Peper en zout

Soms is een verhaal zo rijk dat de inleiding langer is dan de vertelling. Dat overkomt Toni Morrison met, het nu vertaalde, Recitatief (1980). Zadie Smith vraagt zich in haar introductie af waarom zij per se wilde weten wie De Ander in Recitatief nu was. Waar heeft ze het over?

Morrison schrijft een weloverwogen ik-verhaal over twee meisjes van acht, Roberta en Twyla, die in een kindertehuis terechtkomen en daar kort een kamer delen. Hun moeders hebben hen allebei afgedankt. De meisjes zijn ‘net een peper-en-zoutstelletje’. Maar wie is de peper en wie het zout? Daar zegt Morrison niets over, en daarom schreef ik ‘weloverwogen’. Morrisons zwijgen over peper en zout, oftewel zwart en wit, is zo doordacht dat de lezer zich al snel schaamt voor zijn voorgeprogrammeerde leeshouding. Waarom zou hij willen weten of de ik-verteller Twyla zwart is of wit? Zij is toch veel meer dan haar huidkleur, net als Roberta?

Na hun achtste ontmoeten ze elkaar in latere levensfasen bij toeval, ongetrouwd of getrouwd, met of zonder werk of kinderen. In de episode waarin Twyla serveerster is komt ze Roberta tegen, met twee vrienden die een afspraak met Jimi Hendrix schijnen te hebben. Twyla weet niet wie Hendrix is… Of het nu gaat over muziek (bestaat er zwarte muziek?) of over haardracht, eten, wonen of werken, de lezer beseft dat hij, of hij wil of niet, projecteert, geconditioneerd is en in hokjes denkt. Is Twyla misschien het zwarte meisje omdat…? Maar hoe zit het dan met…? En dat is exact wat Morrison beoogde: de lezer confronteren met eigen vooroordelen en gevaarlijk generaliserend zwart-witdenken. De kern van Recitatief bestaat uit wat er niet staat en wat de lezer per se wil invullen. Waarom wil hij dat toch? Wat bezielt hem, hoe zuiver is hij eigenlijk?

De doofstomme keukenhulp Maggie – zandkleurig? – is in het kindertehuis de kop van Jut. Beide jonge meisjes schoten nooit te hulp als de grote meiden haar, de onderliggende ander, treiterden. Durfden ze niet, wilden ze niet? Recitatief ontregelt alle zintuigen.

Graa Boomsma

Toni Morrison, Recitatief
Vertaald door Nicolette Hoekmeijer.
De Bezige Bij, 128 blz.


Een ode aan de literatuur

Eerst een paar criteria: urgentie, originaliteit, schrijfverlangen, authenticiteit, stilistisch vernuft, traditiebesef, wereldblik. De roman Het lied van ooievaar en dromedaris van Anjet Daanje scoort op vrijwel al deze punten hoge cijfers. Ze brengt op een unieke manier een ode aan leven en werk van Emily Brontë, schrijfster van het fenomenale Wuthering Heights (1847). Ze volgt niet letterlijk wat er uit biografische werken over haar bekend is, veel is dat niet, maar herschept haar onder een andere naam: Eliza May Drayden. Daanje herschrijft en verzint haar leven en haar werk in een aantal verhalen, soms bijna romans op zich, over haar familie, over de mythes die om haar rondspoken en over de vele verwikkelingen rond haar literaire erfenis. Tot en met onze tijd. Familieleden komen voorbij, vreemde fans, obsessieve wetenschappers, plus verhalen die nog maar met een dun draadje aan het leven van ‘Eliza Drayden’ zijn verbonden.

Een verbazingwekkende verhalenstorm, uit Daanje’s duim gezogen en toch grondig gedocumenteerd, zo lijkt het, je hebt vaak het idee dat je zowel in romans van Dickens als van de gezusters Brontë ronddwaalt. Nog nooit vertoond, nergens, volstrekt origineel, geschreven met een grote, dwingende urgentie die op mij oversloeg. Ik wilde alles weten, was dagen zoet met dit bedachte leven en de naweeën ervan. Dit is een ode aan literatuur.

Van een ander kaliber maar zeker ook dwingend en origineel (en ook ontroerend) is de kleine postuum uitgegeven novelle Een wagon vol duivels van Anton Valens (1964-2021) dat ik recent las. Valens’ ondergravende en af en toe valse blik op de wereld en haar bewoners krijgt hier een bijzonder mooie glans. Kenmerkend voor Valens’ werk: schoonheid in stand proberen te houden via de onbekommerde waarneming van het banale en het lelijke. De ik-figuur weigert zich neer te leggen bij wat anderen als platvloers en onbelangrijk zien. Somber en tegelijk opgewekt treedt hij het leven tegemoet, want de kans blijft bestaan dat er toch veel meer schoonheid te beleven valt dan je op het eerste gezicht dacht.

Kees ’t Hart

Anjet Daanje,
Het lied van ooievaar en dromedaris
Uitgeverij Passage, 656 blz.

Anton Valens,
Een wagon vol duivels
Atlas Contact, 112 blz.


Ontsnappen

Veranderen: methode is een roman over sociale en intellectuele groei. Een roman ook over ontheemding. En bovenal is het een roman over het leven van de schrijver zelf. Dat is tot op zekere hoogte natuurlijk elk boek, maar dit nog nadrukkelijker dan de meeste. Sinds Édouard Louis (1992) debuteerde met het autobiografische Weg met Eddy Bellegueule (2014) verscheen iedere paar jaar werk van hem waarin hij in grote lijnen zijn levensverhaal hervertelde en dat met de nodige publicitaire tamtam gepaard ging: het mocht niemand ontgaan, hier werd een nieuwe literaire ster geboren.

Wellicht verklaarde dat wel erg luide tromgeroffel mijn initiële scepsis – Veranderen: methode is de eerste Louis die ik opensloeg. En het boek heeft me verleid om de rest van zijn oeuvre alsnog te gaan lezen. Want hoewel ik Veranderen: methode stilistisch niet eens zo fijnzinnig vond – soms wat repetitief, soms wat theatraal – heeft de roman een overweldigende kracht. Louis schrijft helder en toegankelijk, en heeft een groot talent voor scènes. Bijvoorbeeld hoe zijn autobiografische ik-verteller, afkomstig uit een arbeidersmilieu, bij een welgestelde vriendin dineert en de keurige tafelmanieren gaat imiteren. Hoe hij die vriendin even later dumpt en zijn toevlucht zoekt tot de intellectuele beau monde in Parijs. Hoe hij mensen (meestal mannen) inpalmt en moeiteloos afdankt, hoe hij fysiek verandert: nieuwe garderobes, haarimplantaten, gebitsingrepen tot de tandartsrekening niet meer door een nieuwe vlam betaald wordt en de nog altijd arme verteller de praktijk beschaamd verlaat.

Vooral indrukwekkend is de focus die Louis in de roman heeft aangebracht: met soms grote sprongen beschrijft hij het leven van zijn autobiografische, niet bepaald sympathieke ik-verteller, en toch voelt het allemaal nergens gehaast. Alsof hij de bouwstenen van zijn eerdere werk – arbeidersgezin, ontluikende homoseksualiteit, moeizame ouder-kindband – voor het eerst heeft weten onder te brengen in een overkoepelend verhaal. Alles wat de hoofdpersoon doet, maakt deel uit van zijn ongebreidelde verlangen naar ontsnapping. Die hij uiteraard nooit helemaal vindt. En juist daar lijkt Louis’ schrijverschap te zijn ontstaan: vanuit de drang om de werkelijkheid te kneden, en om het ontheemde, onstuimige eigen leven tot één grootse vertelling te transformeren.

Thomas Heerma van Voss

Édouard Louis,
Veranderen: methode
Vertaald door Reintje Ghoos.
De Bezige Bij, 240 blz.


De grote wereld

De tekst die afgelopen jaar de meeste indruk op me maakte, is het eerste hoofdstuk uit het nu vertaalde Het gebroken huis. In dit oorspronkelijk uit 1966 daterende boek beschrijft de sinds geruime tijd (1999) gestorven Duitse journalist en schrijver Horst Krüger zijn jeugd in Duitsland, in het bijzonder in de Berlijnse wijk Eichkamp. Het is me een raadsel dat ik deze tekst nooit eerder ben tegengekomen. Zo mooi, diep, belangrijk. Dat verklaart ook de revival van dit boek na een zoveelste heruitgave en diverse vertalingen, ook in het Nederlands. In Het gebroken huis beschrijft Krüger niet de nazi’s waarvan in 99 procent van de teksten over nazi-Duitsland sprake is. Nee, hij beschrijft een heel ander soort mensen: zijn ouders, buren, collega’s, vrienden. Nazi’s? Nee. Bewonderaars van Hitler en het Duitsland dat hij tot stand bracht? Ja. Fanatiek? Verre van. ‘Zo kwam het Rijk van Hitler eigenlijk als een hemelse macht over Eichkamp’, schrijft Krüger. ‘Men had er niet om gevraagd, men had het niet binnengehaald… Niemand had meegedaan, niet één was nazi geweest. Het kwam uit het verre Berlijn.’

Kortom, Krüger beweert dat belangrijker nog dan de minderheid die het vieze werk doet, de meerderheid is die instemt en het hoofd wegdraait. Haar motieven zijn niet politiek, maar sociaal en economisch. De grote wereld interesseert haar niet, het gaat slechts om het eigen hachje. En om dat te redden, gaat men ver, heel ver.

Over Krügers boek schreef ik niet. Wél over het eveneens iets oudere (2009) maar dit jaar dan eindelijk vertaalde boek van Jürgen Osterhammel dat dit jaar eveneens in Nederlandse vertaling verscheen, De metamorfose van de wereld: Een mondiale geschiedenis van de negentiende eeuw. In de afgelopen jaren ben ik er steeds meer van overtuigd geraakt dat de voedingsbodem van de wereld waarin wij opgroeiden maar die langzamerhand zijn tijd heeft gehad, in de laatste decennia van de negentiende, begin twintigste eeuw ligt: het tijdperk van de tweede industriële revolutie, het tijdperk ook waarin voor het eerst sprake was van olie, elektriciteit, auto’s en al die andere dingen die voor ons gewoon zijn. Niemand beschrijft dat tijdperk zo diepgravend als Osterhammel.

Chris van der Heijden

Horst Krüger,
Het gebroken huis: Een jeugd onder Hitler
Vertaald door Liesbeth van Nes. Alfabet, 146 blz.

Jürgen Osterhammel,
De metamorfose van de wereld: Een mondiale geschiedenis van de negentiende eeuw
Vertaald door Wil Hansen. Atlas Contact, 1492 blz.


De magie van het leven

In Koud genoeg voor sneeuw van Jessica Au (woonachtig in Australië) gaan een moeder en dochter samen op vakantie naar Tokio, de stad van hun voorouders. Beiden wonen elders, waar weten we niet. De vrouwen, innig met elkaar verbonden door het moederschap, ontmoeten elkaar op het vliegveld en brengen vervolgens samen tijd door in hotelkamers, restaurants, galeries en de straten van Tokio. Ze eten samen, drinken thee samen, kijken naar kunstwerken en kopen snuisterijen voor thuis. Ze nemen de trein naar een herberg. We lezen hoe de dochter verlangt te weten wat haar moeder voelt en denkt, en hoe ze haar best voor haar doet. Moeder en dochter bewegen zich door het landschap als twee vreemden die ondanks de afstand niet zonder elkaar kunnen.

Édouard Louis prees de ‘stille schoonheid’ van het boek. Het is inderdaad prachtig – en stil; het landschap zwijgt als een schilderij en er dwaalt een constante ‘lichte, ragfijne regen’ door het verhaal. Au’s verteller worstelt met de vraag of ze zelf moeder wil worden: ‘Ik had nooit een sterke kinderwens gehad, maar toch voelde en begreep ik het nu als een reële mogelijkheid, zo lieflijk en ongrijpbaar als een gedicht.’ Worstelend met die kinderwens wil ze weten wie haar eigen moeder is, de moeder die haar telkens weer ontglipt. ‘Mijn moeder keek me aan en glimlachte, alsof… we geen behoefte hadden aan woorden.’ In de stille kern van Koud genoeg voor sneeuw schuilt de vraag of we een ander ooit echt zullen kennen, en wat te doen met dit kwellende, ongestilde verlangen.

Ook Brecht De Backer worstelt met het verlangen een ander te kennen. Omdat ze leven is een schitterend relaas over haar zoektocht naar het moederschap en het kind dat ze zo vurig wenst – een wens die, als alleenstaande queer vrouw, niet vanzelfsprekend een realiteit wordt. Haar boek zit vol humor en vlammende inzichten over wat het betekent een hunkerend, voelend mens te zijn. De Backer richt zich ondanks haar pijn op de magie van het leven: alles wat ze verliest leeft elders in het universum door. Haar anders-zijn wordt haar kracht, een heuse superpower.

Ilse Josepha Lazaroms

Jessica Au,
Koud genoeg voor sneeuw
Vertaald door Jeske van der Velden.
De Arbeiderspers, 160 blz.

Brecht De Backer,
*Omdat ze leven: Het verhaal van jou en alle kinderen die ik nooit heb gehad *
Atlas Contact, 206 blz.


Opmerkelijk en oneigentijds

Het opmerkelijkste Nederlandse boek is wat mij betreft tegelijk een van de minst opgemerkte, Levensvormen van Lex ter Braak. Opmerkelijk is het allereerst op grond van intrinsieke kwaliteiten, maar toch ook omdat het in zekere zin een debuut betreft van een 71-jarige auteur. In zekere zin, want Ter Braak publiceerde regelmatig over literatuur en beeldende kunst in tijdschriften; bovendien had hij al een even rijke als veelzijdige carrière in de wereld van de literatuur, de kunsten en het onderwijs achter de rug, onder meer als scheppend kunstenaar (als dat geen pleonasme is), rector van een gymnasium in Velsen en directeur van de Jan van Eyck Academie in Maastricht.

Strikt genomen doen die personalia er niet toe, maar de lezer van dit boek – een ‘roman’, een ‘fragmentatiebom van verhalen’ – begrijpt met die kennis in het achterhoofd wel aan welke uiteenlopende ervaringen dit boek zijn sprankelende stijl en gerijpte, onnadrukkelijke inzichten dankt. Op elke pagina staan zinnen die je wilt overschrijven, zoals deze over Xavier de Maistre: ‘Zijn schrijfkamer van beperkte afmetingen en als alle kamers ijkpunt van het vertrouwde en onveranderlijke, blijkt een instabiele wereld, een rommelig archief van voorwerpen en herinneringen die eenmaal door de verbeelding aangestoken, hun licht alle kanten opwerpen. Graag laat hij zich verleiden van de rechte weg af te gaan om zich te verliezen, overdrachtelijk, in een weelderig buitengebied van meertjes, boompartijen en graslanden.’

Aandacht voor Lex ter Braak was er wel van Carel Peeters in Vrij Nederland – op zich niet zo vreemd, want Peeters is sinds jaar en dag (om precies te zijn: sinds 1973) onze productiefste en veelzijdigste criticus. Lof van de combinatie, zijn twintigste, omvangrijke boek, geeft daarvan een goed, zij het nog zeer onvolledig beeld. Wie schrijft er zowel over Baltasar Gracián als Hugo Brandt Corstius, over Antonio Gramsci als Frans Kellendonk, over Roland Barthes als Thierry Baudet, over Isaiah Berlin als Judith Herzberg? Met soepele hand ontwikkelt hij in al die kleine essays de stelling dat de belangrijkste boeken nooit één speerpunt kennen, maar een combinatie zijn van tegengestelde ideeën of verlangens. Telkens stuit hij op paradoxen, ambivalenties en ambiguïteiten, het boek als geheel laat zien dat eigentijdse, door de actualiteit geïnspireerde boeken alleen de moeite waard zijn als ze tevens putten uit oneigentijdse bronnen.

Cyrille Offermans

Lex ter Braak,
Levensvormen
Van Oorschot, 328 blz.

Carel Peeters,
Lof van de combinatie: Essays en kronieken
De Harmonie, 447 blz.


Stemmen

Ik lees het liefst boeken waarvan het verhaal niet na te vertellen is. Als er maar een krachtige stem aan het woord is, of juist een verdrietige, aarzelende. Maakt me niet uit wat zij of hij me vertelt, vertel me gewoon alles maar, op een manier zoals ik dat elders niet hoor.

Dit jaar waren er in ieder geval twee stemmen die ook lang nadat ik hun verhaal had gelezen in mijn hoofd bleven zitten. Over Nonfiction van Julie Myerson heb ik afgelopen zomer een stuk geschreven. Een ingenieuze en hechte roman over toewijding en verraad, verpakt als de brief van een moeder aan haar verslaafde puberdochter. De andere stem is die van Sarah Ruhl, van wie ik niet eerder had gehoord, maar die een succesvol Amerikaans toneelschrijfster en -regisseuse blijkt te zijn. En terecht, denk ik nu ik ook wat van haar toneelwerk heb gelezen. Zij schreef een boek over de aangezichtsverlamming die haar treft vlak nadat ze is bevallen van een tweeling. Klinkt sensationeel, en dat is het ook, maar Glimlach
(dat een te modieuze ondertitel heeft: Over moederschap en vrouwelijkheid in een maatschappij vol verwachtingen) is een breed uitwaaierende memoir van een New Yorkse die midden in een aantrekkelijk leven staat en die, geconfronteerd met een gemankeerd uiterlijk, haar hele ‘zijn’ opnieuw in overweging moet nemen. Een vrouw wordt langzaam beter, wat is dat nou voor verhaal? schrijft ze zelf. Het beste verhaal, bewijst Ruhl die diep gaat en me op een onvermoed spoor bracht.

Wat Nederlandse literatuur betreft las ik een onrustbarend verhaal van Thomas Heerma van Voss in diens bundel Passagiers/achterblijvers. Verwachtingen zit ingeklemd tussen de andere verhalen als een verstopt kleinood. Een zoon schrijft aan zijn moeder en recapituleert momenten uit haar leven. Met mededogen, zeg je dan, maar dat is dit niet. Eerder verhelderend. ‘Waar ben je? Drie keer heb ik je naam geroepen.’ Beklemmend en beklijvend.

Marja Pruis

Julie Myerson, Nonfiction: A novel
Corsair, 278 blz.

Sarah Ruhl, Glimlach
Vertaald door Karina van Santen.
Thomas Rap, 255 blz.

Thomas Heerma van Voss,
Passagiers/achterblijvers: Verhalen
Das Mag, 245 blz.


Naast Allen ook Austen

Vaak tevergeefs probeer ik Detransitie, baby van Torrey Peters aan te raden in de boekwinkel waar ik werk. Klanten pakken aarzelend het boek op, dat veel te modieus is vormgegeven, lezen de afschrikwekkende titel en zeggen dan voorzichtig: tja, weer zoiets… heb je niet wat vrolijkers?

Ze bedoelen: daar heb je nog zo’n woke traumaboek over hoe moeilijk het is om vrouw/homo/trans/vluchteling te zijn. Niets is minder waar! Detransitie, baby is met de beste wil van de wereld geen tenenkrommend kwetsbaar of politiek belerend boek te noemen. Reese is een trans vrouw die zich het liefst laat neuken door rijke machomannen om de vraag uit te bannen wat ze moet met haar leven (en om te bevestigen dat ze inderdaad een vrouw is). Als dertiger loopt ze tegen het Sex and the City-probleem aan: het vrouwenleven heeft maar vier mogelijke uitkomsten, die elkaar ook nog eens uitsluiten. Een geslaagd huwelijk, een geslaagde carrière, een bevredigend artistiek bestaan, of een kind. Reese, verder een en al oog-rollend cynisme en vlijmscherpe tong, moet aan zichzelf toegeven dat ze toch eigenlijk het allerliefst moeder wil worden.

Nu blijkt haar ex, Ames, per ongeluk zijn baas Katrina te hebben bezwangerd, en is er daadwerkelijk een kind op komst. Reese de geboren moeder, Katrina de vrouw die daadwerkelijk zwanger kan raken maar eigenlijk niet wil moederen. Wat doet Ames, die lange tijd als Amy door het leven ging en als de dood is om vader te worden? Hij vraagt zijn ex om onderdeel te worden van het toekomstige gezin.

Dit alles in New York, dat half-neerslachtige altijd-geestige Woody Allen-New York, waar mensen in lange dialogen over hun neuroses praten. Maar Detransitie, baby is naast Allen ook Austen. De trans gemeenschap heeft iets weg van een kleine, incestueuze elite, die elkaar op de ‘notable events of the season’ tegenkomen, zoals Reese vernietigend opmerkt. Ze heeft het dan over de vele begrafenissen van jonggestorven trans vrouwen.

Duister en grappig, intelligent en eigentijds, volkomen uniek en toch een klassieke roman, ook nog eens uitstekend vertaald: Detransitie, baby is mijn boek van het jaar.

Charlotte Remarque

Torrey Peters,
Detransitie, baby
Vertaald door Janneke van der Meulen.
Atlas Contact, 448 blz.


Zelfde mechanisme, ander effect

Voor lezers van de nieuwe biografie kan er geen twijfel over bestaan: Joseph Roth leidde een van de meest tragische literaire levens aller tijden. Hij moest toezien hoe het door hem geïdealiseerde Oostenrijk-Hongarije verkruimelde, werd opgejaagd door antisemitisme, verloor zijn vrouw aan krankzinnigheid en dronk zich uiteindelijk met ontstellende toewijding het graf in.

Over de romans die hij intussen met een noodgang produceerde aan cafétafels en in hotelbars, was hij zelf diep ontevreden, maar ze leverden hem postuum wel een trouwe schare internationale bewonderaars op. Een van hen is de Britse journalist Keiron Pim, die Roths bestaan in Eindeloze vlucht op meeslepende wijze heeft geboekstaafd. Pim toont zich aldoor een doortastend onderzoeker, maar de reden dat zijn boek op sommige momenten zelfs weet te emotioneren, is dat hij het beschikbare materiaal bijzonder effectief heeft uitgebuit: hij laat Roth de literatuurgeschiedenis ontstijgen en voert hem unverfroren op als een dramatisch personage.

In De wording van Gerrit Komrij , het verrassendste biografische werk dat dit jaar in Nederland verschenen is, zien we hetzelfde mechanisme terug, maar met een heel ander effect. Tien jaar na het overlijden van Komrij weet Arie Pos de eenzelvige schrijver opnieuw tot leven te wekken, niet door eindeloos te emmeren over vroeger, toen er nog echte polemiek in de dagbladen stond en dichters konden rijmen, maar door de figuur te ontdoen van vastgeroeste denkbeelden en hem weer fris voor het voetlicht te brengen. Pos toont ons een rusteloze, ambitieuze jongeman, die Winterswijk verruilde voor de hoofdstad om Nederlands te gaan studeren. Hoewel hij slechts achttien maanden ingeschreven stond, was deze periode bepalend: Komrij maakte literaire vrienden bij de studentensociëteit Olofspoort, ging kopje onder in de homoscene en liep zijn grote liefde Charles Hofman tegen het lijf. Ondertussen bleven de gedichten die zijn debuut zouden uitmaken in zijn hoofd maar doorgisten. Die eerste bundel kwam in 1968, waarmee deze deelbiografie eindigt.

Pos heeft het ergens over Komrij’s ‘magere jaren’, maar zo zouden zijn lezers deze periode onmogelijk kunnen kwalificeren; iedere bladzijde van dit boek bruist van het volle leven, tintelt van belofte.

Lodewijk Verduin

Keiron Pim, Eindeloze vlucht: Het leven van Joseph Roth
Vertaald door Lidwien Biekmann en Frank Lekens.
Atlas Contact, 507 blz.

Arie Pos, De wording van Gerrit Komrij: Een biografisch portret
De Bezige Bij, 272 blz.


Meisjes

Wie zei ook alweer ‘Soms ga je het pas zien als je het doorheb’? Voltaire? Soms zie je een schrijver jarenlang niet eens over het hoofd, maar heb je niet eens door dat ze bestaat. Tot dan die onverwachte aanraking komt en sindsdien zie je haar naam ineens overal voorbijkomen: onder blurbs op achterflappen, in lijstjes van genomineerden, opeens verschijnt er een biografie. Een blinde vlek wordt ingevuld met neon. De biografie ligt nu op mijn bureau, Shirley Hazzard: A Writing Life van Brigitta Olubas.

Van Shirley Hazzard (1931-2016) verscheen dit jaar De overgang van Venus in vertaling. Geen idee waarom De Bezige Bij het nu besloot te vertalen, het origineel is van 1980. Het is een boek waarover haar man zou hebben gezegd: ‘Niemand zou het voor de eerste keer moeten hoeven te lezen.’ Ik had hetzelfde. De eerste twee of drie keer dat ik het oppakte duwde het boek me eruit, lieten de onkenbare personages, de onverwachte werkwoorden, de impliciete zinnen me niet toe. Maar de aanhouder wint en dan word je ook volledig meegezogen in de levens van twee Australische weeskinderen, Caro en Grace, in het naoorlogse Engeland. Het is vederlicht verteld, maar zwaar van betekenis. Hazzard kan een hele feministische golf vatten in een enkele zin (‘In heel Londen waren meisjes bezig op te staan’) en de teloorgang van een affaire schetsen in een enkele observatie. Vooral Caro is een heldin, een martelaar voor de liefde, iemand die de grote verlangens – passie, trouw, vrijheid – durft na te jagen, wetende hoeveel pijn ze haar zullen doen. Een episch boek.

Of De gebeurtenis van Peter Terrin episch is? Terrin is een schrijver van geserreerd proza, die met elke roman een nieuwe manier lijkt te zoeken om een verhaal te vertellen. Geen boek lijkt op het vorige. De gebeurtenis is een uitzonderlijke roman, bestaande uit in elkaar grijpende verhalen. De verhalen op zichzelf zijn klein, menselijk, teder, vol verlies en verlangen op afstand. Maar de manier waarop ze in elkaar grijpen omspant een eigen literair universum, vol dubbele deuren en zelfreflectie.

Joost de Vries

Shirley Hazzard, De overgang van Venus
Vertaald door Barbara de Lange. De Bezige Bij, 432 blz.

Peter Terrin, De gebeurtenis
De Bezige Bij, 432 blz.


Interpenetratie

Het afgelopen jaar lag Maggie Nelsons Over vrijheid (vertaald door Nicolette Hoekmeijer, die eerder van Nelson ook The Argonauts en Bluets vertaalde) onafgebroken op mijn bureau. Maggie Nelson
is zo’n zeldzame schrijver die net zo lucide kan denken als voelen. In ieder nieuw boek neemt dat denken en voelen de vorm aan die bij dat boek hoort, en zo schreef ze een wonderlijk oeuvre bij elkaar dat de grenzen aftast (en overschrijdt) van essayistiek, memoir, poëzie en kritiek – een oeuvre dat steeds van vorm verandert, en op die manier doet wat Nelson, in dit nieuwste boek zeer sterk, betoogt.

Over vrijheid bestaat uit vier lijvige hoofdstukken die het begrip ‘vrijheid’ onderzoeken in kunst, seks, drugs en klimaat. Nelson zet voortdurend alles op losse schroeven, in de eerste plaats de betekenis van zo’n onmogelijk woord als vrijheid zelf. Daardoor gaat het boek eigenlijk nooit waarover je denkt dat het gaat, en komt het met verrassende invalshoeken van onderwerpen waarover alles al in honderdvoud gezegd lijkt te zijn (#MeToo, klimaatactivisme, racisme, om er een paar te noemen). Nelson verstaat de kunst om met een heel koor van andere schrijvers, denkers en kunstenaars aan te komen zetten, zonder dat haar eigen stem er onhoorbaar in oplost (integendeel!). Ze noemt dit ‘samen met anderen hardop nadenken’; een dialectisch proces waarin je ‘zowel interpenetratie als transformatie toelaat, terwijl je het vermogen behoudt om te differentiëren en te stellen’. Het redde mij dit jaar uit een aantal periodes van geestelijke armoe. Een boek als een boei én als de oneindige zee eromheen.

Niña Weijers

Maggie Nelson, Over vrijheid
Vertaald door Nicolette Hoekmeijer.
Atlas Contact, 318 blz.


Een metgezel

Soms stuit je op een boek waar je echt een paar weken mee kunt leven. Voor mij was dat dit jaar Lessons van Ian McEwan. Steeds wat bladzijden lezen, waarna de toon, sfeer en vertelstem blijven doorwerken gedurende je dagen, dat je soms zelfs bij groot of klein nieuws kunt denken: vanavond eens aan Roland Baines vragen hoe hij er tegenaan kijkt.

Baines is een semi-autobiografisch alter ego van McEwan, net als hij geboren in 1948, waarna zijn levensverhaal zich rond de grote wereldgebeurtenissen slingerde. Eerste seksuele ervaring tijdens de Cubacrisis. Door zijn vrouw verlaten vlak voor de Tsjernobylramp. Vindt haar terug in Berlijn als de Muur valt. En zo slingeren plot en historie om elkaar heen tot aan Brexit en corona.

Zoiets kan geforceerd geconstrueerd uitpakken, of doorslaan in een geopolitiek vertoog – onder allebei die euvels heeft eerder werk van McEwan wel eens geleden – maar in deze roman is alles in een heel prettige balans: de stuwende suspense-lijnen (de zoektocht naar zijn verdwenen vrouw), de psychologie (het misbruik door een pianolerares op kostschool werkt door in zijn latere leven), het wereldtoneel, de verschillende milieus en tijdperken die hij oproept.

Dat het boek zo aanvoelt als een metgezel komt met name door de beschouwende toon. Roland Baines stelt de wereld die hij oproept altijd meteen ter discussie, hij is voortdurend bezig erin door te dringen, dilemma’s scherper te krijgen, vat te krijgen. Dat doet hij blijkbaar zo aanstekelijk dat je ook buiten de bladzijden om met hem in gesprek blijft.

Als luchtigere afwisseling raad ik Gouden dagenvan Berend Sommer aan, een vlotte, satirisch getoonzette schets van onder meer het (Leidse) universitaire leven, het journalistieke milieu rond De Correspondent en die van Amsterdamse dertigers. In al die kringen komen millennials en babyboomers met elkaar in botsing. Dat levert energieke en geestige scènes op, en bovenal bijzonder veel smakelijke taal.

Christiaan Weijts

Berend Sommer, Gouden dagen
Prometheus, 256 blz.

Ian McEwan, Lessons
Jonathan Cape, 320 blz.


Ruim baan

Er zijn van die poëziejaargangen waarover je snel bent uitgepraat, maar dat kun je van 2022 niet zeggen. Wat verschenen er veel boeiende teksten, van Alara Adilow, Maria Barnas, Dominique De Groen, Michael Tedja, Eva Gerlach, Nachoem Wijnberg, Arno Van Vlierberghe, Arjen Duinker, to name but a few. Als ik er twee bundels moet uitpikken, dan denk ik zeker aan Kokanje van Hannah van Binsbergen, haar tweede dichtbundel pas, maar nu al heeft ze een trefzekere en aanstekelijke dictie. Een dichteres die duidelijk veel plezier heeft in het máken, dat lees je aan alle regels af, die zowel intelligent als onnavolgbaar zijn en veel vaart hebben. Ik bedoel, dit zijn toch zinnen om je vingers bij af te likken: ‘Ik vertrek, hoewel ik niet wijs ben: op mijn eigen stomme manier ben ik tweehonderdzeventig jaar geworden. O vreugde in het rijk der levenden te wonen en te eten zolang de lepel in de brijpot staat.’

En dan verscheen dit jaar Waar is het lam? van Mustafa Stitou, die kan niet ontbreken op mijn lijstje. De precisie, het timbre, de beeldende kracht, de onthutsende en ogenschijnlijk eenvoudige anekdotiek, razendknap gefabriceerd zonder dat je de constructie eraan afleest – alles aan deze intrigerende bundel klopt. Stitou creëert ervaringen en maakt het fictieve volkomen authentiek, in gedichten zonder hinderlijke maniertjes. De bundel is wat mij betreft een hoogtepunt in Stitou’s toch al sterke oeuvre, en een hoogtepunt in de Nederlandstalige poëzie van de afgelopen jaren. In Waar is het lam? opnieuw ruim baan voor de moeder, de vader, en het rituele, ook in ons dagelijkse leven. Deze dichter heeft bovendien de gave om klassiekers te schrijven, zoals ‘Karton’, ‘Mo’ en ‘Mosque shaped alarm clock’. Dit soort regels dus: ‘Hypnotiserend haar malende armen,/ hypnotiserend het zuigende geluid/ van haar knedende vuisten. Behalve jullie/ is niemand thuis. Glimlachend kijkt ze op./ Nee ze is niet boos meer. Helemaal/ voor jezelf heb je haar. Vast zit je en je lacht.’

Alfred Schaffer

Mustafa Stitou, Waar is het lam?
De Bezige Bij, 96 blz.

Hannah van Binsbergen, Kokanje.
Pluim, 72 blz.