OPHEFFER

De beste filosoof

Mijn vader had op een lezing de filosoof Bertrand Russell ontmoet. Sindsdien ken ik de namen ‘Trellech’ en ‘Penrhyndeuraeth’, wat de geboorte- en overlijdensplaatsen van Russell waren.
Omdat mijn vader Russell een hand had mogen geven, was Russell bij ons thuis de grootste en beste filosoof van de wereld. Zijn boeken stonden op mijn vaders bureau. En er werden heldenverhalen over hem verteld. Hij schreef tienduizend woorden per dag. Dat zijn twintig columns in De Groene. Hij was een Nobelprijswinnaar, en hij was natuurlijk de grote man van de Russell-paradox waar mijn vader maar niet over uitgepraat en uitgedacht raakte: kan een verzameling van alle verzamelingen zichzelf nu wel of niet bevatten. (Nee, zal Kurt Gödel later aantonen.)
Het boek dat wij thuis allemaal kenden was: Why I Am Not A Christian. Ik heb dat essay eigenlijk nooit helemaal gelezen, want ik had het, anders dan mijn vader, niet nodig.
Op een dag ontdekte ik – middels een radiopraatje van het Humanistisch Verbond op zondagochtend – dat Russell een socialist was en, belangrijker, tégen de oorlog in Vietnam. Dat was mijn vader niet. Ik ontdekte nog iets: Russell was ook tegen kernwapens, tegen de atoombom. En dat was mijn vader ook niet. Ik hoorde altijd dat ik mijn bestaan te danken had aan diezelfde atoombom.
Hoe zat dat, vader?
Mijn vader betoogde dat iemand heel goed een formule kon bedenken, maar dat als je de getallen in de formule verandert je ook andere uitkomsten krijgt.
Ik vond dat een vervelend antwoord.
Ik las Russell, althans een beetje, en vond vooral interessant dat hij politiek actief was, en dat hij seks voor het huwelijk niet zo erg vond. Maar de held over wie ik op school veel meer hoorde, Jean-Paul Sartre, vond ik toch aardiger. De logica van Russell legde het af tegen het gewauwel van het existentialisme dat, achteraf, een pre-hippiefilosofie is.
Na de oorlog vond ik een brief van mijn vader aan Russell. Het was een korte brief. Hij vertelde daarin wat ik hem verweten had en wat hij toen had geantwoord. Mijn vader wilde weten of dat een goed antwoord was geweest.
Russell antwoordde niet met een brief, maar met een boek, The Conquest of Happiness, en daarin had hij geschreven: ‘For a good father’. Een trillerig, maar desondanks sjiek handschrift.
Omdat mijn vader hier niet met mij over gesproken heeft, neem ik aan dat dit hem teleurstelde. Ikzelf vermoed dat Russell, toen 96 jaar oud, te zwak was en geen zin had om een uitgebreide brief aan een onbekende man in Nederland te schrijven. Eigenlijk vind ik het opsturen van het boek al heel wat; ik stuur nooit wat op als mensen mij iets vragen.
Mijn vaders held stierf in 1970. Bijna honderd jaar oud. In een envelop verzamelde hij de in-memoriam-artikelen. Die heb ik destijds weggegooid, wat ik mezelf nog steeds verwijt.
Alles wat ik nu lees van en over Russell – ik blader het door – komt me voor als hopeloos ouderwets. Zijn stijl, zijn opvattingen. Op een of andere manier raakt het me niet. Op Wikipedia lees ik over Russell dat hij ‘het socialisme’ zag als een ‘ethische roeping voor alle mensen’. Dat is misschien wel wat me tegenstaat. Ik vond dat vroeger ook, maar het suggereert wel dat ‘socialisme’ beter is dan bijvoorbeeld ‘liberalisme’. Menselijker. Met andere woorden: wie geen socialist is, is niet echt ethisch, is onmenselijk. Sartre was nu eens communist en dan weer niet, of wel. Een filosofische doerak, misschien wel een oplichter. Dat spreekt me nog steeds meer aan.