Regisseur Guy Cassiers heeft lef

De beste manier om mens te zijn

Het lijkt volstrekt onmogelijk om Robert Musils onvoltooide, drie vuistendikke roman De man zonder eigenschappen te bewerken voor het toneel. Guy Cassiers van Toneelhuis deed het, met een paradoxaal genoegen.

DE MAN zonder eigenschappen op het toneel? Een hopeloze onderneming, zou ik denken, ware het niet dat ik had gezien hoe de regisseur, Guy Cassiers, een eerdere hopeloze onderneming tot een flonkerend theaterjuweel had omgetoverd. Dan heb ik het over zijn driedelige Proust-cyclus van een paar jaar geleden.
Het boek van Marcel Proust - À la recherche du temps perdu (1913-1927) - behoort tot de toppen van de moderne Europese romankunst van de twintigste eeuw, maar lijkt volstrekt ongeschikt voor het toneel. Niet omdat het in de verdwenen aristocratische cultuur van het fin de siècle speelt, wel vanwege aard en omvang: het telt een paar duizend pagina’s en is geschreven in complexe, eindeloos meanderende zinnen vol schitterende beelden maar met een minimum aan lineair reconstrueerbare handeling en eveneens een minimum aan dialoog. Dat Cassiers er met het Ro Theater toch in geslaagd is daar een fraai theaterstuk van te maken zegt iets over zijn kwaliteiten.
Anders dan sommige collega’s die klassieke meesterwerken verknippen tot versimpeld eigentijds spektakel, heeft Cassiers de oorspronkelijke tekst grondig bestudeerd en een zorgvuldige selectie gemaakt van thematisch samenhangende fragmenten - van de weergaloze taal van Proust is hij afgebleven. Maar bovenal: zijn werkstuk is niet zozeer een beknopte of toegankelijke versie van de roman, het is proza van Proust vormgegeven met de specifieke middelen van het moderne theater. Het wordt een vertaling van het ene medium in het andere. Met behulp van uitgekiende ensceneringen, decors en belichting, van filmbeelden, geprojecteerde teksten en live-muziek (van een strijkkwartet), en natuurlijk dankzij een stel eersteklas acteurs, leverde dat een zinnenprikkelend, door en door esthetisch geheel op waar Proust, de scherpzinnige (en bepaald niet halfzachte) estheet, van zou hebben gesmuld.
Maar De man zonder eigenschappen is nog onmogelijker als theaterstuk. Deze roman van Robert Musil is namelijk onvoltooid, en niet zo'n beetje ook. Toen Musil stierf, in april 1942, 61 jaar oud, liet Martha Musil weten dat haar man meende ‘nog een jaar of twintig leven en werken’ voor de boeg te hebben. In werkelijkheid was de situatie waarin de roman verzeild was geraakt uitzichtloos; ook als Musil honderd zou zijn geworden was zijn levenswerk onvoltooid gebleven. Dat had minder met tijd te maken dan met de essentie van het boek. Om het op zijn eenvoudigst te formuleren: Ulrich, de hoofdpersoon, weet niet wat hij wil. En niet - zoals vaak wordt gedacht - omdat Ulrich, de man zonder eigenschappen, een kleurloze conformist, een naamloze doorsneefiguur zou zijn die achter elke mode aanloopt. Integendeel, het epitheton 'zonder eigenschappen’ heeft voor Ulrich, en voor Musil, een ronduit positieve lading. Het staat voor de weigering alle vanzelfsprekendheden, alle tradities, normen en clichés van zijn tijd over te nemen. Ulrich weet dat hij in een overgangstijd leeft, dat alle eeuwige waarheden vloeibaar en alle grote verhalen ongeloofwaardig zijn geworden. Hij is zoiets als een postmodernist avant la lettre.
Maar een cynicus is hij allerminst. Proefondervindelijk zoekt hij naar 'de beste manieren om mens te zijn’, naar een moreel verantwoorde levenswijze zonder kerkelijk of anderszins goedgekeurd kompas voor het leven. In zijn jonge jaren heeft hij nog wel geprobeerd iemand met eigenschappen te worden - officier in het leger eerst, vervolgens ingenieur en ten slotte wiskundige - maar gaandeweg ondervindt hij de beperkingen en kortzichtigheden van die kordate realiteitszin met pasklare opinies en kiest hij radicaal voor de 'mogelijkheidszin’ van een 'essayistische levenswijze’.
Die alles ondermijnende keuze leidt ook tot radicale twijfel - en dus tot een tastende, essayistische schrijfwijze - tot besluiteloosheid en uiteindelijk tot een impasse. In het derde en laatste, fragmentarisch gebleven deel van de roman streeft Ulrich naar de utopie van de 'andere toestand’. Dat is een extatische, half en half mystieke toestand waarin een volledige harmonie heerst van gevoel en verstand, zonder elkaar uitsluitende keuzen. Die dacht hij te kunnen vinden in de alle grenzen overschrijdende en alle taboes negerende 'Geschwisterliebe’ met zijn zus Agathe. Maar hij wist ook dat die andere toestand niet duurzaam, niet levensvatbaar kon zijn, alleen had hij geen benul hoe die combineerbaar was met een sociaal bestaan. Na plusminus tweeduizend bladzijden strandt de roman dan ook in een woekering van ontelbare ontwerpen, varianten, notities.
Als regisseur lijkt het aanzienlijk veiliger een van de (vroege) toneelstukken van Musil op de planken te brengen. Of om een toneelbewerking te maken van de roman Die Verwirrungen des Zöglings Törless (1906), die door Volker Schlöndorff al eens met succes werd verfilmd. Törless is beperkt van omvang en ook zonder actualiserende ingrepen volkomen begrijpelijk - vergelijkbaar met Michael Haneke’s Das weisse Band, ook qua sfeer en ten dele qua thematiek. De man zonder eigenschappen stelt aan de lezer zo mogelijk nog hogere eisen dan Op zoek naar de verloren tijd. Een regisseur die zich hieraan waagt bewijst lef.

HET EERSTE DEEL van het drieluik speelde onlangs in de Antwerpse Bourla Schouwburg, waar ik de voorstelling van Toneelhuis van 11 september zag. We bevinden ons in Wenen, 1913. Ulrich, een zacht sprekende man, voor in de dertig, domineert het toneelbeeld. Hij is door zijn invloedrijke vader maar tegen zijn zin aangesteld als secretaris van de zogenaamde Parallelactie. De honderd pagina’s die daar bij Musil aan voorafgaan zijn weggesneden; het stuk begint met een geestig uitgewerkt motief van koetspaarden die last hebben van diarree en als gevolg daarvan op hoogst ongelegen plekken alles onder kakken, waarmee de licht satirische toon meteen en aanzienlijk sneller dan in het boek is gezet. Het motief is er niet met de haren bij gesleept: het woord kakken rijmt op Kakanië, de spottende naam die Musil gebruikte voor de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie (K.u.K. Doppelmonarchie; de afkorting staat voor 'keizerlijk en koninklijk’).
De Parallelactie slaat op de voorbereidingen die een Weens comité van 'patriottische persoonlijkheden’ treft ter viering van het zeventigjarig jubileum van het keizerschap van Franz Joseph in 1918, de man die in het collectieve geheugen toch vooral is blijven hangen als de fris gewassen echtgenoot van Sissi, die junge Kaiserin. Maar 1918 is ook het jaar waarin keizer Wilhelm in Berlijn zijn dertigjarige regeringsjubileum hoopt te vieren. De Oostenrijkers willen de gehate Pruisen ditmaal wel eens laten zien waartoe ze in staat zijn. Wat zij niet kunnen weten, anders dan Musil, die het eerste deel van zijn boek pas in het rampjaar 1933 publiceerde, en dus uiteraard anders dan wij, is dat Franz Joseph in 1916 sterft en dat 1918 niet direct is voorbestemd het jaar van grootse herdenkingsfeesten te worden maar van het definitieve uiteenvallen van beide keizerrijken. Dat plaatst al dat leeghoofdige idealisme en opgeklopte nationalisme vanzelf in een ironisch perspectief, dat door Musil met groot meesterschap wordt uitgebuit en waar ook Cassiers goed mee uit de voeten kan.
De Dubbelmonarchie omvatte inmiddels een groot deel van het huidige Centraal-Europa: Oostenrijk, Hongarije, Tsjechië, Slowakije, Slovenië, Kroatië en delen van Italië, Polen, Roemenië en Oekraïne. Van 1436 tot 1806 waren de Habsburgers keizer van het grote Duitse Rijk, dus inclusief Pruisen, en daarmee erfgenaam van een traditie die via Karel de Grote een voortzetting was van het Romeinse keizerrijk. Een eenheid is dat met zijn talloze volkeren, talen en religies natuurlijk nooit geweest, begin twintigste eeuw werd dat duidelijker dan ooit. 'Geen enkele Kakaniër hield het innerlijk uit in Kakanië’, schrijft Musil. Een zwakke schijn van eenheid dankte het rijk alleen aan zijn oude keizer.
Dat verklaart waarom het Parallelactiecomité met man en macht zoekt naar ideeën en symbolen die de 'verloren’ - in werkelijkheid louter fictieve - 'menselijke eenheid’ moet herstellen. Maar tot meer dan reactionaire, zweverige of holle praat komt het niet. Ook het hoorbaar morrende 'volk’, dat via een soort referendum om een creatieve bijdrage gevraagd wordt, bewijst met zijn krankjorume, oncombineerbare voorstellen alleen maar dat 'het’ volk al net zo'n fictie is als Kakanië’s eenheid. Het sterkste deel van de voorstelling zijn de twee vergaderingen van het comité, die wat meer humor en Schwung in de dialoog brengen. Het beeld van de leden achter een in de breedte opgestelde tafel levert bovendien een fraaie visuele en symbolische parallel op met de enorme projectie van Leonardo’s ingetogen Het laatste avondmaal in het eerste bedrijf en Ensors groteske De intocht van Christus in Brussel in het tweede.
Toch betwijfel ik of de essentie van de Parallelactie - en daarmee de gelukkig alleen impliciete vergelijking met de Europese integratieproblematiek van onze tijd - voor de onvoorbereide kijker van het stuk voldoende duidelijk wordt. Dat komt, behalve door de complexiteit van de vele verhoudingen en het nagenoeg ontbreken van handeling (ook bij Musil is alles tekst, denkwerk, reflectie), door een betwistbare regie van Ulrich, die op de kijker minder indruk maakt dan op de dames op de bühne, waar overigens, tussen al die besnorde ijzervreters, ook geen kunst aan is. Ulrichs splijtende intelligentie komt nauwelijks tot zijn recht, hij heeft soms meer van een schlemiel dan van een scherpzinnig scepticus. Hij wil 'ideeën in machtssferen brengen’, maar blijft daarbij knap vaag. Waarom hij, toch de nuchterheid zelve, tegen het einde zijn liefde betuigt aan de dweperige hysterica Diotima (een mogelijkheid die Musil in de nagelaten fragmenten overweegt) wordt onvoldoende gemotiveerd.
Misschien moet de paradoxale conclusie wel luiden dat De man zonder eigenschappen inderdaad onspeelbaar is, maar dat Guy Cassiers er niettemin een prachtig theaterstuk van heeft gemaakt. Vrijwel alle lof voor zijn Proust is ook van toepassing op deze Musil: een schitterend toneelbeeld, een sober maar exact gebruik van moderne theatrale middelen, uitstekend acteerwerk, fraaie kostuums, een voortreffelijke pianist, kortom drie uur fascinerend theater. En alle reden om uit te zien naar het tweede deel (2011), waarin de utopische 'Geschwisterliebe’ centraal zal staan, en het derde (2012), waarin de pathologische vrouwenmoordenaar Moosbrugger, die in deel een al af en toe over de tong gaat, zelf het woord neemt en het morele en culturele verval van Kakanië naar een onafwendbaar eindspel leidt.

De man zonder eigenschappen van Toneelhuis is nog te zien in Eindhoven (19 okt), Utrecht (26, 29, 30 okt), Amsterdam (30 nov), Rotterdam (2 dec) en Groningen (4 dec). www.toneelhuis.be