FILMQuantum of Solace

DE BESTE BOND

Quantum of Solace, geregisseerd door Marc Foster met Daniel Craig in de hoofdrol, heeft een bespottelijk ingewikkeld, en daardoor oppervlakkig verhaal. Maar dat terzijde. Want het is een Bond-film, en de ‘Bond-dingen’ zijn prachtig in orde: snelle auto’s, uitstekend gechoreografeerde actiescènes op exotische locaties, Bond-girl die in seksuele nood verkeert doordat een aartsschurk, vermoedelijk gekoppeld aan de moderne versie van de oude geheime sovjet-groep SMERSH uit Ian Flemings vroege romans, haar in z’n greep heeft, en een keiharde, cynische M, prachtig gespeeld door Judi Dench.
De grootste troef is Bond. Blondje of niet, Craig geeft net als in zijn Bond-debuut, Casino Royale (2006), gestalte aan Flemings duistere Bond, en hij is de eerste acteur die dat echt voor elkaar krijgt. Sean Connery werd een beetje weggecijferd tussen de oneliners en gadgets, Roger Moore was te glad, George Lazenby was te zacht, en Timothy Dalton was te lief, Pierce Brosnan was te mooi. Deze nieuwe Bond, Craig, is perfect: een koelbloedige killer gemotiveerd door een complexe mix van wraak, perversiteit, seksuele frustratie en gevoelens van plicht tegenover Engeland. Dat laatste is misschien nog het belangrijkste. Als iemand twijfelt aan Bond, die de ene zinloze moord na de andere pleegt, snauwt M: ‘Hij is van mij, en ik vertrouw hem volledig.’
Quantum of Solace is de titel van een kort verhaal uit de bundel For Your Eyes Only die Ian Fleming in 1960 publiceerde. Film en verhaal hebben verder niets met elkaar te maken. En toch is Quantum of Solace cruciaal in Flemings oeuvre. En dus ook in het leven van Bond. Het verhaal biedt een reflectie van de verslechterende staat van zijn huwelijk met Ann Charteris, zoals Andrew Lycett onthult in Ian Fleming (1995). Fleming werd tijdens een vakantie in Oostenrijk, bedoeld om het huwelijk nieuw leven in te blazen, woedend op Ann toen hij zag hoe ze op een avond een spelletje met mooie Oostenrijkse mannen speelde. Tegenover Evelyn Waugh zei Ann: ‘Dat kwam doordat Ian zelf geen romantiek kon vinden.’
Die spanning vertaalde zich in Flemings Quantum of Solace. Het verhaal van twintig pagina’s bestaat uit een gesprek op een cocktailparty tussen James Bond en de Britse gouverneur op de Bahama’s. De gouverneur vertelt over een verlegen Britse diplomaat die als een blok valt voor een jonge, mooie stewardess. Eenmaal getrouwd en gestationeerd op Bermuda bedriegt de stewardess de diplomaat met een plaatselijke flierefluiter. Dan, wraak: de diplomaat verlaat zijn vrouw en zorgt ervoor dat ze een paria op het eiland wordt. De gouverneur concludeert: dat krijg je als er in een huwelijk geen quantum of solace meer is, geen menselijkheid, of voldoende mate van vertroosting of ondersteuning. Dan loopt het uit de hand, dan is er sadisme.


Toen Fleming het verhaal schreef, was Bond al lang niet meer de klassieke Bond, dat wil zeggen een uitlaatklep, een gedroomde weg uit de grauwe politieke en economische realiteit in Engeland in de aanloop naar de Koude Oorlog. De literaire Bond van de jaren zestig is een zelfbewust personage, moe, cynisch. Net als Fleming zelf in die tijd. Dat was misschien de reden waarom Flemings Bond een passieve rol in het verhaal heeft. Bond doet niets. Hij luistert naar het verhaal van de gouverneur over overspel, passie, perversiteit en wraak – allemaal dingen die 007 heel goed begrijpt. En waar hij nu moe van is. En dan gaat de killer nadenken over zichzelf, zijn leven. De verteller: ‘Suddenly the dramatics of his own life seemed very hollow (…) the stuff of an adventure-strip in cheap newspapers.’

Te zien vanaf 6 november