Media

De beste krant

Afgelopen weekend isThe New York Times achter een pay wall verdwenen. Dat wil zeggen: niet-abonnees kunnen per maand nog maar een beperkt aantal artikelen van de digitale editie van de krant bekijken.

Wie meer wil, moet voortaan betalen. Afgelopen jaren heeft de krant behoorlijk wat abonnees verloren: door de week bedraagt de oplage nu negenhonderdduizend, op zondag anderhalf miljoen; een verdere daling dreigt. Ook de advertentie-inkomsten zijn teruggelopen. Ondertussen is het aantal unieke bezoekers van de website gestegen tot boven de dertig miljoen per maand - maar die brengen weinig op. De vraag is dan ook hoe lang The New York Times haar redactiestaf van ruim 1100 man - ondanks twee bezuinigingsrondes - nog in leven kan houden.
Met de pay wall lijkt het bedrijf een dikke streep te willen trekken: tot hier en niet verder.

Het kan toch niet zo zijn dat andere nieuwsorganisaties hun redacties afslanken, terwijl de krant enorme bedragen blijft investeren in journalistieke kwaliteit, die ook nog eens - gedeeltelijk - gratis beschikbaar wordt gesteld. Het experiment wordt in de dagbladwereld met spanning gevolgd: The New York Times is tot nu de grootste en belangrijkste nieuwsorganisatie die deze stap heeft durven zetten. Maar er is een rekensom gemaakt: zelfs al zou een paar procent van die dertig miljoen bezoekers betalen, dan nog is deze stap rendabel.
Het zal er niettemin om spannen: de angst is natuurlijk dat haar nieuws uiteindelijk via andere, gratis sites verder wordt verspreid, en daartegen kan de krant, bij gebrek aan juridische bescherming, weinig doen. Dat maakt de positie van de schrijvende journalistiek zo schrijnend: wie zonder toestemming beelden overneemt, krijgt direct een proces aan de broek, wie een uitvoerige samenvatting geeft van een reportage waaraan anderen een jaar hebben gewerkt, hoeft niets te vrezen. Intellectueel eigendom is slecht beschermd: dat is enerzijds een mooi democratisch principe, maar ondermijnt intussen wel de economische basis van de serieuze journalistiek.
Met de pay wall wordt een verdedigingswal opgetrokken. Er is veel, heel veel te verliezen. The New York Times is met voorsprong de beste krant ter wereld. En dan hebben we het niet over de omvang: de krant van afgelopen zondag telde 174 pagina’s op groot formaat, plus een boekenbijlage van 34, een wekelijkse zondagsbijlage van 64, plus een extra stijl- en reismagazine van 106 pagina’s. Vierhonderd pagina’s, waarvan een behoorlijk deel advertenties, zeker, maar met meer artikelen dan je op een zondag kunt verstouwen.

Hoe die kwaliteit, met name op het gebied van nationale, regionale en internationale journalistiek, wordt gerealiseerd, laat zich illustreren aan de hand van de opstand in Egypte. Een team van zes schrijvende journalisten, bestaande uit correspondenten en oorlogsverslaggevers, plus nog enkele fotografen, deden ter plekke verslag van de ontwikkelingen en hielden de lezer daarbij gelijktijdig verschillende perspectieven voor: officiële woordvoerders, werkloze jongeren, marktkooplui, zakenlieden, de Moslimbroederschap, academici - ze kwamen allemaal aan het woord, niet in de vorm van een ‘lekker quootje’, maar in uitvoerige, goed geschreven portretten en reportages. Ondertussen peilden correspondenten in omliggende landen (Israël, Jordanië, Syrië, Turkije, Libië) en Europa, plus de politieke redactie in Washington, zorgvuldig de stemming en bewegingen daar; steeds bleek de krant over uitstekende ingangen te beschikken. Resultaat: iedere dag een fascinerende caleidoscoop, weken achtereen, van vier, vijf of meer pagina’s. En in Libië gaat het deze weken niet anders - vier Times-verslaggevers zijn er zelfs ternauwernood aan de dood ontsnapt.

Een ander typerend voorbeeld is de berichtgeving rond de aardbeving en, vooral, de nucleaire crisis in Japan. Ook hier dagelijkse reportages en analyses, wederom gekoppeld aan stukken over de veiligheid van centrales in de VS en andere landen en de repercussies voor de energieprogramma’s die in verschillende landen op stapel staan. Na anderhalve week kreeg de lezer in een pagina uitgelegd waarom de officiële Japanse informatievoorziening zo beroerd was: diepgewortelde patronen staan een directe, onomwonden aanduiding en openlijke erkenning van fouten en feilen in de weg, of het nu gaat om politiek, bedrijfsleven of kernenergie.
Dat is de beste journalistiek: goed geschreven, gebalanceerde stukken, die antwoord geven op vragen waarvan je niet wist dat je ze wilde stellen, of die uitleggen waarom bepaalde vragen niet beantwoord kunnen worden. Qua journalistieke diepgang en spanbreedte heeft The New York Times geen concurrenten, behalve op specifieke deelgebieden. Daaraan ontleent de krant haar gezag. Zelfs rechts Amerika, dat zo graag en giftig afgeeft op de krant, grijpt, als puntje bij paaltje komt, er als eerste op terug.
Ik kan niet anders zeggen: bijna acht maanden in de VS en iedere dag de The New York Times - dat is een feest als je van de journalistiek houdt.