemakkelijk is om betrouwbare cijfers te vinden, lijkt het ook best te kunnen. Er zijn om te beginnen volgens het CBS in sport, cultuur en recreatie zo'n tweehonderdduizend volledige banen. Een preciezere onderverdeling was niet te vinden, maar dat is misschien ook niet zo gek. Hoe zou bijvoorbeeld de barman tellen die in dienst van de Kleine Komedie in de pauze in de foyer de koffie schenkt? Is hij net als zijn strandtentcollega een recreatieve horecaffer of wordt hij geclassificeerd als culturele Kleinkomediant? Dat cultuur en sport net zo tegen elkaar aanschurken en elkaar overlappen, ligt misschien minder voor de hand, maar toch is ook daar de grens niet altijd gemakkelijk te trekken. Bij de omroep, bijvoorbeeld. Is Mart Smeets een sportman, een schrijver of een cabaretachtige columnist/causeur? En wat te doen met mensen die voor zowel Opium als Langs de lijn werken?

Vaagheid alom, zodat precieze berekeningen onmogelijk zijn. Maar we kunnen wel een ruwe schatting doen die enig idee geeft van de orde van grootte van de dingen waar we mee te maken hebben. Laten we om te beginnen van die tweehonderdduizend banen de helft aftrekken voor zuivere sport en recreatie. Dan moet om de bezuinigingen van Zijlstra volledig te dekken per gemiddelde werknemer tweeduizend euro worden ingeboekt. Van kikkers en suppoosten kun je met goed fatsoen geen veren plukken, dus nemen we als uitgangspunt dat ieder alleen van datgene wat hij of zij boven modaal verdient pak ’m beet een derde inlevert. Dat modale bruto inkomen - salaris voor belastingen inclusief vakantiegeld, maar zonder de pensioenpremie die de werkgever betaalt en overige douceurtjes - ligt momenteel op ongeveer 33.000 euro. Bij een bruto jaarsalaris van veertigduizend euro draag je dan dus twee mille bij, en hoog in schaal 12 van de cultuur-CAO, bij ruim vijfduizend euro per maand, ongeveer negenduizend euro. Dat laatste bedrag is zo'n beetje wat een directeur van een regionaal museum verdient. De top van grote culturele instellingen zit een heel eind daarboven. Hoe het zit met dubbelverdieners is niet te achterhalen, maar hoe dan ook, de fiscus reduceert het nettoverlies in alle gevallen automatisch ook nog eens tot ruwweg de helft.

Het is goed voorstelbaar dat op die manier de volle tweehonderd miljoen aan besparingen wordt binnengehaald. Maar ook als dat niet zo is, dan moet de opbrengst toch zeker ruim voldoende zijn om de angel uit de bezuinigingen te halen, zodat de jazzmusici in het Muziekgebouw aan ’t IJ hun grijpstuivers kunnen blijven krijgen - die boys & girls mochten willen dat ze voor anderhalf miljoen per jaar op de rol stonden.

Doet dat pijn? Ja, en flink ook. Maar laten we het niet overdrijven. Scheiden is een stuk duurder, net als in verreweg de meeste gevallen een nieuw bankstel. Het komt erop neer dat alleen de dikste verdieners het equivalent van een badkamerverbouwinkje kwijtraken. Zelfs dat is bovendien niets vergeleken bij wat bedrijven en zelfstandigen de afgelopen jaren is overkomen, onder wie ook de verhoopte mecenassen schuilen op wier kontzak het gesubsidieerde volksdeel onmiddellijk zijn begerig oog heeft laten vallen. De bedrijven, maar meer nog de zelfstandigen, hebben namelijk sinds 2008 de complete crisis al betaald. Geen loontrekker heeft daar een cent voor ingeleverd en maar verbazend weinigen verloren hun baan. Dan is het toch geen gekke gedachte dat bij sectorgebonden zwaar weer deze keer de belanghebbende werknemers zelf eens de beurt nemen?

Ze krijgen er ook nog eens heel veel voor terug. Behalve de beschaving redden ze er hun eigen baan mee en die van hun collega’s. Per saldo maken ze de sector zelfs sterker, want efficiënter, effectiever en weerbaarder. Mooi meegenomen is ook dat grosso modo het accent bij de bestedingen verschuift van overhead naar werkvloer, dat betekent voor iedereen meer pret voor z'n poen. De sector wordt er ook onmiddellijk minder afhankelijk van, niet alleen van de overheidsruif, om het maar eens in Telegraaf-termen uit te drukken, maar ook van de sponsors en mecenassen die men nu zo dwingend tracht op te trommelen. Dat is belangrijk, want ten eerste is het hier Amerika niet, waar de superrijken op die manier nog iets proberen goed te maken van hun obscene belastingvrijdom. Ten tweede hebben sponsors, de staat voorop, de ingebakken neiging om zich niet voor lange tijd te willen binden. Wat vandaag wordt binnengehaald, is volgend jaar even gemakkelijk weer weg. En ten slotte verwerven ze met hun onbaatzuchtige inzet een moreel prestige waar geen mens ooit nog omheen kan. Ook de botste staatssecretaris niet.


Medium afbeelding 2