De beste boeken van 2020

Voor menigeen bood het boek het afgelopen jaar een welkome uitvlucht uit het plotseling gestolde leven. Welke titels bekoorden de Groene-medewerkers het meest?

Paleis van schedels

‘Ik wil nooit vergeven worden’, schreef Ted Hughes aan Aurelia Plath, de moeder van echtgenote Sylvia Plath, die net een einde aan haar leven had gemaakt. ‘Ik bedoel niet dat ik een tempel van rouw en wroeging zal worden, eerder het tegendeel. Maar als er een eeuwigheid is, ben ik daarin verdoemd.’

Dat was in 1963. In 1969 maakte Teds nieuwe geliefde, Assia Wevill, op dezelfde manier als Plath een einde aan haar leven, en nam ook nog eens haar en Hughes’ dochtertje Shura daarin mee. Als Hughes zich verdoemd voelde na Plath’s dood, moet hij zich nu dubbel verdoemd hebben gevoeld.

Kraai: Uit het leven en de liederen van de kraai verscheen in 1970 en Hughes werkte er al aan toen zijn gezin nog leefde. Toch voelt het in alles als een reactie op hun dood. Het is alsof hij zijn eigen verdoemenis in kaart brengt. Zijn hoofdpersoon Kraai krabt, bijt, vreet, moordt, hij vecht met de zon, lacht God uit in zijn gezicht. Terwijl alle dieren stralen in het zonlicht, vreet hij in een vuilnisbak een weggegooid ijsje op. Kraai vecht met de wereld, met de dood, met de liefde; hij eindigt in een ‘paleis van schedels/ Zijn kroon de laatste splinters/ Van de ark des levens’, waar hij heerst over de stilte.

Dit jaar verscheen Kraai in een fraaie tweetalige editie bij De Bezige Bij, door Daan Doesborgh voor het eerst vertaald. Die tweetaligheid is fijn, je kunt de vele vindingen van Doesborgh naast het origineel leggen en zien hoe hij voor het harde Engels van Hughes een even hard Nederlands vond. Ik las het terwijl ik bezig was in Heather Clarks invoelende, extensieve Sylvia Plath-biografie De rode komeet, waarin Hughes vanzelfsprekend een grote rol speelt. Met andere woorden: ik las de bundel vast veel te biografisch, maar wat ik las was een meesterwerk zoals ik dat niet eerder kende. Kraai is zwart, maar zo speels dat het niet somber is; Kraai is geobsedeerd door de dood, maar barst uit zijn voegen van leven.

Joost de Vries


Snoeshanen

Stefan Hertmans probeert vanaf Oorlog en terpentijn uit 2013 een nieuw literair genre van de grond te krijgen. Een mengvorm van autobiografie, historisch onderzoek en historische inleving. Paradoxaal tot en met natuurlijk: de waarheid over de geschiedenis dichterbij krijgen door haar te fictionaliseren.

Met De opgang boekte hij zijn beste resultaat. Hij brengt zijn eigen geschiedenis van jonge student, aankomend schrijver en progressief denkende Vlaming in verband met de geschiedenis van de evidente fascist Willem Verhulst. Hij haalt hem dichterbij, zonder ook maar iets te vergoelijken, geeft hem een stem, een milieu en een verlangen. Juist zijn verbazing over de teloorgang van deze ‘zwarte’ figuur maakt deze roman bijzonder. Van kwaad tot erger, zo ging het dus, Hertmans heeft er bijna moeite mee het onder woorden te brengen. Zo kan het dus met iedereen gaan.

Heel bijzonder was ook De wereldwandelaars van Wim Willems. Een verbond van idealisten luidt de niet eens ironische ondertitel. Een drietal vrolijke arbeidersjongens uit Amsterdam en Den Haag maakte vanaf 16 juli 1911 zonder geld een wandeltocht over de wereld. Ze kwamen tot diep in het toenmalige Palestina en Syrië. Onderweg verkochten ze ansichtkaarten waarop hun bedoelingen stonden. Geen oorlog meer, geen alcohol, geen vlees. En zo zuiver mogelijk leven, ja, ook geen seks voor het huwelijk.

Het mooie van dit onderzoek, dit verslag, hoe moet je het noemen, deze documentatie over drie ‘gewone’ idealisten, is dat het ook de schrijver niet onberoerd liet. Zijn enthousiasme spat van de pagina’s af. Hoe was het mogelijk dat een paar jongens, met later een van hun vriendinnen erbij, dit in hun hoofd kregen en het nog deden ook? En dat ook hun latere nazaten het er nog steeds over hebben en contact met elkaar onderhouden? Willems laat merken dat hij steeds verder betrokken raakte bij deze vreemde, maar ook fijne en lieve snoeshanen. En ik ook.

Kees ’t Hart


Onderhuidse rijkdom

In het jaar waarin andere kunstuitingen afwisselend open en op slot gingen, bleef het boek geopend. Ik heb zelfs de indruk dat er een lawine aan grote boeken van grote namen op ons is neergedaald. Toch weet ik er vrij moeiteloos twee aan te wijzen die mij het meest indringend zijn bijgebleven.

Allereerst is dat Claudia Durastanti met De vreemdelinge, een autobiografie van een kind van twee dove ouders, geboren in New York, opgegroeid in armoede in Zuid-Italië, momenteel wonend in Londen. Het is vooral de zelfbewuste stem waarmee ze al die werelden en verhalen tot leven brengt, laconieke anekdotiek, lyrische essayistiek, alles spat van de speelse intelligente. Alleen de beginzin al is er een om vaak voor te lezen: ‘Mijn moeder en mijn vader leerden elkaar kennen op de dag dat hij op het punt stond omlaag te springen van de Ponte Sisto in Trastevere.’ Vaak zakken boeken na zó’n beloftevolle opening in, hier blijft het tot het eind kloppen en sprankelen. In ons eigen taalgebied is het De saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer dat me verraste en imponeerde zonder dat ik precies kan achterhalen waarom. De situering van het verhaal is prima (een groepje idealisten in de jaren tachtig), de verwikkelingen zijn goed (liefde, verraad, enzovoort), de thematiek snijdt hout (het boek gaat denk ik over waarachtigheid, idealisme en de vraag wat er echt toe doet). Maar dat is op zichzelf nog niet waarom het zo boven de oogst van dit jaar uitstijgt. Dat is de eigenzinnige, sardonische toon, waardoor dit ogenschijnlijk doodgewone, grotendeels oer-Hollandse decor ineens raadselachtig en hilarisch wordt, maar dan zonder dat dit ten koste gaat van de emotionele diepgang van de personages.

Aan de oppervlakte wekt De Boer de indruk dat hij hiermee ‘gewoon een goed boek’ heeft geschreven, een beetje rechttoe rechtaan verteld, maar de rijkdom schuilt – heel knap – onderhuids, bijna zijdelings.

Christiaan Weijts


Nabijheid in tijden van afstand

Na de eerste paar maanden pandemie volgde er een geruststellend bericht uit een van Europa’s zwaarst getroffen regio’s. Frida Vogels , al sinds de jaren vijftig woonachtig in Noord-Italië, kwam met een nieuw boek: De vader van Artenio. Met macabere voorbarigheid werd het ontvangen als ‘een fijne toegift op haar oeuvre’. En ach, ik zag ook best welke minder macabere betekenis ‘toegift’ hier misschien had. Vogels’ werk bestaat voor een groot deel uit dagboekaantekeningen, waarop ook de schets van haar schoonvader in De vader van Artenio weer is gebaseerd. Een voortzetting van haar oeuvre dus, met als verschil dat Vogels uit dit nieuwste boek niet als eenzaat naar voren komt, maar als iemand die zich onvervalst verbonden voelt met een ander, inderdaad haar schoonvader. Een excentriekeling, door de rest van haar schoonfamilie onbegrepen, maar door Vogels met grote warmte gekenschetst.

Warm is ook Een zoon van, de pas verschenen tweede roman van Roelof ten Napel. Hoofdpersoon Wolff komt uit een gereformeerd nest en gaat volgens beproefd recept studeren in de stad. ‘Sinds hij gestopt was met bidden, of sinds het bidden stopte – hij had er amper voor gekozen’ leerde hij langzaam af om zijn verlangens te laten volgen door schuldgevoel. Ja, er is een afkeurende vader, en ja, we kennen dit type literatuur; Ten Napel weet dat, speelt ermee. Er zijn flashbacks: een eerste kus, van Fedde, uit het zicht op een buurtfeest, een vakantie met schoolgenoten op het randje van volwassenheid en Wolff die merkte hoe zijn lijf plots reageerde op de aanblik van dat van zijn beste vriend. Na een telefoongesprek met zijn nieuwe geliefde, waarin Wolff een inzicht deelt dat hij al kijkend naar Michelangelo’s David had opgedaan, snapte ik: Een zoon van is behalve een teder en behoorlijk romantisch boek vooral een verhaal over zelfvergeving.

En dan kwam Claudia Rankine met Just Us. Een nieuwe conceptuele dichtbundel en een even scherpe confrontatie met alledaags racisme als haar gelauwerde Citizen uit 2014, maar ook een persoonlijke zoektocht naar verbintenis. Boeken over nabijheid in tijden van afstand houden: ja – maar durf mijn keuzes na lezing nog maar eens afgezaagd te noemen.

Kim Schoof


Bijblijven

Het was een vreemd, stroperig jaar, ook wat lezen betreft. Te veel boeken zijn aaneen gaan kleven tot iets zompigs. Ook las ik meer boeken dan ooit waarmee ‘iets’ was, ze waren wijdlopig, grollig, gewoon raar, op een vergeeflijke manier een beetje mislukt. Te vaak vergat ik waar ik de week ervoor nog avond aan avond mee had doorgebracht.

Wat Nederlandse literatuur betreft was er het afgelopen jaar één uitzondering, een roman die ik telkens wilde pakken tot ik hem uit had, en dat was De saamhorigheidsgroep van Merijn de Boer. Ik heb het hier over ouderwets schrijfplezier, met navenant leesplezier tot me genomen. Een roman met springeriaanse allure, grappig, melancholiek en menselijk, met grote technische beheersing geschreven.

Op een andere manier werd ik gegrepen door een Deense schrijfster die al een tijdje dood is, maar wier ‘Kopenhagen-trilogie’ vast nog een groot publiek te pakken gaat nemen. Ik las de drie delen van haar memoires lachend en huiverend, het derde deel Afhankelijkheid deelde een mokerslag uit. Tove Ditlevsen schrijft als een primitieveling, wat een primitieve manier is om uit te drukken dat ik niet eerder de stadia in een wild en onderdrukt vrouwenleven zo volkomen nuchter, gruwelijk én geestig beschreven zag.

Tot slot de essayist die mij het afgelopen jaar gaande hield: de Amerikaanse Leslie Jamison. Ik vind haar verschrikkelijk en erg goed, het kan blijkbaar tegelijk. Dit jaar verscheen haar nieuwe bundeling in vertaling, Laat het schreeuwen, laat het branden, waarin ze me opnieuw meezoog in haar zwarte vriendelijkheid, haar verleidelijke narcisme, haar strijd om erbij te blijven.

Marja Pruis


Oude meesters

Dit jaar werd ik het meest getroffen door het werk van twee oude meesters. Allereerst verscheen in oktober eindelijk de Nederlandse vertaling van Les Années (2008) van Annie Ernaux (1940), ruim twee jaar nadat het hippe Britse uitgeefhuis Fitzcarraldo Editions het boek een succesvol tweede leven gaf. De internationale hype was niet misplaatst: De jaren is een behoorlijk origineel literair experiment, dat simultaan persoonlijk en algemeen wil zijn en daar ook nog in lijkt te slagen. Het is de geobjectiveerde autobiografie van Ernaux, wat inhoudt dat niet haar persoonlijke ervaringen zijn beschreven, maar dat er een sociologische reconstructie wordt geboden van hoe het dagelijks leven in Frankrijk er tussen 1941 en 2006 uitzag. Puttend uit boeken, krantenknipsels en haar eigen herinneringen legt Ernaux vast hoe men woonde, wat voor kleding men droeg, welke liedjes men neuriede, welke boeken men las, hoe men liefhad. Als lezer scheer je in tweehonderd pagina’s door een halve eeuw cultuurgeschiedenis en krijg je een duizelingwekkend perspectief op een onoverzienbare hoeveelheid geleefde dagen.

Het zijn de nadagen van het leven die in Cliënt E. Busken, de twaalfde roman van Jeroen Brouwers (1940), op glorieuze wijze worden opgeroepen. Deze razende monoloog van een aftakelende, in een ‘zorgcentrum’ weggestopte man slingert koortsachtig over de bladzijdes en bulkt van de bombastische, muzikale en zintuigelijke taal. Ook van andere begrenzingen trekt deze roman zich niets aan: het is een komedie, tragedie, groteske en zorgsatire ineen, met een verteller voor wie heden en verleden één grote brij zijn geworden. Luisteren staat in dit geval gelijk aan een volledige geestelijke onderdompeling. Uitzonderlijk intens is dit boek, dat zich ten slotte laat lezen als een afrekening met het leven en een woedend protest tegen de dood.

In 2020, tien jaar na het overlijden van Harry Mulisch, ging het weer eens over de nalatenschap van De Grote Drie. En dat terwijl de schrijver van een oeuvre dat in zijn diepgang en verscheidenheid gemakkelijk tegen dat van Mulisch, Hermans of Reve kan opboksen nog altijd onder ons is. Wat mij betreft komt de hoogste eer na dit jaar toch echt Jeroen Brouwers toe.

Lodewijk Verduin


Brokstukken en scherven

In Bientang laat de Zuid-Afrikaanse Jolyn Phillips een vrouw aan het woord naar wie weliswaar een restaurant is vernoemd in Hermanus, een kuststadje in de West-Kaap in Zuid-Afrika, maar wier verhaal door de koloniale geschiedenis verder totaal is genegeerd. Phillips kruipt met pijn en moeite in Bientangs huid en vertelt met horten en stoten het verhaal van een vrouw die zich noodgedwongen terugtrok uit haar gemeenschap en in een grot aan de kust overleefde. Een tragisch en heroïsch gedicht over ongelijkheid, koloniale uitbuiting, de Khoi-gemeenschap en haar culturele achtergrond, en vrouwelijkheid. Dat alles in een taal die gist en zingt: ‘die weer kom sê tabè ek heet u ek wens ek/ kon soos die visters hier op dié parrabaai koppelos/ windvang liewe heiland ek is moeg om altyd agter/ die wind skoon te maak ek wil sê ek’s nie hulle slaaf nie/ die suidooster besluit vir almal ons morestond ons doodgety’.

Big data van Anne Vegter is een tour de force. In het interview ‘Hoe Europa doen’ met de Zuid-Afrikaanse dichter Ingrid Jonker die in 1965 zelfmoord pleegde, en vooral in de twee andere afdelingen ‘Big data’ en de monoloog ‘Medea 2.0’, is woede de motor. Verdriet, strijdbaarheid en bijtende humor gaan hand in hand. De bloedstollende monoloog die de bundel afsluit is puur theater en deed me geregeld denken aan het schitterende The Beauty of the Husband van Anne Carson, de grote Canadese dichter die tot mijn stomme verbazing níet de Nobelprijs voor Literatuur won. Vegters inzet is hoog: ‘in haar feitelijke vorm is de geschiedenis ondraaglijk. herschrijf haar nu woedend’. Daarin slaagt ze glorieus.

Hoe kun je iets zinnigs zeggen over het huidige Nederland, met al zijn historische hang-ups? Waarschijnlijk alleen via brokstukken en scherven. En dat is wat Maarten van der Graaff de lezer voorschotelt in zijn derde bundel Nederland in stukken. Dit is geen ‘mooie’ poëzie, maar wel uitdagend, urgent, persoonlijk en politiek werk. Hoofdpersoon is de taal. Het openingsgedicht, ‘Contract tussen man en jongen’, is een waagstuk waarvan de rillingen over mijn rug liepen toen ik het voor het eerst las. Ja, dat kan echt.

Alfred Schaffer


Waar hoor ik?

Sinds geruime tijd ben ik gefascineerd door een vraag die ik als een van de belangrijkste van onze tijd beschouw: waar sta ik, waar hoor ik, wie ben ik? Ik bedoel dat niet zozeer psychologisch als wel sociologisch. In één veel eenvoudiger zin gezegd: heb ik een thuis en zo ja, waar staat dat? De digitalisering van alles en iedereen heeft deze oude vraag een buitengewoon actueel en scherp randje gegeven.

Dit verklaart dat het nieuwste boek van Auke van der Woud, Het landschap, de mensen: Nederland 1850-1940, me het afgelopen jaar enorm, meer dan elk ander boek, aan het denken zette. Hoewel ik zijn dissertatie reeds lang in de kast had staan, begon ik zijn werk pas te kennen nadat ik in 2015 De nieuwe mens: De culturele revolutie in Nederland rond 1900 had verslonden. Ik ken weinig boeken over het verleden die zozeer over het heden gaan als dit. Wat Van der Woud in dit boek beschrijft, is de grond waarop wij staan, de bodem waarop ‘de moderniteit’ is gebouwd. Geen wonder daarom dat ik zijn laatste boek, vervolg op het voorgaande, eveneens verslond. Hierin beschrijft Van der Woud bijna het tegenovergestelde, want vertelt hij niet van de wereld die kwam, maar van de wereld die verdween: het lege land, platteland, natuur, met alles wat daarbij hoort aan stilte, traditie, langzaamheid, verstarring, nutteloosheid, rust. Immers, in grofweg de afgelopen eeuw kwam alles, omgeving én mensen, in de ban van de moderniteit en van wat Van der Woud in dat eerdere boek ‘de cultuur der dingen’ noemt: ‘meer inkomen, meer spullen en meer individuele ontplooiing’.

De voordelen zijn legio. Wie dat ontkent, is blind. Maar wie geen oog heeft voor de nadelen van de voordelen is dom. Daaruit volgt wat Van der Woud, en ik met hem, ziet als een van de grootste vragen van deze tijd: waar staat ons thuis, hoe ziet dat eruit, hoe veilig c.q. onveilig is het?

Chris van der Heijden


Er doorheen

Pas bij het schrijven van dit stukje zag ik de overeenkomsten tussen de twee boeken die me dit jaar tot op de dag van vandaag bezighouden – ook dat is het nut van eindejaarslijstjes. In Knecht, alleen van Gerbrand Bakker en What Are You Going Through van Sigrid Nunez spannen karakteristieke ik-vertellers, allebei schrijvers, zich in om hun droevige geestesgesteldheid onder woorden te brengen. Als gelouterde auteurs kunnen ze ambiguïteit verdragen, proberen ze er wijzer van te worden. In 2020 las ik meerdere romans waaraan de auteur met een vooraf bepaalde interpretatie begonnen leek. Dat werkt vast als therapeutische closure, maar het is de onbeslistheid, het gelijktijdig waar kunnen zijn van schijnbaar tegenstrijdige dingen, die ervoor zorgt dat je over sommige boeken niet raakt uitgedacht.

In het geval van Bakker is ‘droevig’ trouwens een understatement. In zijn tweede deel voor de Privé-domeinreeks onderzoekt hij de zware depressie waaraan hij ten tijde van het schrijven lijdt. Met een indrukwekkende helderheid, opzettelijk gestript van alle beeldspraak, weet hij het onzegbare toch maagwringend precies te naderen: ‘Ik moet me blijven concentreren, ik kan niet niets doen. Ik bén niets, dat is al erg genoeg. Daar concentreer ik me tégen. En ik weet niet waar ik uitkom, als ik zit en staar en het toelaat.’

In de nieuwe Nunez ontbreekt de zachtheid die haar vorige roman The Friend ontleende aan een mist van rouw, maar wat is het goed om deze intelligente, zoekende en toch zekere stem weer te horen. Terwijl de naamloze vrouw vertelt hoe ze een terminale vriendin helpt bij haar zelfverkozen dood, rijgt ze essayistische bespiegelingen, merk-waardige anekdotes en verdrietige verhalen van andere mensen aan elkaar tot een roman die met een meditatieve lichtheid het gewicht van het volle leven draagt. Nunez verknoopt het persoonlijke verval met de naderende ondergang van de planeet, maar tegenover ziekte en dood, het klimaat en misogynie, staan liefde, vriendschap, schoonheid – en het helpt.

‘No matter how sad, a beautifully told story lifts you up’, denkt de vrouw. In hun poging zich ergens doorheen te worstelen, schreven Nunez en Bakker het levenslustigste proza van het jaar.

Femke Essink


Ugly Cry

Er zijn twee boeken die me het afgelopen jaar aan het huilen hebben gemaakt, en dan heb ik het niet over een traantje laten, maar over the ugly cry. Deze boeken, Mijn duistere Vanessa van Kate Elizabeth Russell en Afhankelijkheid van Tove Ditlevsen (1917-1976), hebben niets en alles met elkaar gemeen. Het eerste is recent en Amerikaans; het tweede, uit 1971, is het laatste deel uit Ditlevsens memoires: de Kopenhagen-trilogie. Beide boeken beschrijven een tragedie, respectievelijk misbruik en verslaving, en de schrijfsters doen dat op een manier die onsentimenteel is, nietsontziend. Ze leggen iets bloot wat rauw is, en pijnlijk. Beide boeken gaan over romantiek, maar zijn niet romantisch.

In haar ‘Kopenhagen-trilogie’ schrijft Ditlevsen zonder opsmuk over haar benauwende jeugd, over het schrijverschap, dat zich al vroeg openbaarde, over haar verlangen naar de geborgenheid van een relatie en, in het laatste deel, over haar radicale ontsnapping uit de werkelijkheid: drugs. In mooie, kale zinnen beschrijft Ditlevsen een leven dat werd voortgedreven door verlangens die slechts bij momenten werden gestild. Er zit een verraderlijke eenvoud in de ‘Kopenhagen-trilogie’, maar alle losse gebeurtenissen en anekdotes worden met een scherpe focus bijeengehouden door één overkoepelende tragedie: het onvermogen van de hoofdpersoon om simpelweg te zijn.

Mijn duistere Vanessa is het verhaal van het meisje en de docent, verteld vanuit het perspectief van het meisje. Dat meisje is tragisch, maar geen slachtoffer. Ze is verleid en misbruikt, maar niet zielig. De docent dweept met haar meisje-zijn, met de persona die hij op haar projecteert, en het is die persona waar ook zij verliefd op wordt. Mijn duistere Vanessa heeft iets conventioneels, in de opbouw en de stijl, en omdat Russell zich simpelweg ten doel heeft gesteld om de lezer te laten meevoelen met haar hoofdpersonage. Toch is Mijn duistere Vanessa niet eenduidig. In het particuliere verhaal resoneren grotere ideeën – over de verheerlijking van het meisje, over de verleiding van het romantische en, vooral, over de keerzijde daarvan. Ik huilde de ugly cry omdat ik daar iets heel waars in herkende. Daarna zette ik het boek op een plekje in de kast dat ik vanaf de bank kan zien. Ik wilde er nog geen afscheid van nemen.

Basje Boer


Niets

Vanaf zijn debuut De verboden tuin (1986) houdt Wessel te Gussinklo (1941) zich intensief bezig met zijn traag opgroeiende creatie Ewout Meyster. In De opdracht (1995) probeert Meyster als prepuber zijn (padvin-ders)omgeving in zijn macht te krijgen, wat mislukt. Een tweede machtsgreep, op zijn zeventiende in De hoogstapelaar (2019), gaat weer mis, ondanks existentiële hulptroepen uit Frankrijk. De hooggestemde dichtende denker in spe Meyster faalt en strandt, ook op de middelbare school.

In zijn recente roman Op weg naar De Hartz treden twee nieuwe ‘denkende’ vaderfiguren op (Meysters vader stierf in de Tweede Wereldoorlog): Somsen en de ‘Grote Man’ Babinsky. Als naïeve achttienjarige met literaire ambities kijkt Meyster begin jaren zestig aanvankelijk tegen hen op, maar dankzij de opbouw van Op weg naar De Hartz – heen en weer schietend tussen de Ewout Meyster van 18 en die van 22 – vangt de lezer al een glimp op van zijn komende vadermoord en zijn Alleingang.

Leermeester en ‘therapeut’ Somsen wil niet alleen Meyster als een golem kneden naar zijn eigen, geleende utopische ideeën, maar ook diens beschadigde vriendinnetje Sylvia. Hij belooft zijn leerling gouden bergen, maar die moet dan wel eerst zijn hbs-diploma zien te halen. Daar komt niets van terecht, ook omdat Somsen zich intensief met Sylvia bemoeit. Er komt een moment dat Meyster ‘nee’ zegt tegen Somsen en indirect tegen de vage utopist Babinsky.

Op weg naar De Hartz is zowel een psychiatrische roman als een filosofisch getint relaas dat elitaire pseudo-denkers ontmaskert en als macht ondermijnt. De machtigen handelen en misbruiken, de zwakkere (Meyster) zoekt een zuivere moraal, als die er al is: ‘hoe te bestaan met jezelf, hoe te bestaan tussen het vele, het zinloos andere, hoe jezelf vorm te geven, besprongen, misvormd door al dat andere?’ En ja, Ewout Meyster wordt besprongen en misvormd, totdat hij resoluut ‘néé’ zegt en handelt naar Nietzsche’s uitspraak over zijn eigen werk, die verachting van alle idealisme zou uitstralen. Waarna hij even eenzaam als Nietzsche in de woestijn van het bestaan terechtkomt. ‘Niets’ is het laatste woord van Op weg naar De Hartz, maar ik weet dat Te Gussinklo doorschrijft. Een prettige gedachte.

Graa Boomsma


Een heel gelukkige nazi

Een boek dat ik met fascinatie en bewondering heb gelezen, is De rattenlijn van Philippe Sands. De Brits-Franse Sands is, naast hoogleraar internationaal recht in Londen en advocaat bij zo’n beetje alle belangrijke internationale strafzaken van de afgelopen jaren, een kleinzoon van holocaust-overlever Leon Buchholz. Buchholz werd geboren in wat tegenwoordig de Oekraïense stad Lviv is, maar die van het einde van de Eerste Wereldoorlog tot het einde van de Tweede tot Polen behoorde. Zijn grootvader was een van de weinige joden die het regime van de Duitsers – die de stad na inname in 1941 weer Lemberg noemden, zoals ze in de negentiende eeuw had geheten – overleefde. Tijdens de zoektocht naar de wortels van zijn grootvader stuit Sands op de zoon van nazi-kopstuk Otto Wächter, die tussen 1942 en 1944 als gouverneur van Lemberg een schrikbewind voerde en ruim een half miljoen joden de dood in joeg. Horst Wächter woont in een vervallen kasteel in het Oostenrijkse Hagenberg en houdt koppig vast aan het geloof in de relatieve onschuld en goedheid van zijn vader. Tussen de twee mannen ontvouwt zich een curieuze vriendschap die zich kenmerkt door genegenheid, ruzies, maanden van stilte en een samenwerkingsverband, waarbij de zoon van de nazi de kleinzoon van de holocaust-overlever van steeds meer informatie voorziet over zijn familie.

Met behulp van alles wat Sands uiteindelijk aan documenten, dagboeken, brieven en getuigenverslagen bij elkaar wist te verzamelen, schreef hij een geweldig boek over de opkomst en ondergang van een nazi, die na de val van Duitsland via de ‘rattenlijn’ van Rome naar Argentinië probeert te vluchten, maar voortijdig overlijdt. Is hij vergiftigd, zoals zijn zoon bij hoog en laag volhoudt, en zo ja door wie? Maar die vraag is niet eens de interessantste. Veel intrigerender is het portret dat tevoorschijn komt van Otto’s vrouw, Horsts moeder, Charlotte Wächter. Zij is een vrouw die uit wraak op de ontrouw van haar man een zwangerschap afbreekt en haar daaropvolgende dochter de naam geeft van zijn minnares. Een vrouw die na de capitulatie luid en duidelijk aan de stomverbaasde Amerikanen verkondigt een heel gelukkige nazi te zijn geweest – en dat blijft tot aan haar dood in 1985.

Niña Weijers


De censor werd schrijver

Wederom talloze beste boeken dit jaar, ik noem er drie. De opgang van Stefan Hertmans, na Naar Merelbeke, Het putje van Milete en Oorlog en terpentijn opnieuw een hoogtepunt in het omvangrijke oeuvre van deze schrijver, wiens veelzijdigheid en intellectuele diepgang uitzonderlijk zijn in de Nederlandse literatuur. Het gaat om een documentaire roman, maar dan een waarin verbeeldingskracht en stilistisch meesterschap uiteindelijk het niveau bepalen. Het toeval helpt de auteur aan zijn hoofdfiguur, een bekende Vlaamse collaborateur die zich voor de Duitse bezetter uitsloofde om lijsten op te stellen van ‘volksvreemde’, dus gevaarlijke inwoners van Gent, die vervolgens werden gearresteerd en vermoord. Hertmans reconstrueert diens leven nauwgezet en doet daarbij de nodige pijnlijke ontdekkingen die laten zien dat ook deze oorlog nog een spoor van vernielingen trekt door de levens van naoorlogse generaties.

Wolfstijd van de historicus en journalist Harald Jähner gaat over die naoorlogse periode in Duitsland, het land dat, terecht, bewondering oogst voor de manier waarop het zich rekenschap heeft gegeven van zijn schuldige verleden, maar waarvan wellicht minder bekend is dat de denazificatie pas in de jaren zestig, met dank aan de studentenbeweging, voluit plaatsvond. Jähner schetst met vaardige pen een indringend beeld van een volstrekt chaotisch en geruïneerd land, en wel vanuit het perspectief van de daders. Die zijn bevangen door zelfmedelijden, over de holocaust geen woord. Het boek laat zien hoe het gedemoraliseerde volk weer langzaam op de been wordt geholpen, zowel via het emancipatorisch getinte seksimperium van de eigenzinnige Beate Uhse, die haar opmerkelijke carrière begon als testpilote, als – misschien verrassend – via de Amerikaanse propaganda voor de nieuwste abstracte, als culturele heropvoeding bedoelde schilderkunst van onder anderen Jackson Pollock (Kokoschka vreesde zelfs een nieuwe Reichskulturkammer, maar nu van ‘de abstracte partij’).

De slag van de Spanjaard Arturo Barea ligt in het verlengde van Hertmans en Jähner. Het is een uitgave in de belangwekkende reeks Kritische Klassieken van uitgeverij Schokland. Het gaat om een autobiografische roman over Madrid tijdens de Spaanse Burgeroorlog, waar Barea als perscensor aan de kant van de republikeinen direct bij betrokken was. Maar de censor werd schrijver, en wat voor een. Gabriel García Márquez noemde De slag (oorspronkelijk verschenen in 1946) zelfs ‘een van de beste boeken ooit in het Spaans geschreven’. Dat kan ik niet beoordelen, maar een geweldige roman is het beslist.

Cyrille Offermans