Interview met Simon Wiesenthal

«De beste advocaat die ik had kunnen hebben»

Toen nazi-jager Simon Wiesenthal zelf werd opgejaagd, was de Nederlandse journalist Martin van Amerongen zijn felste verdediger. Het kwam hem op een rechtszaak te staan. Nog één keer laat de 93-jarige zich interviewen.

«De verkiezing van Bruno Kreisky tot spö-voorzitter, respectievelijk Oostenrijks bondskanselier is niet het gevolg geweest van een antifascistisch louteringsproces, zoals menigeen hoopvol veronderstelt. Het was veeleer het resultaat van een tactische manoeuvre, een wissel op het manifeste nationale schuldgevoel, vermengd met de agressieve hang naar rehabilitatie, met een eigentijdse variant op het antisemitisme als resultaat: ‹We zouden echt niets tegen de joden hebben, als ze maar allemaal zoals Kreisky waren.›»

(Uit: De samenzwering tegen Simon Wiesenthal, De Arbeiderspers, 1976)

WENEN — De typisch Weense Altbauwohnung met de hoge plafonds en de brede deuren is vervangen door een nieuwbouwflat in de buurt van het Donaukanaal. Voor de deur van het documentatiecentrum zit een politieagente. Hoewel Simon Wiesenthal (93) in Oostenrijk niet meer volksvijand nummer één is, is hij nog altijd een voor de hand liggend doelwit voor extreem rechtse aanslagen. Binnen in het kantoor is er weinig veranderd. Aan de muur hangt een grote kaart met de concentratie- en vernietigingskampen van de nazi’s. Wiesenthal zit er keurig bij, in driedelig pak, aan zijn volle maar toch ordelijke bureau met stapels dossiers.

Zijn leven lang heeft hij geprobeerd de fpö uit het landsbestuur te houden, maar in zijn nadagen is het dan toch gebeurd: sinds twee jaar wordt Oostenrijk door de zwart-blauwe coalitie geregeerd. Wiesenthal gaat vragen hierover uit de weg. «Sinds ongeveer mijn negentigste verjaardag houd ik mij niet meer bezig met de actuele politiek in Oostenrijk. Het kan mij bevallen of niet bevallen. Bij de verkiezingen weet ik echter op wie ik moet stemmen.» Waarop hij stemt, dat houdt hij voor zich.

Hoe Wiesenthal denkt over de pogingen van Jörg Haider om tot een Europese samenwerking van extreem rechts te komen, of wat zijn mening is over de nieuwe fpö-voorzitster Susanne Riess-Passer — we komen het niet meer te weten. «U moet hard praten, want hij hoort niet zo goed meer», waarschuwde zijn secretaresse vooraf. Misschien is zijn gehoor bovendien wat selectief geworden: terwijl Wiesenthal graag over de niet altijd even goeie ouwe tijd praat, zijn de tijden dat men hem over alles naar zijn mening kon vragen, voorbij.

Over zijn herinneringen aan Martin van Amerongen vertelt hij niettemin graag. «Martin was voor mij een soort familielid», zegt hij. Het was in een interview met Van Amerongen dat de toenmalige kanselier Bruno Kreisky Wiesenthal als een «joods fascist» bestempelde. Van Amerongens boek De samenzwering tegen Simon Wiesenthal (1976) maakte de heksenjacht op de «nazi-jager» bij een breder publiek bekend. Kreisky beschuldigde Wiesenthal ervan een «andere verhouding tot de Gestapo» gehad te hebben dan hijzelf, dus in feite een soort collaborateur te zijn geweest. Van Amerongen verdedigde Wiesenthal, maar werd in Graz tot een boete van achttienhonderd gulden veroordeeld. Graz wilde Van Amerongen nooit meer zien. Wiesenthal is hem niettemin nog altijd dankbaar: «Het was een tijd dat niemand in Oostenrijk mij durfde te verdedigen. Onder die omstandigheden is Martin tegen Kreisky opgetreden. Hij bewees dat hij mijn werk echt had begrepen. Ik had geen betere advocaat kunnen vinden, niemand met meer gevoel en kennis van zaken.»

Wat Kreisky volgens Wiesenthal het meeste had gestoord, was dat Van Amerongen over «een conflict tussen twee joden» had geschreven: «Kreisky heeft zijn joodse afkomst nooit willen erkennen.» Hoewel zijn grote rivaal intussen al jaren dood is, doet de herinnering aan de oude vete bij Wiesenthal nog altijd emoties opkomen: «Toentertijd kon je de radio of de televisie niet aandoen of het ging om Kreisky en Wiesenthal. Mijn vrouw heeft er twee zenuwinzinkingen door gehad.»

Binnen de spö — de partij waarvan Wiesenthal vóór zijn conflict met Kreisky lid was — voerde «Kaiser Bruno» een waar schrikbewind. Wiesenthal: «Ik kende veel socialisten, maar als zij mij op straat zagen, staken ze snel over om mij niet te hoeven groeten. Zij waren veel te bang dat iemand het anders aan Kreisky zou vertellen. Ik heb ook gehoord dat hij geïnformeerd heeft of het mogelijk was om mij de Oostenrijkse nationaliteit te ontnemen.» Dat laatste was voor Wiesenthal bijzonder pijnlijk: «Ik ben een geboren Oostenrijker, want bij mijn geboorte hoorde Galicië nog bij Oostenrijk. Pas na het verval van Oostenrijk-Hongarije werd het Polen. Mijn vader is als Oostenrijks soldaat gevallen in de Eerste Wereldoorlog. Alles wat ik heb gedaan, is dat ik als Oostenrijks staatsburger heb geprotesteerd tegen de deelname van vijf voormalige nazi’s aan de regering. Ik meende dat ik daartoe het recht had.»

Juist in eigen land stuitte Wiesenthal op sterke weerstand. Nog altijd heeft hij een kist vol dreigbrieven. «Ik heb er maar drie of vier helemaal gelezen, maar ik heb ze altijd bewaard, omdat ik dacht dat vroeger of later een student filosofie er misschien een dissertatie over zou willen schrijven.»

Het lijkt erop dat Wiesenthal en zijn «vaderland» zich intussen min of meer hebben verzoend: «Oostenrijk is een democratisch land en niemand kan zich beklagen dat hij hier ondemocratisch wordt behandeld. Ik houd van Oostenrijk vanwege zijn cultuur, en natuurlijk is het een mooi land.» Ook met de spö heeft hij tegenwoordig een goede verstandverhouding: «De laatste jaren hebben de mensen telkens tegen mij gezegd: ik ben socialist, maar de manier waarop Kreisky tegen u is opgetreden heb ik nooit ondersteund.»

Vroeger zag men Wiesenthal nooit echt als een Oostenrijker, maar meer als iemand die toevallig in Wenen woonde omdat hij daar zijn activiteiten het beste kon coördineren. Nu valt op hoezeer hij ondanks zijn accent overkomt als een typische vertegenwoordiger van het oude Weense burgerdom. Het erudiete, de culturele belangstelling, het nostalgische en melancholische. Eigenlijk doet hij wat dat betreft zelfs denken aan Kreisky.

Steeds vaker moet Wiesenthal door zijn hoge leeftijd verstek laten gaan. Een bezoek aan de geruchtmakende Wehrmacht-tentoonstelling of aan de expositie over het «euthanasie»-programma van de nazi’s, die enige tijd geleden in Wenen werd geopend, is te vermoeiend geworden. Desondanks verschilt zijn leven niet zo veel van vroeger. Nog steeds wordt hij elke morgen door zijn secretaresse naar zijn kantoor gebracht, waar hij drie uur lang de nieuwste publicaties op zijn vakgebied leest. «Er zijn nog altijd veel witte vlekken op de landkaart, dingen die nog niet zijn onderzocht. Ongeveer elke week verschijnt er wel ergens ter wereld een nieuw onderzoek. Wanneer ik erover hoor en het in het Duits, Engels, Pools, Tsjechisch of Russisch is, bestel ik het.»

Wiesenthal beseft dat hij wat betreft het opsporen van verdwenen oorlogsmisdadigers maar een klein deel van zijn doelen heeft bereikt. «Een groot deel van de misdadigers is naar Zuid-Amerika gevlucht. Ik heb geweten dat zij daar wonen, maar ik heb nooit genoeg geld gehad om ze op te sporen. Wij leven voor het grootste deel van giften en die waren niet voldoende om iemand die Spaans of Portugees spreekt voor enkele maanden daar naartoe te sturen. Wij hadden weliswaar hier en daar joodse vrienden, maar die wilden niet alleen optreden. Wat er in Europa viel op te lossen, heb ik met vrienden uit Duitsland, Frankrijk en Engeland kunnen aanpakken — mensen die met mij in het concentratiekamp hebben gezeten.»

Wiesenthal maakt zich weinig illusies dat het ooit nog tot een proces komt tegen oorlogsmisdadigers uit het Derde Rijk: «Wanneer iemand een belangrijke rol heeft gespeeld bij de vervolging van joden of andere slachtoffers van het nationaal-socialisme, moet hij aan het eind van de Tweede Wereldoorlog minstens 38 of 40 jaar oud zijn geweest. Dat betekent dat hij nu bijna honderd zou moeten zijn. De zaak is door de kalender opgelost.»

Hoe denkt Simon Wiesenthal over de ontwikkelingen in Israël, een land waar hij weliswaar nooit heeft gewoond, maar dat toch altijd een belangrijke rol in zijn bewustzijn heeft gespeeld? Wat zou hij zeggen wanneer hij zou worden uitgenodigd om voor een Palestijns publiek te spreken? En hoe vindt de bekendste «jager» op oorlogsmisdadigers het dat uitgerekend de joodse staat met Ariel Sharon een minister-president heeft die van oorlogsmisdaden wordt beschuldigd?

Wiesenthal: «Na de oorlog hadden mijn vrouw en ik de hoop dat Israël een superland zou worden, na al het leed dat de joden in duizenden jaren hebben meegemaakt. Het is een normaal land geworden waar zeer verschillende dingen gebeuren. Er leven joden die in vijftig staten hebben gewoond. Toen ik negentig jaar werd, vroeg men mij of ik een grote wens had. Ik antwoordde dat ik het liefst vrede in Israël zou willen. Dus ook vrede met de Arabieren.»

Eén verhaal wil Wiesenthal graag nog kwijt: over zijn negen jaar durende zoektocht naar Hermine Braunsteiner, een beruchte bewaakster uit het vrouwenkamp van Majdanek. Toen hij twintig jaar geleden op bezoek was in Israël werd hij aangesproken door drie vrouwen. «Ze hadden alle drie in Auschwitz en Majdanek gezeten en eens per maand kwamen ze bijeen. Ze gaven me veel details over Hermine Braunsteiner en vertelden dat zij een Oostenrijkse was.» Wiesenthal wist dat een Duitse rechter zocht naar mensen die hij in een proces wegens oorlogsmisdaden in Majdanek kon aanklagen. Hij ontdekte dat Braunsteiner na de oorlog met een Amerikaan met de naam Ryan was getrouwd en naar Canada was geëmigreerd. Daar bleek zij echter te zijn verhuisd. Via de post, die haar brieven naar haar nieuwe adres doorzond, ontdekte hij dat ze inmiddels in New York woonde. «Ze leefde in een straat in Queens waar ook veel joden woonden en waar joodse winkels waren.» Toen Wiesenthal zijn ontdekking aan de rechter in Duitsland vertelde, reageerde deze nogal sceptisch. «Hij zei: meneer Wiesenthal, dat zal u niet lukken. Zij heeft door haar huwelijk de Amerikaanse nationaliteit gekregen en Amerikaanse staatsburgers kunnen niet worden uitgewezen. Zij zou eerst de Amerikaanse nationaliteit moeten verliezen, en dat betekende zeker tien jaar lang procederen, maar het is mij uiteindelijk dan toch gelukt.» Braunsteiner verloor de Amerikaanse nationaliteit en werd in het Majdanek-proces in Duitsland tot levenslang veroordeeld. Toen Wiesenthal tweeënhalf jaar geleden met zijn vrouw in Zwitserland op vakantie was, kwam hij per toeval dezelfde rechter tegen. «Hij beloofde mij dat hij zou nakijken wat er in de tussentijd met Braunsteiner was gebeurd.» Ze bleek in de gevangenis ziek geworden te zijn en als gevolg daarvan beide benen te hebben verloren. Hierop was ze vrijgelaten. Sindsdien woonde ze met haar Amerikaanse echtgenoot in de buurt van Keulen.

Wiesenthal wil één ding duidelijk stellen. Het is hem bij zijn speurtochten naar verdwenen oorlogsmisdadigers nooit om de roem te doen geweest. Als er geen nationaal-socialisme en geen Tweede Wereldoorlog waren geweest, was hij gewoon architect gebleven.